RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/449322 / JE RK 26-1054
Datum uitspraak: 21 juli 2026
Beschikking verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
betreffende de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2015 te [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2017 te [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2018 te [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
[minderjarige 4] , geboren op [geboortedag 4] 2023 te [geboorteplaats 3] ,
hierna te noemen: [minderjarige 4] ,
[minderjarige 5] , geboren op [geboortedag 5] 2025 te [geboorteplaats 3] , hierna te noemen: [minderjarige 5] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats] .
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 juni 2026.
- het bericht van de GI van 21 juli 2026, met als bijlage een e-mailbericht van [jeugdhulp] aan de GI van 20 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
De kinderrechter heeft de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gelet op hun leeftijd in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Zij hebben daar geen gebruik van gemaakt.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] .
De minderjarigen wonen bij hun moeder. Ook de vader van de minderjarigen woont bij het gezin.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 31 juli 2024 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 31 juli 2024 en tot 31 oktober 2024. De ondertoezichtstelling is vervolgens steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 21 oktober 2025, met ingang van 31 oktober 2025 en tot 31 juli 2026.
Bij separate beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 21 oktober 2025 is de op dat moment nog ongeboren [minderjarige 5] als geboren beschouwd en onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 21 oktober 2025 en tot 31 juli 2026.
3 Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
De GI handhaaft het verzoek. De minderjarigen worden nog steeds ernstig in hun ontwikkeling bedreigd aangezien er de afgelopen tijd nog steeds sprake is geweest van fors schoolverzuim. Het is prettig dat hier nu een oplossing voor lijkt te zijn gevonden. Er zijn verder geen zorgen over de minderjarigen. Vanuit [jeugdhulp] is er recent nog wel een e-mail aan de GI gestuurd waaruit blijkt dat er in toenemende mate zorgen zijn over de thuissituatie van de ouders. Zo verloopt de communicatie tussen de hulpverlening en de ouders de laatste tijd moeizamer en zou de moeder soms de ondersteuning van [jeugdhulp] weigeren. Ook zou er recent een crisissituatie tussen de ouders zijn ontstaan, waarop de hulpverlening vanwege het gebrek aan medewerking van beide ouders onvoldoende zicht heeft verkregen. Hierdoor is het voor de hulpverlening lastig om een goed beeld te krijgen van wat er zich binnen het gezin afspeelt en heeft de hulpverlening het gevoel de grip op de situatie steeds meer te verliezen. De samenwerking tussen de moeder en de GI is ook niet goed. De komende tijd zal moeten worden gebruikt om een goed borgingsplan op te stellen.
De moeder stemt in met het verzoek van de GI. Zij merkt op dat de vader op de hoogte is van deze zitting, maar geen vrij kon krijgen van zijn werk. Volgens de moeder gaat het thuis goed, maar zijn er nog wel zorgen over de schoolgang van de minderjarigen. Vanwege de slechte verbinding van het openbaar vervoer tussen de woning van het gezin en de school van de minderjarigen is het de minderjarigen de afgelopen tijd namelijk niet altijd gelukt om (op tijd) op school te komen. Hier is inmiddels een oplossing voor gevonden; de moeder heeft door middel van een fonds voor alle minderjarigen een fiets kunnen aanschaffen en nu kunnen zij de reis van en naar school deels met de fiets en deels met de bus (die wel altijd rijdt) afleggen. Verder heeft de moeder de afgelopen tijd geregeld last gehad van terugvallen en emoties als gevolg van wisselingen in het gebruik van anticonceptie. Zij wordt daarin dan fijn ondersteund door de hulpverlening vanuit [jeugdhulp] en zij vindt het, ondanks dat zij het niet altijd met de hulpverlening eens is, goed en ook nodig dat deze hulpverlening wordt voortgezet. De moeder is namelijk van plan om te gaan verhuizen en zij verwacht daar ook enige ondersteuning bij nodig te hebben. De overige zorgen die de GI tijdens de zitting uit de e-mail van de hulpverlening heeft voorgelezen herkent de moeder niet. Zij heeft juist een fijn contact met de hulpverlening vanuit [jeugdhulp] en is altijd bereikbaar voor hen. Er is evenmin sprake geweest van een crisissituatie tussen de ouders. Het klopt wel dat de samenwerking met de GI niet goed is.
5 De beoordeling
Het juridisch kader
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
De inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de bovengenoemde voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Daarom zal de kinderrechter het (onweersproken) verzoek van de GI toewijzen en de ondertoezichtstelling van de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verlengen voor de verzochte duur van zes maanden, met ingang van 31 juli 2026 en tot 31 januari 2027. De kinderrechter legt hieronder uit waarom zij deze beslissing neemt.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is het de kinderrechter gebleken dat er de afgelopen tijd, ondanks dat het voor de moeder een wat lastigere periode is geweest, goede stappen zijn gezet. Zo zijn er geen zorgen meer over de opvoedvaardigheden en de draagkracht van de moeder. De moeder is liefdevol betrokken bij de minderjarigen en het lukt haar met de inzet van de hulpverlening vanuit [jeugdhulp] om een dagritme te creëren en het gezin rust en stabiliteit te bieden. Hierdoor groeien de minderjarigen op in een veilige, stabiele en voorspelbare opvoedomgeving. Ook is de vader nog steeds betrokken bij de minderjarigen. Hij speelt een actieve rol in het gezin en er zijn geen zorgen over zijn opvoedvaardigheden. Deze ontwikkelingen vindt de kinderrechter positief. Tegelijkertijd is het de kinderrechter gebleken dat de ontwikkeling van de minderjarigen nog steeds ernstig wordt bedreigd vanwege de zorgen over hun schoolgang. De afgelopen periode is er namelijk opnieuw sprake geweest van veelvuldig schoolverzuim bij de minderjarigen. Zij zijn geregeld niet of te laat op school verschenen en zij hebben daardoor veel onderwijs gemist. De moeder heeft uitgelegd dat dit het gevolg is geweest van de problemen met het openbaar vervoer en dat hier inmiddels een oplossing voor is gevonden. Er is voor alle minderjarigen een fiets aangeschaft waardoor zij de reis van en naar school nu deels met de fiets en deels met de bus kunnen afleggen. De kinderrechter vindt het van groot belang dat er de komende tijd een verbetering gaat komen in de schoolgang van de minderjarigen, in die zin dat zij voortaan structureel en regelmatig naar school gaan. Hier moet de komende tijd de focus op liggen en daarvoor is de ondersteuning van de hulpverlening voorlopig nog nodig, hetgeen de moeder erkent. De kinderrechter vindt het ook van belang dat er meer duidelijkheid ontstaat over de mogelijk toenemende zorgen die de hulpverlening vanuit [jeugdhulp] over het gezin heeft geuit. Gelet hierop vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat de GI in het gedwongen kader betrokken blijft om de regie te blijven voeren en beide ouders en de minderjarigen te ondersteunen. Verder zal er de komende tijd aandacht moeten zijn voor het opstellen van een goed borgingsplan, zodat er uiteindelijk naar een afronding van de ondertoezichtstelling kan worden toegewerkt.
In afwachting daarvan is de ondertoezichtstelling voorlopig nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] daarom voor de duur van zes maanden.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] voor de duur van zes maanden, met ingang van 31 juli 2026 en tot 31 januari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier, en op schrift gesteld op 24 juli 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.