RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/447352 FA RK 26/2050
datum uitspraak: 22 juli 2026
beschikking betreffende contactregeling
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. R.G.J. van Kerkhof,
en
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A. Koop-van Vliet.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 20 april 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 6 juli 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 16 juli 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.
1.3 Na te noemen [minderjarige 1] is gelet op haar leeftijd in staat gesteld haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
2 De feiten
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad.
- uit hun relatie zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2017,
2. [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2019.
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarigen.
Bij beschikking van 12 mei 2023 van deze rechtbank is bepaald dat de man en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot contact met elkaar:
-
Éénmaal per twee weken voor de duur van twee uur op locatie en onder begeleiding van [jeugdhulp], waarbij een uitbreiding van de regeling ten aanzien van [minderjarige 2] mogelijk is op voorzet van [jeugdhulp] en in overleg met partijen;
-
Eén beeldbelmoment per twee weken en wel op woensdag in de week dat er geen (begeleid) contact plaatsvindt, waarbij de man tussen 15.00 en 16.00 uur kan bellen voor dit gesprek.
De man is in hoger beroep gegaan tegen voormelde beschikking van de rechtbank. Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft de beschikking van de rechtbank op 15 februari 2024 bekrachtigd.
Sinds de zomer van 2025 vindt er geen begeleide omgang meer plaats. Sindsdien vindt er enkel nog beeldbellen plaats.
3 De verzoeken
De man verzoekt, samengevat:
- Een contactregeling vast te stellen c.q. de vigerende contactregeling te wijzigen in die zin dat de man voortaan gerechtigd is tot contact met voornoemde minderjarigen.
De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel zijn verzoek af te wijzen. Bij wege van zelfstandig verzoek verzoekt de vrouw, samengevat:
- De vastgestelde zorgregeling bij beschikking van 12 mei 2023 te wijzigen, inhoudende dat de man het contact met de kinderen (zowel fysiek, telefonisch als digitaal) voor (on)bepaalde tijd wordt ontzegt;
Bij wege van voorwaardelijk zelfstandig verzoek:
- Te bepalen dat het NIFP, op grond van het bepaalde in artikel 810a lid 2 Rv, in het kader van een nader te gelasten deskundigenonderzoek, onderzoek zal verrichten ter beantwoording van de vragen opgenomen in het verweerschrift onder punt 114.
4 De beoordeling
Op het onderhavige geschil zijn de artikelen 1:253a juncto 1:377a en 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing.
De begeleide omgang tussen de man en de minderjarigen is gestopt sinds de zomer van 2025, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank een wijziging van de omstandigheden is.
Ingevolge artikel 1:253a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Op grond van lid 2 van dit artikel kan deze regeling onder andere omvatten:
- een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken,
- een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.
De rechter kan een tijdelijk verbod aan een ouder opleggen om met het kind contact te hebben, indien sprake is van een of meer van de in artikel 1:377a lid 3 BW genoemde ontzeggingsgronden. De rechter kan dientengevolge een (tijdelijk) contactverbod opleggen indien contact ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind of anderszins in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind.
De man stelt dat [jeugdhulp] jarenlang betrokken is geweest. De man heeft nuttige tips en inzichten gekregen. Het is hem helder dat hij de rust dient te bewaren. Het lukt hem ook om zich aan afspraken te houden. De man heeft ook het advies in acht genomen om zich te laten scholen in het onderwerp diabetes, nu [minderjarige 1] gediagnosticeerd is met deze ziekte. De man zou zelfstandig insuline kunnen toedienen als dat nodig is. De contactmomenten zijn onderbroken door conflicten en spanningen tussen ouders. [jeugdhulp] heeft als gevolg daarvan het traject gestaakt. De gemeentelijke casusregisseur zou gaan zorgen voor een nieuwe uitvoerder. De gemeente lijkt hierin niet in beweging te komen. De man wenst een herbeoordeling door de rechtbank nu er al geruime tijd geen omgang heeft plaatsgevonden. Indien een raadsonderzoek of een onderzoek door het NIFP nodig is, dan werkt de man daaraan mee. Dan kunnen zijn opvoedkundige kwaliteiten in kaart worden gebracht en wat het maximale is wat van de man als opvoeder gevraagd kan worden.
De vrouw heeft in haar verweerschrift een uitgebreid en chronologisch overzicht van de gebeurtenissen weergegeven, alsook welke hulpverlenende instanties in het verleden vanaf 2019 betrokken zijn geweest. Vaststaat dat het in het verleden onveilig is geweest waardoor veel en langdurig hulpverlening is ingeschakeld. De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat zich geen relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan die een wijziging van de beschikking van 12 mei 2023 zouden rechtvaardigen. Subsidiair stelt de vrouw zich op het standpunt dat een zorgregeling een negatieve invloed zal hebben op het welzijn van de kinderen, ook indien dit onder begeleiding plaatsvindt. De man heeft tot op heden, ondanks de vele adviezen c.q. verzoeken daartoe in de afgelopen jaren, geen individueel hulpverleningstraject doorlopen. De man miskent de impact van zijn handelwijze, mist zelfreflectie en kan niet aansluiten bij de behoeftes van de kinderen. Het lukt de man niet de vrouw niet te diskwalificeren en/of zijn negatieve gevoelens richting haar te uiten; ook niet tijdens de beeldbelmomenten met de kinderen. De vrouw moet de man iedere keer begrenzen. De kinderen hebben de vrouw inmiddels meermaals te kennen gegeven dat zij geen behoefte hebben aan een uitbreiding van het contact met de man. [minderjarige 2] benoemt dat zij de man niet ziet als vaderfiguur. Voorts betwist de vrouw dat de man insuline zou kunnen toedienen bij [minderjarige 1], hij heeft enkel een basiscursus gevolgd en de adviezen van de begeleiding volgde hij niet op. De vele betrokken hulpverlenende instanties hebben tot op heden niet geleid tot een verandering van de situatie, mede ook omdat de man weigert zijn mogelijke problematiek te erkennen. Bij de vrouw bestaat nu geen enkel draagvlak meer voor een begeleide zorgregeling. De kinderen zijn nog jong en kwetsbaar waarbij met name [minderjarige 1], gelet op haar kindeigen problematiek extra zorg en aandacht nodig heeft. Het verzoek van de man acht de vrouw niet in het belang van de kinderen. De genoemde ontzeggingsgronden staan aan uitvoering van een zorgregeling in de weg. De vrouw verzoekt voorwaardelijk, indien het contact niet wordt ontzegd, een deskundigenonderzoek te gelasten door het NIFP naar de – kort gezegd – persoonlijke en verstandelijke vermogens van de man.
De rechtbank is van oordeel dat voldaan is aan de gronden zoals die zijn genoemd in artikel 1:377a lid 3 BW, in ieder geval genoemd onder sub a en d. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het zijn van een ouder voor de minderjarigen verantwoordelijkheden met zich mee brengt en de man heeft keer op keer laten zien deze verantwoordelijkheid niet te willen of kunnen nemen. De man heeft jarenlang van diverse instanties gehoord dat hij zich moet laten onderzoeken om zijn opvoedkundige capaciteiten in kaart te brengen en ook zijn persoonlijke en verstandelijke vermogens. De man heeft dit tot op heden nagelaten. Verder is (ook) door het optreden van de man ter zitting duidelijk geworden dat hij onvoldoende over enige zelfreflectie beschikt. Zo blijkt uit de stukken van het geding dat de man wel de cursus heeft gevolgd over diabetes, maar dat het hem niet lukt op de noodzakelijke adequate wijze te handelen voor [minderjarige 1]. Ter zitting geeft de man toch aan dat hij dit wel kan. Hiermee lijkt vader onvoldoende te begrijpen waar het probleem ligt. Voorts blijkt uit de stukken dat de man niet werkt aan zijn ontwikkelpunten en niet-ontvankelijk is voor aanwijzingen of feedback. Zo zijn de begeleide omgangsmomenten meermaals niet goed verlopen dan wel zijn deze geëscaleerd. Inmiddels bestaat er weerstand bij [minderjarige 2] door de jarenlange belaste fysieke begeleide contactmomenten en beeldbelmomenten, waarbij van de vrouw niet langer verwacht kan worden dat zij deze nakomt omdat dit ook steeds meer strijd geeft tussen haar en [minderjarige 2]. [minderjarige 1] heeft meer zorg en aandacht nodig hetgeen meer opvoedkundige kwaliteiten van een ouders vereist dan gemiddeld. Het is aan de man om inzicht te verschaffen in zijn persoonlijke en verstandelijke vermogens en zijn opvoedkundige capaciteiten. Zolang hier geen inzicht in bestaat acht de rechtbank fysieke begeleide omgang en beeldbellen in strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarigen. De rechtbank wijst het verzoek van de man dan ook af. De vrouw heeft ter zitting toegezegd het beeld van vader bij de minderjarigen levend te houden. Mocht de man de minderjarigen voor hun verjaardagen of andere bijzondere dagen een kaartje en/of cadeau willen sturen dan is dat mogelijk.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
5 De beslissing
De rechtbank:
ontzegt de man met ingang van heden het recht op fysiek (begeleid) contact en beeldbellen met de minderjarigen:
1. [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2017,
2. [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2019,
een en ander met inachtneming van hetgeen hierover in 4.7. is vermeld;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, (kinder)rechter, en in tegenwoordigheid van mr. Mandemakers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.