ECLI:NL:RBZWB:2026:7978

Datum uitspraak
21-07-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/443655 / FA RK 26-40
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming verhuizing en inschrijving adres, afwijzing verzoeken man tav wijziging hoofdverblijf en zorgregeling

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknummer: C/02/443655 / FA RK 26-40

datum uitspraak: 21 juli 2026

beschikking betreffende vervangende toestemming verhuizing, vervangende toestemming inschrijving adres, wijziging hoofdverblijf en zorgregeling

in de zaak van

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de vrouw,

wonende te [plaats 1] , thans verblijvende te [plaats 2] ,

advocaat: mr. E. Sijnesael te Middelburg,

tegen

[de man] ,

hierna te noemen de man,

wonende te [plaats 1] ,

advocaat: mr. J. Schuttkowski te Terneuzen.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1 Het procesverloop

1.1

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- het op 30 december 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;

- het op 7 januari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken met bijlagen;

- de brief van mr. Sijnesael d.d. 11 juni 2026 met bijlagen;

- de brief van mr. Schuttkowski d.d. 16 juni 2026 met bijlagen.

1.2

De verzoeken zijn door de meervoudige kamer in deze rechtbank mondeling behandeld op 18 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was daarbij aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.

2 De feiten

2.1

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:

- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, hierna te noemen [minderjarige] .

2.2

De man heeft [minderjarige] erkend.

2.3

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.4

Bij beschikking van 15 mei 2023 heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf bij de vrouw heeft. Tevens is een zorgregeling vastgesteld overeenkomstig artikel 3.1 van het aan de beschikking gehechte ouderschapsplan, welke door partijen is ondertekend op 23 februari 2023, en de daarbij gevoegde bijlage. Dit betreft een co-ouderschapsregeling op basis van onderstaand schema. Ook is bepaald dat de tussen partijen onderling getroffen regelingen zoals opgenomen in het aangehechte ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking.

2.5

In artikel 3.2 van voormeld ouderschapsplan is opgenomen dat de ouder bij wie [minderjarige] het laatst verblijft, hem naar de andere ouder brengt wanneer er moet worden gewisseld.

2.6

De voornoemde regeling is door partijen in 2024 in onderling overleg gewijzigd, waarbij het co-ouderschap in stand is gebleven maar er een andere verdeling van de zorgdagen is afgesproken.

3 De verzoeken

3.1

De vrouw verzoekt:

  • aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing van [minderjarige] met haar naar [adres 1] te [plaats 2] ;

  • aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige] op het adres aan [adres 1] te [plaats 2] door de beschikking in de plaats te stellen van de handtekening van de man;

  • de beschikking, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2

De vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man en verzoekt deze af te wijzen.

3.3

De man voert verweer tegen verzoeken van de vrouw en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.

Bij wijze van zelfstandige verzoeken verzoekt de man:

  • het tussen partijen gesloten ouderschapsplan d.d. 23 februari 2023 voor zover dat ziet op het hoofdverblijf van [minderjarige] , en zoals vastgesteld in de beschikking van 15 mei 2023, te wijzigen en te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man is aan [adres 2] te [plaats 1] , gemeente Hulst;

  • aan de man vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige] op [adres 2] te [plaats 1] , gemeente Hulst door de beschikking in plaats te stellen van de handtekening van de vrouw;

  • het tussen partijen gesloten ouderschapsplan d.d. 23 februari 2023 voor zover dat ziet op de verdeling van zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) ter zake [minderjarige] , en zoals is vastgesteld in de beschikking van 15 mei 2023, te wijzigen en te bepalen dat:

 [minderjarige] bij de vrouw verblijft gedurende een weekend om de 14 dagen van vrijdagmiddag vanaf school tot zondag 17:30 uur;

 [minderjarige] bij de vrouw verblijft doordeweeks op dinsdagen na school, waarbij de vrouw [minderjarige] van school ophaalt en [minderjarige] naar de man brengt om 17:30 uur;

 [minderjarige] tijdens de zomervakantie bij de vrouw verblijft gedurende twee aaneengesloten weken en een niet aaneengesloten week;

althans een zodanige verdeling van zorg- en opvoedingstaken als de rechtbank in goede justitie meent te behoren te bepalen.

3.4

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

De vrouw verzoekt vervangende toestemming voor haar verhuizing met [minderjarige] naar [plaats 2] . Ter onderbouwing van haar verzoek stelt de vrouw dat zij graag met [minderjarige] en haar nieuwe partner, waarvan zij inmiddels zwanger is, wil gaan samenwonen. Haar partner is woonachtig in [plaats 2] en beschikt hier over een - in tegenstelling tot de vrouw - geschikte woning om als gezin samen een leven op te bouwen. Haar partner werkt in [plaats 3] en vanuit [plaats 2] scheelt het hem een half uur reistijd ten opzichte van haar woning in [plaats 1] . Daarnaast zal het de vrouw rust geven wanneer zij definitief [plaats 1] kan verlaten. Behalve dat haar ouders en zus hier wonen, heeft zij geen verdere binding met [plaats 1] . Zij is hier destijds voor de man gaan wonen en de verhouding tussen hen is inmiddels niet meer goed. [plaats 1] is een kleinschalig dorp, waardoor zij de man met regelmaat tegenkomt. Mede gezien de actieve rol van de man in het dorp en bij de voetbal voelt de vrouw zich hier niet prettig bij. De relatie met de man is geëindigd vanwege huiselijk geweld. De man heeft de vrouw meermaals bedreigd en tevens beïnvloedt hij [minderjarige] met zijn ongenoegen over de nieuwe relatie van de vrouw en haar voorgenomen verhuizing. [minderjarige] heeft hier last van, hetgeen ook gemerkt wordt op school. De vrouw is als gevolg van huiselijk geweld met [minderjarige] gevlucht uit de woning van de man naar haar ouders. Hier heeft zij in afwachting van een eigen woonplek een tijdje verbleven. De woning die zij vervolgens kreeg toegewezen heeft zij aangegrepen, maar was gelegen in een onprettige buurt. De vrouw heeft daarom op een gegeven moment een andere woning gekocht. Dit verklaart dus de meerdere verhuizingen van de vrouw met [minderjarige] , die een gevolg zijn van de relatiebreuk met de man. De man heeft de verhuizingen zelf in de hand gewerkt door zijn agressie die de vrouw noodzaakte om te vluchten. Ondanks de gebeurtenissen tijdens de relatie van partijen zijn partijen in de afgelopen jaren wel in staat geweest om goede afspraken te maken over verdeling van zorgtaken ten aanzien van [minderjarige] . Helaas zijn de onderlinge spanningen tussen partijen toegenomen en is de communicatie onder druk komen te staan sinds de man op de hoogte is geraakt van de nieuwe relatie van de vrouw. De vrouw had graag haar voornemen tot verhuizen willen bespreken met de man en betreurt dat het tot een juridische procedure heeft moeten komen. Zij had gehoopt met de man tot afspraken te kunnen komen, maar er was geen overleg mogelijk. Vanwege het ontbreken van toestemming van de man voor de verhuizing heeft de vrouw haar huis in [plaats 1] nog niet opgezegd. Inmiddels verblijven [minderjarige] en de vrouw wel al grotendeels in [plaats 2] . De man merkt hier niets van, want de school, de voetbal en de co-ouderschapsregeling blijven ongewijzigd. [minderjarige] is inmiddels gewend aan de nieuwe situatie. Volgens de school gaat het goed met hem. Dit alles betekent dus dat de belangen van de man en [minderjarige] niet negatief worden beïnvloed door de verhuizing. Het enige wat verandert is de reisafstand. Die wijzigt van een paar minuutjes lopen naar 18 minuten met de auto. De vrouw is bereid om alle reisbewegingen voor haar rekening te nemen. In het geval er geen toestemming wordt verkregen, zal de vrouw de verhuizing niet doorzetten en zal zij weer haar woning in [plaats 1] betrekken. Zij zal dan ervoor moeten zorgen dat deze woning op orde komt. Het zal wel het geluk van de vrouw in de weg staat, omdat zij in [plaats 1] nooit de rust heeft kunnen vinden. De vrouw benoemt tot slot dat zij absoluut niet de intentie heeft om [minderjarige] weg te trekken uit [plaats 1] . Zij wil dat de regeling blijft zoals die nu is en dat [minderjarige] een volwaardig contact houdt met zijn vader. Omdat de zorgregeling niet wijzigt, is compensatie niet nodig. De vrouw is bereid het halen en brengen van [minderjarige] te blijven verzorgen zoals zij ook het afgelopen jaar heeft gedaan. Zij kan dit goed combineren met haar werk en zodra de baby is geboren verdelen met haar partner. De vrouw is ook voornemens de baby aan te melden voor een crèche in [plaats 1] , zodat zij het halen en brengen kan combineren. Ten aanzien van de zelfstandige verzoeken van de man stelt de vrouw dat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden die aanleiding (kunnen) geven voor een herbeoordeling van het hoofdverblijf en in het verlengde daarvan de zorgregeling. Deze verzoeken dienen dan ook te worden afgewezen.

4.2

De man stelt voorop dat hij zich altijd coöperatief heeft opgesteld ten aanzien van de nieuwe partners van de vrouw. Hij gunt de vrouw en haar partner het leven dat zij samen als gezin willen opbouwen. Hij had het prima gevonden als zij samen met [minderjarige] in [plaats 1] zouden gaan wonen. De man kan zich niet vinden in een verhuizing naar [plaats 2] . Dit is namelijk niet in het belang van [minderjarige] en daarbij ontbreekt een dringende noodzaak. De man betwijfelt of de vrouw de verhuizing met [minderjarige] goed doordacht en voorbereid heeft en of zij naar passende alternatieven (binnen de omgeving van [plaats 1] ) heeft gezocht. De vrouw heeft nooit te kennen gegeven zich niet prettig te voelen in [plaats 1] en grijpt het huiselijk geweld aan om haar verhuizing naar [plaats 2] te kunnen doorzetten, nu hij zijn toestemming hiervoor weigert te geven. De man ontkent stellig dat dit heeft plaatsgevonden. De verhuizing heeft een grote impact op [minderjarige] . Hij wordt weggetrokken uit de omgeving waar hij geworteld is en wordt belast met vele extra reisbewegingen. Sinds de vrouw [minderjarige] heeft meegenomen naar [plaats 2] zijn er op school zorgen over [minderjarige] ontstaan. Hij toonde boos en vermoeid gedrag en vond geen aansluiting bij andere kindjes. De man heeft hiervoor hulp gezocht, alleen is deze wegens het ontbreken van toestemming van de vrouw niet van de grond gekomen. De man merkt aan [minderjarige] dat hij moeite heeft met het verblijf in [plaats 2] en uit dit ook geregeld naar de man. Daarnaast merkt de man ook dat [minderjarige] steeds vaker afwezig is bij activiteiten, zoals bijvoorbeeld bij de voetbal en met vaderdag. De man vreest dat co-ouderschap op afstand lastig uitvoerbaar zal zijn gezien de moeizame communicatie die er nu tussen partijen is en het feit dat [minderjarige] steeds verder af komt te staan van [plaats 1] . Tot eind 2024 hadden partijen veel contact met elkaar en kwamen zij elkaar geregeld op het dorp tegen. Sinds [minderjarige] hoofdzakelijk in [plaats 2] verblijft, zijn die spontane momentjes tussendoor volledig weggevallen. De huidige regeling hebben partijen in goed overleg afgesproken toen [minderjarige] drie jaar was. Partijen woonden dicht bij elkaar en wilden niet dat [minderjarige] een ouder al te lang moest missen. Zij zijn daarom in eerste instantie een week-op-week-af-regeling overeengekomen. Sinds [minderjarige] naar school gaat hebben partijen een andere dagverdeling gemaakt, hetgeen ook neerkomt op een evenredige verdeling.

Inmiddels laat [minderjarige] veerkracht zien op school en lijkt het weer beter te gaan met hem. De man maakt zich hier wel zorgen om in combinatie met de instabiliteit die de vrouw in de afgelopen jaren heeft laten zien. De vrouw is in 4 à 5 jaar tijd bijna 5 keer verhuisd. De man ziet wat deze wispelturigheid van de vrouw doet met [minderjarige] . De man woont daarentegen nog altijd in het hetzelfde huis en vindt dan ook dat hij [minderjarige] meer rust en stabiliteit kan bieden. De vrouw heeft besloten haar verhuizing met [minderjarige] naar [plaats 2] ook zonder zijn toestemming door te zetten, wat maakt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden die een herbeoordeling van het hoofdverblijf en de zorgregeling vergt. De man verzoekt het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem te bepalen, zodat hij [minderjarige] kan beschermen tegen wispelturige beslissingen door de vrouw. De man wil dat [minderjarige] een goede band met zijn moeder behoudt, alsook met zijn zusje die straks geboren wordt. Nu het verzoek is opgesteld op het moment dat de vrouw nog niet zwanger was, is de door hem verzochte zorgregeling wellicht niet geheel passend. Om de rechtbank toch mogelijkheden te bieden voor het bepalen van een andere zorgregeling, wordt namens de man als aanvullend subsidiair verzoek verzocht om een zorgregeling in goede justitie te bepalen. Tot slot benoemt de man dat hij de visie van de Raad teleurstellend vindt. Het advies van de Raad is buitensporig en niet in het belang van [minderjarige] , nu hiermee zijn hoofdverblijf in [plaats 2] komt te liggen en zijn sociale leven voornamelijk in [plaats 1] blijft.

4.3

De Raad begrijpt dat [minderjarige] vorig jaar een mindere periode heeft gekend. De man legt de verhuizing van de vrouw hieraan ten grondslag, maar volgens de Raad kan dit ook komen doordat [minderjarige] de spanningen tussen zijn ouders aanvoelt en hij hierdoor klem zit. De eerdere verhuizingen van de vrouw zijn het gevolg van de scheiding van partijen. Het is dan ook logisch dat [minderjarige] hierop heeft gereageerd. Volgens de Raad hebben de spanningen tussen partijen een grotere impact op [minderjarige] dan de verhuizing. De spontane contactmomentjes bieden volgens de Raad geen meerwaarde als partijen zo met elkaar omgaan. Daarin moeten partijen zeker nog een slag maken en het zou fijn zijn als zij hierbij hulp gaan vragen ter verbetering van hun onderlinge communicatie. De Raad vindt een raadsonderzoek, zoals is verzocht door de man, niet wenselijk. De verhuizing staat tussen partijen in en deze knoop moet worden doorgehakt. Het raakt de man dat [minderjarige] niet meer constant in [plaats 1] verblijft. De Raad heeft er echter voldoende vertrouwen in dat [minderjarige] hier geworteld zal blijven doordat hij hier naar school blijft gaan, voetbalt en gaat spelen met zijn vriendjes/klasgenootjes. Partijen hebben destijds goede afspraken gemaakt over [minderjarige] . Deze regeling moet zo blijven, ook bij een afwijzing van het verzoek van de vrouw ten aanzien van de verhuizing. Het is niet in het belang van [minderjarige] om het hoofdverblijf en de zorgregeling te wijzigen. Deze verzoeken dienen volgens de Raad te worden afgewezen. De relatie van de vrouw lijkt inmiddels bestendig, nu zij en haar partner ook samen een kindje krijgen. Er zijn verder geen zorgen over de situatie van de vrouw. De afstand [plaats 2] - [plaats 1] en het aantal ritjes tussen beide plaatsen is niet zodanig lang of frequent dat dit te belastend is voor een kind van [minderjarige] ’s leeftijd. Er wordt dus geen aanleiding gezien om de huidige situatie, die wordt voortgezet vanuit [plaats 2] , te wijzigen. De Raad adviseert om het verzoek van de vrouw toe te wijzen en haar toestemming te verlenen voor de verhuizing met [minderjarige] naar [plaats 2] .

4.4

De rechtbank overweegt als volgt.

4.4.1

In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat als ouders, die samen het gezag hebben over een kind, het niet eens kunnen worden over een beslissing over het kind, zij de rechtbank kunnen vragen die beslissing te nemen. De rechter moet dan de beslissing nemen die zij het meest in het belang van het kind vindt. Dat betekent niet dat de rechter alleen maar rekening houdt met het belang van het kind. De rechter moet alle omstandigheden mee laten wegen en dat kan betekenen dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van eerste orde dient te zijn, andere belangen zwaarder kunnen wegen dan het belang van het kind (Hoge Raad, 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008: BC5901).

4.4.2

Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dit betekent dat de vrouw voor een verhuizing met [minderjarige] naar [plaats 2] toestemming van de man nodig heeft. Deze toestemming ontbreekt. Het is partijen ter zitting niet gelukt om in deze kwestie in onderling overleg tot een oplossing te komen, zodat de rechtbank een beslissing zal nemen.

4.4.3

In de rechtspraak zijn een aantal criteria ontwikkeld die de rechtbank kan meewegen in haar beslissing:

- de noodzaak om te verhuizen;

- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarigen en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

- de rechten van de andere ouder en de minderjarigen op een zelfde contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;

- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg en de extra kosten die hiermee gemoeid zijn na de verhuizing;

- de frequentie van het contact tussen de minderjarigen en de andere ouder voor en na de verhuizing;

- de leeftijd van de minderjarigen, hun mening en de mate waarin de minderjarigen geworteld zijn in hun omgeving of juist extra gewend zijn aan verhuizingen;

- het belang van de ene ouder om te kunnen verhuizen en elders een toekomst op te bouwen;

- het belang van de andere ouder dat hij/zij op dezelfde manier voor de minderjarigen kan blijven zorgen.

4.4.4

De rechtbank stelt voorop dat de vrouw het recht heeft te kiezen waar zij wil wonen en een nieuw leven op te bouwen. De vrijheid van de vrouw om met [minderjarige] naar een nieuwe woonplaats te verhuizen kan echter worden beperkt ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Nu er ten aanzien van [minderjarige] sprake is van gezamenlijk gezag en de man de zorg en opvoeding van [minderjarige] met de vrouw deelt, zou een verhuizing van de vrouw met [minderjarige] naar [plaats 2] kunnen meebrengen dat de daadwerkelijke uitoefening van het gezag door de man en de zorgregeling worden beperkt. Om die reden zou de bescherming van de rechten en vrijheden van de man of van [minderjarige] (indirect) een inbreuk op de vrijheid van de vrouw om met [minderjarige] te verhuizen kunnen rechtvaardigen. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

4.4.5

De vrouw heeft de wens en behoefte om met [minderjarige] , haar nieuwe partner en toekomstige baby een gezin te vormen en dus samen te wonen. De man heeft hiertegen geen bezwaar, maar vindt dat [minderjarige] moet opgroeien in [plaats 1] , terwijl de vrouw aangeeft zich hier niet prettig te voelen en samen met [minderjarige] officieel bij haar partner te willen intrekken die woonachtig is in [plaats 2] . De rechtbank is van oordeel dat van een strikte noodzaak om naar [plaats 2] te verhuizen niet is gebleken en dat de wens om te verhuizen met name gelegen is in de emotionele behoefte van de vrouw om meer afstand te kunnen nemen van de man en [plaats 1] .

4.4.6

De rechtbank stelt vast dat de vrouw en [minderjarige] inmiddels al ruim een jaar zonder toestemming van de man bij de partner van de vrouw in [plaats 2] verblijven, waarmee de man voor een voldongen feit is gesteld en waardoor dit dan ook geen schoonheidsprijs verdient. Overleg met de man is voor de vrouw evenwel niet mogelijk gebleken, in ieder geval zijn zij niet tot een vergelijk gekomen over de verhuizing. De (aankondiging tot) verhuizing heeft de verstandhouding van partijen, die in ieder geval tot 2024 goed is geweest, onder druk gezet. Ondanks de verstoorde communicatie stelt de rechtbank vast dat het partijen al die tijd is gelukt om de afspraken die zijn gemaakt omtrent de zorgregeling (inhoudende een co-ouderschapsregeling) goed na te komen, ook vanuit de situatie waarin de vrouw en [minderjarige] in [plaats 2] verblijven. De rechtbank stelt daarmee vast dat de verhuizing van [minderjarige] naar [plaats 2] geen negatieve gevolgen heeft op de co-ouderschapsregeling. Daarnaast blijft [minderjarige] op dezelfde school in [plaats 1] en ook zijn zwemles en de voetbal, die in [plaats 1] zijn, blijven ongewijzigd. Bovendien wonen niet alleen de man en diens familie, maar ook de ouders en zus van de vrouw in [plaats 1] . Naast de dagen dat [minderjarige] bij de man verblijft, behoudt [minderjarige] dus zijn activiteiten en sociale contacten in [plaats 1] . De binding van [minderjarige] met [plaats 1] blijft hierdoor in stand. Wat wel verandert is het wegvallen van de spontane contactmomentjes tussen de man en [minderjarige] en de reisafstand van en naar [plaats 2] . De vrouw heeft echter toegezegd het halen en brengen van [minderjarige] van en naar [plaats 1] voor haar rekening te blijven nemen. De vrouw geeft hier al ongeveer een jaar uitvoering aan, waardoor [minderjarige] hier inmiddels aan gewend is geraakt. Ten aanzien van de spontane contactmomenten volgt de rechtbank de visie van de Raad. De gespannen wijze waarop partijen nu met elkaar communiceren acht zij niet in het belang van [minderjarige] . Hij krijgt deze spanningen mee en voor nu is het dan ook niet schadelijk dat er geen/minder spontane contacten zijn tussen partijen en de man en [minderjarige] . [minderjarige] zal overigens nog veelvuldig in [plaats 1] zijn, zoals bijvoorbeeld bij school en bij de voetbal, waar [minderjarige] en de man elkaar buitenom de zorgregeling ook kunnen treffen.

4.4.7

Ondanks het ontbreken van een directe noodzaak voor de verhuizing, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om de vrouw haar verhuizing met [minderjarige] naar [plaats 2] te ontzeggen. De verhuizing heeft immers geen directe nadelige gevolgen voor de man en [minderjarige] en de daadwerkelijke uitoefening van het gezag door de man en de co-ouderschapsregeling worden door de verhuizing niet beperkt. De rechtbank zal daarom de vrouw toestemming verlenen voor haar verhuizing met [minderjarige] naar [plaats 2] als ook voor de inschrijving van [minderjarige] op het adres van haar partner in [plaats 2] .

4.4.8

Ten aanzien van de zelfstandige verzoeken van de man oordeelt de rechtbank in hetgeen door en namens de man is gesteld geen enkele aanleiding te zien om het hoofdverblijf van [minderjarige] en de zorgregeling opnieuw te beoordelen, temeer, nu de co-ouderschapsregeling ook vanuit [plaats 2] ongewijzigd wordt voortgezet. Daarmee wordt ook geen belang gezien om een raadsonderzoek te gelasten naar het belang om de situatie van [minderjarige] te wijzigen. De rechtbank zal daarom de zelfstandige tegenverzoeken van de man afwijzen.

4.4.9

De rechtbank zal de onderstaande beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de vrouw. Dat betekent dat de beslissingen alvast moeten worden gevolgd, ook als daartegen hoger beroep wordt ingesteld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1

verleent aan de vrouw - ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man - toestemming om met [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020 te verhuizen naar [plaats 2] ;

5.2

verleent aan de vrouw - ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man - toestemming voor de inschrijving van voornoemde [minderjarige] op het adres aan [adres 1] te [plaats 2] ;

5.3

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4

wijst af de zelfstandige verzoeken van de man.

Deze beschikking is gegeven door mr. Polak, voorzitter tevens (kinder)rechter, mr. Verschoor-Bergsma en mr. Borm, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 in tegenwoordigheid van Bakker-Maljers, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »