RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/450295 / JE RK 26-1260
Datum uitspraak: 21 juli 2026
Nadere beschikking voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
betreffende de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 te [geboorteplaats] , België, hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2015 te [geboorteplaats] , België, hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R.A. Remport-Urban te Linne,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. H.E.C.M. Nieland te Bergen op Zoom,
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).
1 Het nadere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de spoedbeschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 14 juli 2026, en alle daarin opgenomen en vermelde stukken;
- het door mr. Remport-Urban overgelegde conceptrapport van de Raad van 13 februari 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- mr. Nieland, advocaat, namens de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De vader is, met bericht van afmelding, niet verschenen.
De kinderrechter heeft de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gelet op hun leeftijd in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Zij hebben daar geen gebruik van gemaakt.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
De moeder heeft de Belgische nationaliteit. De vader en de minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij spoedbeschikking van 14 juli 2026 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken, met ingang van 14 juli 2026 en tot 28 juli 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
3 Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de
duur van drie maanden en daar op te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
Aan de orde is de vraag of er nieuwe feiten en/of omstandigheden zijn die aanleiding geven tot herroeping van de spoedbeschikking van 14 juli 2026 met ingang van heden, alsmede het resterende deel van bovengenoemd verzoek van de Raad om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen met ingang van 28 juli 2026 en tot 14 oktober 2026.
4 De standpunten
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de overgelegde stukken. De ouders blijven ondanks de vele procedures die zij hebben gevoerd bepaalde patronen met elkaar in stand houden. Ook de advocaten van de ouders dragen daar hun steentje aan bij. Met de situatie rondom de mogelijke ontvoering van de minderjarigen door de grootouders vaderszijde naar het buitenland is er een nieuw dieptepunt ontstaan in het leven van de minderjarigen. De Raad ziet geen andere oplossing dan de minderjarigen voorlopig onder toezicht te stellen. Daarbij heeft de Raad gekozen voor de William Schrikker Stichting als GI vanwege het profiel van de [broer] en omdat Jeugdbescherming Brabant al jarenlang de ondertoezichtstelling van de minderjarigen heeft uitgevoerd, zonder (blijvend) resultaat. De Raad begrijpt dat de William Schrikker Stichting aangeeft dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gelet op hun intelligentieniveau niet onder hun doelgroep vallen, maar het Leger des Heils zal naar verwachting hetzelfde aangeven. Bovendien zal er gelet op de aanhoudende, forse problematiek van de ouders geen enkele GI graag met dit gezin aan de slag willen gaan.
Door en namens de moeder wordt ingestemd met het verzoek van de Raad. De voorlopige ondertoezichtstelling is op dit moment nodig voor de minderjarigen. Zij zijn erg geschrokken van wat er is gebeurd. De moeder hoopt dat deze maatregel hen structuur en duidelijkheid zal bieden, zodat zij weten waar zij aan toe zijn. Daarbij heeft de moeder geen bezwaar tegen de William Schrikker Stichting als GI. Gelet op de problemen die er spelen, zullen er namelijk juist basale zaken de revue moeten passeren, waarvoor intelligentie niet van belang is. Verder benoemt de moeder dat de minderjarigen door de ontvoering willens en wetens zijn belast en dat er misbruik is gemaakt van hun vertrouwensband. De moeder betwist tot slot dat zij het contact tussen de vader en de minderjarigen zou frustreren. Zij volgt de minderjarigen in hun wensen en houdt zich aan hetgeen de rechtbank en het Hof over het contact tussen de vader en de minderjarigen hebben beslist.
Namens de vader wordt ingestemd met het verzoek van de Raad. Volgens de vader hebben de minderjarigen zelf bij hun grootouders vaderszijde aangegeven dat zij graag met hen op vakantie wilden gaan naar Frankrijk en hebben de grootouders deze vakantie vervolgens, zonder medeweten van de vader, gefaciliteerd. Tijdens de autorit naar Frankrijk hebben de minderjarigen vrijuit kunnen spreken met de grootouders en daarbij hebben zij aangegeven dat zij blij waren dat zij uit de situatie van de moeder waren bevrijd. De advocaat vindt het belangrijk dat de Raad en de GI – via een vertrouwenspersoon – naar de minderjarigen gaan luisteren. De vader is het juridische gevecht met de moeder zat en weet dat de minderjarigen daar de dupe van zijn. Hij meent dat het loyaliteitsconflict van de minderjarigen in stand wordt gehouden doordat de moeder het contact tussen de vader en de minderjarigen frustreert en daarbij niet kijkt naar de wensen van de minderjarigen. De vader vindt het dan ook positief dat er door middel van de voorlopige ondertoezichtstelling zicht zal komen op het gedrag en de houding van de moeder.
De GI benoemt dat hun werkwijze (praktisch en op de oppervlakte) is toegespitst op ouders en kinderen met een licht verstandelijke beperking. Daarvan is in dit gezin geen sprake, sterker nog; de minderjarigen zijn erg intelligent. De GI verwacht daarom niet dat hun aanpak een blijvende verandering zal kunnen bewerkstelligen in dit gezin. Het gezin behoeft hulpverlening met expertise met meer diepgang.
5 De nadere beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Het is de kinderrechter gebleken dat de moeder de Belgische nationaliteit heeft. Gelet hierop draagt deze zaak een internationaal karakter. Dit maakt dat de kinderrechter eerst moet beoordelen of deze rechtbank rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is op het verzoek, alvorens de rechter toekomt aan de inhoudelijke beoordeling daarvan.
Op grond van artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn in zaken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarigen hun gewone verblijfplaats hebben op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Spoedbeslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling
Bij spoedbeschikking van 14 juli 2026 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken, met ingang van 14 juli 2026 en tot 28 juli 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de mondelinge behandeling op 21 juli 2026 in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Naar aanleiding daarvan oordeelt de kinderrechter dat niet is gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden die maken dat de spoedbeslissing van 14 juli 2026 met ingang van heden dient te worden herroepen. Daarom wordt de spoedbeslissing niet herroepen.
Inhoudelijke beoordeling resterende deel van het verzoek
De kinderrechter is verder van oordeel dat nog steeds aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan.1 Daarom zal de kinderrechter het resterende deel van de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toewijzen, met ingang van 28 juli 2026 en tot 14 oktober 2026. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
Op basis van de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat er sprake is van een ernstig vermoeden dat de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acuut en ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Daarbij neemt de kinderrechter in overweging dat er al jaren sprake is van ernstige conflicten tussen de ouders, waardoor de minderjarigen langdurig zijn blootgesteld aan spanningen. Als gevolg daarvan zitten de minderjarigen klem tussen hun ouders en zijn zij belast met forse loyaliteitsproblematiek. Het is de ouders ondanks vele juridische procedures en de langdurige betrokkenheid van Jeugdbescherming Brabant en andere hulpverleningsorganisaties nog niet gelukt om hier een structurele verbetering in aan te brengen. Daarnaast blijkt uit de overgelegde stukken dat de vader binnen het onderzoek van de Raad diverse keren forse uitspraken heeft gedaan over onder andere het ongevraagd meenemen van de minderjarigen naar het buitenland en het ombrengen van de moeder. Deze situatie acht de kinderrechter zeer zorgelijk. Daarbij is het de kinderrechter gebleken dat de minderjarigen recent door de moeder als vermist zijn opgegeven, waarna is gebleken dat zij door de grootouders vaderszijde mee naar het buitenland zijn meegenomen. De grootouders zijn onderweg in België aangehouden op verdenking van ontvoering, waarna de minderjarigen door de Belgische politie aan de grens met Nederland zijn overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten. Hiervoor loopt er een onderzoek naar de grootouders, waarbij ook naar de rol van vader wordt gekeken. De minderjarigen hebben hierdoor recent opnieuw een ingrijpende ervaring meegemaakt en dat is verontrustend. De kinderrechter vindt het daarom met de Raad van groot belang dat er spoedig passende hulpverlening voor de minderjarigen wordt ingezet.
Gelet op al het voorgaande deelt de kinderrechter de ernstige zorgen van de Raad over een mogelijk nieuwe ontvoering van de minderjarigen (door de vader) naar het buitenland en over de fysieke en emotionele veiligheid van de minderjarigen. Daarbij is de kinderrechter van oordeel dat het de ouders vanwege de aanhoudende conflicten tussen hen niet lukt om deze zorgen binnen het vrijwillig kader te verminderen. Daarom acht de kinderrechter de voortzetting van de voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk om de acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te kunnen nemen alsmede om ervoor te zorgen dat er in de komende periode beslissingen in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden genomen. Het resterende deel van het hiertoe strekkende verzoek zal daarom worden toegewezen tot 14 oktober 2026. Daarbij acht de kinderrechter het van belang dat de betrokkenheid van de William Schrikker Stichting als GI bij de ouders en de minderjarigen in ieder geval gedurende het resterende deel van de voorlopige ondertoezichtstelling zal worden voortgezet. Wellicht kan er voor de toekomst worden gekeken naar een GI die beter aansluit bij de ouders en de minderjarigen.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.2
6 De beslissing
De kinderrechter:
wijst het resterende deel van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toe met ingang van 28 juli 2026 tot 14 oktober 2026.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier, en op schrift gesteld op 29 juli 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.3