RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/445433/ FA RK 26/1011 en C/02/445435/ FARK 26/1013
datum uitspraak: 21 juli 2026
beschikking betreffende hoofdverblijf, verdeling zorg- en opvoedingstaken, vervangende toestemming en kinderalimentatie
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. P.J.A. Grosfeld,
en
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M. de Maaré.
voormalig advocaat mr. P. Doorakkers.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 24 februari 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de man (in de zaak met kenmerk C/02/445433/ FA RK 26/1011);
- het op 24 februari 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de vrouw
(in de zaak met kenmerk C/02/445435/ FARK 26/1013);
- de brieven van mr. Doorakkers van 4 maart 2026 en 6 maart 2026 met bijlagen;
- de brieven van mr. Grosfeld van 24 juni 2026 met bijlagen en 29 juni 2026;
- het op 6 juli 2026 ontvangen verweer tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen van de man;
- de brieven van mr. De Maaré van 2 juli 2026 en 8 juli 2026, beide met bijlagen.
1.2 De zaken zijn gelijktijdig behandeld op de mondelinge behandeling van 9 juli 2026.
Bij die gelegenheid zijn partijen verschenen. Zij werden bijgestaan door hun advocaat.
Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming,
Zeeland-West-Brabant, locatie Breda , hierna te noemen de Raad, om de rechtbank te
adviseren.
2 De feiten
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
-
partijen hebben een relatie met elkaar gehad;
-
tijdens hun relatie zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2019 in [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2023 in [geboorteplaats] ;
-
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn door de man erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
-
er is geen rechterlijke uitspraak van kracht ter zake het hoofdverblijf, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de onderhoudsbijdrage betreffende [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
3 De verzoeken
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voorlopige regeling
1. een voorlopige zorgregeling vast te stellen inhoudende dat de kinderen:
a. wekelijks op woensdag van 16.30 uur tot 19.00 uur (de kinderen eten en douchen bij de man) bij de man verblijven;
b. eenmaal per veertien dagen, in de oneven weken, van zaterdag 9.00 uur tot zondag 18.30 uur bij de man verblijven, met overnachting;
2. te bepalen dat de schoolvakanties en feestdagen bij helfte tussen ouders worden verdeeld, in onderling overleg nader vast te stellen, waarbij:
- de kinderen gedurende de zomervakantie telkens gedurende een periode van drie aaneengesloten weken bij de man verblijven;
- te bepalen dat de kinderen gedurende of het paasweekend of het hemelvaartweekend een aaneengesloten periode van drie dagen bij de man verblijven;
- Vaderdag bij de man en Moederdag bij de vrouw wordt doorgebracht, telkens van 9.00 uur in de ochtend tot de volgende ochtend aanvang school;
3. te bepalen dat de overige schoolvakanties worden uitgebreid conform de gebruikelijke zorgregeling tussen partijen;
4. te bepalen dat de man de kinderen ophaalt bij aanvang van de zorgregeling en de vrouw de kinderen ophaalt aan het einde van de zorgregeling;
definitieve regeling
5. een definitieve zorgregeling vast te stellen inhoudende dat de kinderen:
a. eenmaal per veertien dagen van vrijdag na school tot maandag aanvang school bij de man verblijven;
b. wekelijks van woensdag 16.30 uur tot donderdag aanvang school bij de man verblijven;
6. de voorlopige regeling van de schoolvakanties en feestdagen (onder 2.) definitief te bepalen;
7. de voorlopige regeling van het (op)halen bij aanvang en aan het einde van de zorgregeling (onder 4.) definitief te bepalen;
aanvullend verzoek
8. de man vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 2] namens beide ouders in te schrijven voor de aan bassischool [school 1] verbonden voorschool.
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
-
de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vrouw vast te stellen;
-
een voorlopige zorgregeling vast te stellen die gelijk is aan de huidige regeling namelijk: de man heeft contact met de kinderen iedere week op woensdag van 16.30 uur tot 19.00 uur en één keer per 14 dagen op zaterdag van 09.00 uur tot 19.00 uur waarbij de man het halen en brengen voor zijn rekening neemt;
-
de zaak aan te houden en de Raad voor de Kinderbescherming te verzoeken een
onderzoek te doen naar welke verdeling van de zorg in de toekomst passend is en naar of er een kinderbeschermingsmaatregel nodig is;
-
te bepalen dat het de vrouw is toegestaan om in de zomervakantie van 2026 een week met de kinderen op vakantie in Nederland en dat gedurende die week de zorgregeling niet hoeft te worden nagekomen;
-
vaststelling van een bij vooruitbetaling door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 404,80,= per maand per kind, met ingang van 1 januari 2026;
-
vervangende toestemming ex artikel 1:253a BW te verlenen om [minderjarige 1] over te schrijven van basisschool [school 1] naar [school 2] ;
-
vervangende toestemming ex artikel 1:253a BW te verlenen om [minderjarige 2] in te schrijven voor de voorschool van [school 2] ;
-
vervangende toestemming om steunouders in te schakelen en kinderopvang voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op maandag, dinsdag en donderdag.
4 De beoordeling
Hoofdverblijf
De vrouw verzoekt het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen. De man
heeft daarmee ingestemd. Nu partijen het eens zijn en niet gebleken is dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank dit verzoek van de vrouw toewijzen.
Zorgregeling
De man heeft verzoeken gedaan om een voorlopige en een definitieve zorgregeling te
bepalen, die strekken tot een uitbreiding van de huidige feitelijke regeling. Ter onderbouwing van zijn verzoeken voert de man, samengevat, het volgende aan. De huidige regeling biedt onvoldoende ruimte om invulling te geven aan zijn vaderschap. Een uitbreiding van de huidige zorgregeling is in het belang van de kinderen. Ondanks langdurige betrokkenheid van hulpverlening is het niet gelukt om toe te werken naar een uitbreiding. De vrouw heeft de eerdere betrokken hulpverlening eenzijdig stopgezet en weigert hier verder aan mee te werken. Uit de stukken is niet gebleken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] negatieve gevolgen ondervinden van het verblijf bij hem of dat uitbreiding van het contact niet verantwoord zou zijn. Volgens de man voelen de kinderen zich bij hem op hun gemak en ervaren zij zijn woning als vertrouwde omgeving. De man heeft tijdens de zitting aangegeven een onderzoek door de Raad geïndiceerd te achten.
De vrouw heeft verzocht om een voorlopige zorgregeling te bepalen, die gelijk is aan
de huidige feitelijke regeling. Zij voert, samengevat, het volgende aan. Het is niet in het belang van de kinderen als de huidige regeling wordt aangepast zoals door de man is verzocht. Zij heeft ernstige zorgen over het opvoedklimaat bij de man en of hij in staat is de kinderen de veiligheid te bieden die ze nodig hebben. Volgens de vrouw is er veel onrust bij de kinderen nadat zij bij de man geweest zijn en is veel tijd nodig om ze weer tot rust te brengen. De vrouw geeft aan dat er bij de hulpverlening die partijen in het verleden hebben gehad een hoop is misgegaan, waardoor de verslagleggingen niet betrouwbaar zijn. Er dient professionele hulpverlening te worden ingeschakeld om de zorgregeling in goede banen te leiden en een uitbreiding in de toekomst mogelijk te maken. De vrouw heeft verzocht om de Raad te vragen onderzoek te doen, ook naar een mogelijke kinderbeschermingsmaatregel. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de vrouw aangegeven dat partijen in een impasse zitten en duidelijk moet worden wat nodig is voor de kinderen en partijen zelf.
De Raad heeft op de mondelinge behandeling het volgende aangegeven. Het gaat niet
goed met de kinderen en zij hebben last van de strijd tussen hun ouders. Er is al veel hulpverlening binnen het vrijwillig kader betrokken geweest bij het gezin, maar dit heeft nog niets opgeleverd. Door de gemeente is aangegeven dat hulp binnen het vrijwillig kader niet meer passend is. De Raad is, op basis van de stukken, van mening dat er onvoldoende zorgen zijn over de emotionele en fysieke veiligheid van de kinderen bij de man, zodat de zorgregeling kan worden uitgebreid met een overnachting bij de man. Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zullen partijen nog lange tijd met elkaar beslissingen moeten nemen over hun kinderen. De Raad acht van belang dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onbelast contact met hun ouders kunnen hebben en niet belast worden met de onderlinge strijd tussen partijen. Volgens de Raad is er voldoende aanleiding om aan te nemen dat er een ondertoezichtstelling nodig is. Binnen een ondertoezichtstelling kan ook worden onderzocht op welke manier de zorgregeling ten aanzien van de man en de kinderen kan worden uitgebreid. Bij het uitblijven van overeenstemming tussen partijen over een (verzoek tot) ondertoezichtstelling, zal de Raad een beschermingsonderzoek instellen, waarbinnen ook onderzocht kan worden welke zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het meest passend is. De noodzaak hiertoe is hoog omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] momenteel in een situatie zitten waarin hun ontwikkeling bedreigd wordt. De Raad acht van belang dat de rechtbank een beslissing neemt ten aanzien van een voorlopige zorgregeling en de beslissingen omtrent een definitieve regeling aanhoudt in afwachting van het Raadsonderzoek.
De rechtbank overweegt als volgt. Het is de rechtbank op basis van de ingediende
stukken duidelijk geworden dat al langere tijd hulpverlening bij partijen betrokken is geweest. In 2024 is Veilig Thuis, na een melding van de huisarts bij het gezin betrokken geraakt. Na contact tussen de huisarts en Veilig Thuis, zijn partijen doorverwezen naar Surplus voor ondersteuning. Verder hebben partijen via [hulpverlening 2] , praktijk voor gezinsbehandeling en psychosociale therapie, afspraken gemaakt omtrent de toenmalige gezamenlijk woning. Via de gemeente Oosterhout zijn partijen vervolgens terecht gekomen bij [hulpverlening 1] voor omgangsbegeleiding tussen de man en de kinderen. Onder begeleiding van [hulpverlening 1] heeft er tot mei 2025 begeleid contact plaatsgevonden tussen de man en de kinderen. Daarna heeft de man ook onbegeleid contact gehad met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Parallel aan de hulp van [hulpverlening 1] is [jeugdhulp 1] betrokken geweest om de vrouw te ondersteunen bij praktische zaken. Toen de hulp via [hulpverlening 1] en [jeugdhulp 1] stopte, is er een aanmelding gedaan voor [jeugdhulp 2] . Ter overbrugging van de lange wachttijd is Spring jeugdhulp ingeschakeld. Zij zijn in het najaar van 2025 met partijen aan de slag gegaan in een poging om afspraken te maken over de manier van communiceren en een ouderschapsplan. Dit heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. Hulpverlening in het vrijwillig kader bleek niet passend meer te zijn en het traject via [jeugdhulp 2] is vervolgens gestopt. Vanuit de gemeente Oosterhout is zeker twee maal aangegeven dat er een verzoek tot onderzoek (VTO) zou worden gedaan, maar dit is onder meer door administratieve redenen niet in gang gezet. Daarbij is gebleken dat de verstandhouding tussen partijen verstoord is en dat er zorgen zijn over wat dit met de kinderen doet. De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling al een beschermingsonderzoek aangekondigd.
De rechtbank deelt de mening van de Raad dat de noodzaak voor een beschermingsonderzoek ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hoog is. De rechtbank acht zich op dit moment bovendien onvoldoende geïnformeerd om een definitieve beslissing te kunnen geven op het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling en vakantieregeling. De rechtbank verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Breda daarom om ook een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke zorgregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
- Hoe dient de zorgregeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Welke vakantieregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
- Hoe dient de vakantieregeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
In afwachting van de rapportage van de Raad zal de beslissing op de verzoeken
van de man tot vaststelling van een definitieve zorgregeling en een definitieve vakantieregeling worden aangehouden, tot de na te melden pro forma datum.
De rechtbank verzoekt de Raad om zijn rapport uiterlijk één kalenderweek
voorafgaand aan die datum bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen.
Voorlopige regeling
Zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken zal de rechtbank de voorlopige
zorgregeling zoals verzocht door de man toewijzen. De rechtbank heeft daarbij het advies van de Raad in aanmerking genomen en volgt gelet ook op de overgelegde stukken van de eerder betrokken hulpverlening vooralsnog dat onvoldoende is gebleken dat de huidige feitelijke zorgregeling nu niet kan worden uitgebreid. Vanuit dit uitgangspunt hebben partijen afgesproken dat de voorlopige regeling, met de overnachting bij de man, zal ingaan op zaterdag 18 juli 2026. De rechtbank zal aldus beslissen.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen ook voorlopig overeenstemming
bereikt over het halen en brengen van de kinderen. Zij hebben met elkaar afgesproken dat gedurende de voorlopige zorgregeling de man [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal blijven brengen en halen bij de vrouw zoals op dit moment het geval is. De rechtbank zal conform deze afspraak van partijen beslissen.
Met betrekking tot de voorlopige regeling voor de vakanties en feestdagen heeft de
vrouw verzocht om te bepalen dat het haar is toegestaan om in de zomervakantie van 2026 een week met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op vakantie te gaan in Nederland en dat gedurende die week de zorgregeling niet hoeft te worden nagekomen. Ter zitting heeft de man aangegeven hier geen bezwaar tegen te hebben. De rechtbank merkt daarbij op dat het aan partijen zelf is om in onderling overleg te bepalen welke week van de zomervakantie dit betreft. De beslissing op de verzoeken omtrent de vakantieregeling ten aanzien van het paasweekend, hemelvaartweekend, Vaderdag, Moederdag en overige schoolvakanties zal worden aangehouden in afwachting van het onderzoek door de Raad.
Vervangende toestemming wijziging basisschool [minderjarige 1]
Ter onderbouwing van haar verzoek, geeft de vrouw het volgende aan. [minderjarige 1] staat
momenteel ingeschreven op de [school 1] en is gestart op deze school toen partijen nog samenwoonde. Zij is in mei 2025 met de kinderen verhuisd naar een nieuwe woning in een andere wijk in [woonplaats] . [school 2] ligt in haar buurt, dicht bij haar nieuwe woning. [minderjarige 1] heeft inmiddels diverse vriendjes gemaakt die allemaal op [school 2] zitten en de schooltijden van [school 2] sluiten beter aan bij het ritme van het gezin.
De man heeft verweer gevoerd en aangegeven zich niet te kunnen verenigen met het
verzoek van de vrouw. Partijen hebben er destijds bewust gezamenlijk voor gekozen om [minderjarige 1] in te schrijven bij basisschool [school 1] vanwege de kwaliteit van het onderwijs. [minderjarige 1] functioneert daar goed en de huidige schoolomgeving sluit goed aan bij wat [minderjarige 1] nodig heeft.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad het volgende aangegeven. De
afstand tussen basisschool [school 1] en [school 2] is klein. Uit de stukken blijkt dat [minderjarige 1] het goed doet op [school 1] . De Raad ziet daarom geen reden voor een schoolwisseling.
De rechtbank oordeelt als volgt. Partijen verschillen van mening over de basisschool
van [minderjarige 1] . Het belang van [minderjarige 1] dient hierbij het uitgangspunt te zijn. De rechtbank acht zich, ondanks hetgeen door partijen is aangegeven, nog onvoldoende geïnformeerd om te komen tot een definitieve beslissing omtrent de basisschool van [minderjarige 1] . De Raad heeft zich ook nog niet zozeer uitgelaten over wat op dit punt in het belang van [minderjarige 1] is. Tijdens de mondelinge behandeling is het debat in feite beperkt gebleven tot de ligging van de scholen. De rechtbank acht het meest in het belang van [minderjarige 1] dat ouders gezamenlijk tot een beslissing komen op dit punt. Zij zijn vanuit het oogpunt van gezamenlijk gezag gehouden om nu (opnieuw) voor de basisschool te kiezen die in de huidige (woon)situatie het meest in het belang is voor [minderjarige 1] en later ook voor [minderjarige 2] . De rechtbank zal daarom de definitieve beslissing over de basisschool van [minderjarige 1] aangehouden in afwachting van het verdere verloop van de procedure. Voorgaande betekent dat de huidige situatie voorlopig onveranderd en [minderjarige 1] voor nu ingeschreven zal blijven bij basisschool [school 1] .
Vervangende toestemming inschrijving voorschool [minderjarige 2]
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen overeenstemming hebben
bereikt over de inschrijving van [minderjarige 2] op een voorschool. Partijen hebben onderling afgesproken dat [minderjarige 2] zal worden ingeschreven op de voorschool van [school 2] . De man heeft ter zitting benadrukt dat deze afspraak tussen partijen los staat van de vraag naar welke basisschool [minderjarige 2] zal gaan als hij ouder is. Gelet op de overeenstemming tussen partijen acht de rechtbank een beslissing op het verzoek van de vrouw en zelfstandig verzoek van de man niet langer nodig. De rechtbank benadrukt hierbij dat partijen zich aan de door hun gemaakte afspraak zullen moeten houden en in de toekomst onderling afspraken over moeten maken over de inschrijving van [minderjarige 2] op een basisschool.
Vervangende toestemming steunouders en kinderopvang
Gelet op de gemaakte afspraak over de voorschool heeft de vrouw ter zitting haar
verzoek om vervangende toestemming voor het inschakelen van steunouders en kinderopvang voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ingetrokken. Dit betekent dat de rechtbank hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.
Kinderalimentatie
De vrouw verzoekt de man te veroordelen om met ingang van 1 januari 2026
maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een bedrag van € 404,80 per kind per maand te betalen, dan wel een ingangsdatum dan wel een bedrag in goede justitie nader te bepalen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangegeven gelet op de voorlopige
regeling te kunnen instemmen met het verzoek van de vrouw.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen. Tussen partijen staat vast dat
zij een kinderbijdrage van € 387,= per kind per maand zijn overeengekomen, welke bijdrage na indexering per 1 januari 2026 € 404,80 per kind per maand bedraagt. Zij zijn hierbij uitgegaan van een zorgkorting van 15%. De rechtbank merkt daarbij op dat het aan (de advocaten van) partijen is om in het geval de uiteindelijke definitieve zorgregeling daartoe aanleiding geeft de bijdrage op het punt van de zorgkorting aan te passen.
5 De beslissing
De rechtbank
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2019 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2023 te [geboorteplaats] ,
hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en genoemde minderjarigen in het kader
van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar: wekelijks op woensdag van 16.30 uur tot 19.00 uur en eenmaal per veertien dagen, in de oneven weken, van zaterdag 09.00 uur tot zondag 18.30 uur, met ingang van zaterdag 18 juli 2026;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat het de vrouw is toegestaan om in de
zomervakantie van 2026 een week met de kinderen op vakantie in Nederland en dat gedurende die week de zorgregeling niet hoeft te worden nagekomen;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming locatie [geboorteplaats] een onderzoek in te
stellen ter beantwoording van de hierboven onder 4.6 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen;
bepaalt dat de man met ingang van 1 januari 2026 ten behoeve van de verzorging en
opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vrouw bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 404,80 (vierhonderdenvier euro en tachtig cent) per maand per kind;
houdt de beslissing op de verzoeken van de man tot vaststelling van een definitieve
zorgregeling (waaronder het halen en brengen), vakantieregeling en het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming voor wijziging van de basisschool van [minderjarige 1] aan tot 20 oktober 2026 PRO FORMA, in afwachting van het raadsrapport.
Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, rechter, en in tegenwoordigheid van mr. Van Klaveren, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.