RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/724947 / JE RK 26-1627
Datum uitspraak: 11 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
advocaat: mr. S. Ben Ahmed, kantoorhoudende in Rotterdam.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[naam vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 13 augustus 2026, ontvangen op 14 augustus 2026;
-
de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 24 augustus 2026, ontvangen op 25 augustus 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
-
[minderjarige 1] met zijn advocaat;
-
de moeder;
- de vader;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] .
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Aangezien de moeder en de vader de Nederlandse taal onvoldoende machtig zijn, maar wel de Syrische taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van twee tolken Syrisch, [naam tolk 1] en [naam tolk 2]. [naam tolk 1] heeft, alvorens zijn taak aan te vangen, op de bij wet voorgeschreven wijze, de belofte afgelegd dat hij zijn taak naar zijn geweten zal vervullen. De kinderrechter stelt vast dat de tolk [naam tolk 2] beëdigd is overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.
2 De feiten
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
[minderjarige 1] verblijft op een gesloten accommodatie voor jeugdhulp.
Bij beschikking van 12 september 2025 is [minderjarige 1] onder toezicht gesteld tot 12 september 2026. Bij die beschikking is ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 12 september 2026.
Bij beschikking van 23 juni 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 23 juni 2026 tot 12 september 2026.
3 Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ook verzoekt de GI een machtiging te verlenen om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. De moeder is overbelast en heeft moeite met het stellen van grenzen en het zelfbepalende gedrag van [minderjarige 1] en zijn brusjes. Bovendien spelen in het gezin traumatische gebeurtenissen uit het verleden een rol. [minderjarige 1] verblijft momenteel op een gesloten groep en doet het daar goed. Hoewel [minderjarige 1] graag terug wil naar de moeder, zien betrokkenen dat [minderjarige 1] op zijn plek zit op de huidige groep. [minderjarige 1] heeft stappen gezet, maar moet nog verdere stappen zetten voordat hij in een open setting kan verblijven. [minderjarige 1] weet beter om te gaan met zijn boosheid door naar zijn kamer te gaan, al lukt dit nog niet altijd. De huidige plek is een goede plek voor verdere behandeling van [minderjarige 1] . Bovendien kan [minderjarige 1] het goed vinden met de begeleiding. Het [zorg instelling] wordt ingezet om diagnostiek bij [minderjarige 1] te verrichten. [minderjarige 1] wil contact met de vader, maar er geldt een contactverbod voor de vader ten aanzien van [minderjarige 1] , zijn brusjes en de moeder. De GI verwacht daarom dat de omgang met de vader op korte termijn niet in het belang van [minderjarige 1] is.
4 Het standpunt van de moeder
De moeder stemt in met het verzoek. Met [minderjarige 1] gaat het beter dan eerst. [minderjarige 1] moet de komende tijd op de huidige plek blijven. Wel mist de moeder [minderjarige 1] . Uiteindelijk wil de moeder dat [minderjarige 1] naar huis komt.
5 Het standpunt van de vader
De vader brengt naar voren dat de ondertoezichtstelling nu enige tijd loopt, maar weinig vooruitgang heeft opgeleverd. [minderjarige 1] moet weer bij de moeder wonen. Als [minderjarige 1] daar woont, ontstaan er geen problemen meer. Toen [minderjarige 1] bij de vader (en de moeder) thuis verbleef, waren er geen problemen. Die ontstonden pas daarna, waarna [minderjarige 1] naar de gevangenis moest. Bovendien wil de vader contact met [minderjarige 1] . De vader heeft [minderjarige 1] al een jaar en acht maanden niet gezien.
6 Het standpunt van [minderjarige 1]
Door en namens [minderjarige 1] wordt naar voren gebracht dat [minderjarige 1] het liefst naar huis wil, anders naar een open groep. Als dat niet kan, een gesloten plaatsing voor zo kort mogelijke periode. Aan [minderjarige 1] is uitgelegd dat een open plek op dezelfde locatie mogelijk is. [minderjarige 1] ziet meer vrijheden wel zitten en vindt het oké als dit het vooruitzicht is. [minderjarige 1] krijgt op de gesloten groep de volle aandacht en kan het goed vinden met de begeleiding. Het gaat beter met [minderjarige 1] en hij gaat naar school op de groep. [minderjarige 1] volgt traumatherapie en vindt het fijn om met iemand te praten. Soms ervaart [minderjarige 1] de traumatherapie en het bezoek van de speltherapeut als veel, maar hij houdt het steeds langer vol. [minderjarige 1] mist de moeder en de brusjes enorm. [minderjarige 1] gaat wel op bezoek bij de moeder, maar op andere dagen dan [minderjarige 2] (broer). Aan beide groepen is gevraagd om dit met elkaar af te stemmen, zodat zij met zijn allen bij elkaar kunnen zijn. [minderjarige 1] heeft duidelijkheid nodig over de mogelijkheid van contact met zijn vader. Hiervoor moet de GI contact opnemen met de reclassering om de mogelijkheden te onderzoeken.
7 De beoordeling
Verlenging ondertoezichtstelling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.1 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige 1] is opgegroeid in een onveilige opvoedsituatie, waarin sprake was van fors huiselijk geweld door de vader richting de moeder. Er geldt een contactverbod voor de vader ten aanzien van de moeder, [minderjarige 1] en zijn brusjes. [minderjarige 1] laat sterk zelfbepalend gedrag, ernstige impulsiviteit, agressieve ontregeling en beperkte emotieregulatie zien. Bovendien kampt [minderjarige 1] met forse traumaproblematiek.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De problematiek overstijgt het vrijwillige kader. De jeugdbeschermer blijft noodzakelijk om regie te voeren, hulpverlening in te zetten en deze te monitoren. Bovendien moet er aandacht zijn voor de wens van [minderjarige 1] om contact te hebben met de vader. De jeugdbeschermer moet samen met de reclassering onderzoeken wat mogelijk is en wat in het belang van [minderjarige 1] is.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] voor de duur van een jaar.2
Machtiging uithuisplaatsing gesloten jeugdhulp
De kinderrechter is ook van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige 1] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige 1] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.3
Door de ernstige problematiek van [minderjarige 1] kon hij niet langer thuis wonen. Na zijn uithuisplaatsing verbleef [minderjarige 1] op een open groep, waar [minderjarige 1] een groepsgenoot neer wilde steken en een begeleider gewond raakte. Hierna verbleef [minderjarige 1] in een justitiële jeugdinrichting. Inmiddels verblijft [minderjarige 1] binnen het civielrechtelijke kader op een gesloten groep. [minderjarige 1] heeft behoefte aan structuur, duidelijkheid en begrenzing. De huidige groep biedt hem dit. [minderjarige 1] zet positieve stappen, maar dit is nog pril. [minderjarige 1] heeft verdere ondersteuning en behandeling nodig. [minderjarige 1] is gestart met traumatherapie. De verwachting is dat dit in eerste instantie [minderjarige 1] zijn gedrag zal ontregelen. Het is van belang dat dit gebeurt binnen de gesloten setting, waar [minderjarige 1] gepaste ondersteuning en de nodige begrenzing krijgt. Als [minderjarige 1] de positieve lijn voortzet, kan de groep zijn vrijheden uitbreiden.
De kinderrechter machtigt de GI om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.
De kinderrechter verklaart de beslissing om [minderjarige 1] onder toezicht te stellen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
8 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot 12 september 2027;
verleent een machtiging om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 12 september 2026 tot 12 maart 2027;
verklaart de beslissing onder 8.1. uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026 door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 28 september 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.