ECLI:NL:RBZWB:2026:7974

Datum uitspraak
21-07-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/447942 / JE RK 26-796
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek ots door ouder zonder gezag. Raad en Om doen geen verzoek. Ouder is ontvankelijk in verzoek. Afwijzing verzoek.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/447942 / JE RK 26-796

Datum uitspraak: 21 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. M.A. Stoffijn uit Waalwijk,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [plaats] ,

advocaat mr. W.H.A. de Koning uit Schijndel,

De kinderrechter merkt als informant aan:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,

hierna te noemen de Raad;

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

locatie Tilburg, hierna te noemen de GI.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 april 2026;

  • het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 19 juni 2026;

  • het F9-formulier met bijlagen van 10 juni 2026 van mr. Stoffijn;

  • het F9-formulier met bijlagen van 19 juni 2026 van mr. De Koning.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader met zijn advocaat;

- de moeder met haar advocaat;

- een vertegenwoordigster van de Raad;

- een vertegenwoordiger van de GI.

1.3.

[minderjarige] is, gelet op haar leeftijd in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij heeft voorafgaand aan de zitting een gesprek gehad met de kinderrechter. De kinderrechter heeft hiervan tijdens de zitting een (gedeeltelijke) terugkoppeling gegeven en de betrokkenen hebben hierop kunnen reageren.

1.4.

Het verzoek is gelijktijdig behandeld met het verzoek van de vader in de zaak met zaaknummer C/02/396114/ FA RK 22-1413. In deze zaak volgt een afzonderlijke beschikking.

2 De feiten

2.1.

[minderjarige] is erkend door de vader.

2.2.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.3.

[minderjarige] woont bij haar moeder.

3 Het verzoek

3.1.

De vader verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar.

4 De standpunten

4.1.

De vader legt aan het verzoek, samengevat, het volgende ten grondslag.

De Raad concludeert in zijn onderzoek dat er weliswaar sprake is van een bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] , maar dat er nu geen aanleiding is voor een ondertoezichtstelling omdat de moeder bereid is de benodigde hulpverlening te accepteren. De vader meent dat de Raad daarmee miskent dat er bij de moeder geen bereidheid is om te werken aan contactherstel. De moeder doet daarmee niet alles wat noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. De bereidheid van de moeder om mee te werken aan hulpverlening ziet alleen op opvoedondersteuning in haar gezin. De moeder is zelfs niet bereid om informatie met de vader te delen. Gezien de complexiteit van de zaak, de grote weerstand van de moeder richting de vader en de lange duur van het ontbreken van contact tussen [minderjarige] en de vader, is de vader van mening dat er een ondertoezichtstelling moet komen. De vader meent dat hij om een ondertoezichtstelling mag verzoeken, nu de Raad dit nalaat en er sprake is van family life als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) tussen hem en [minderjarige] . De vader heeft tot 30 januari 2025 contact met [minderjarige] gehad en was tot die tijd als vader in het leven van [minderjarige] betrokken. De vader meent dat een vrijwillig kader hiervoor niet meer toereikend is. Volgens hem dient dat bij een ondertoezichtstelling te worden gewerkt aan de volgende doelen:

- er moet gewerkt worden aan het herstel van de omgang tussen [minderjarige] en de vader.

- er moet een informatievoorziening komen vanuit de moeder naar de vader.

- er moet onder regie van de GI passende hulpverlening worden ingezet voor [minderjarige] .

4.2.

Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader. Allereerst meent de moeder dat er geen sprake is van family life tussen de vader en [minderjarige] aangezien er al anderhalf jaar geen contact meer is tussen hen. Ook voor die tijd is de vader nauwelijks actief betrokken geweest bij de opvoeding van [minderjarige] . Voorts meent zij dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling. Zij sluit zich aan bij hetgeen de Raad daarover heeft geconcludeerd in zijn rapport. Een ondertoezichtstelling zou voorts een onnodige belasting voor [minderjarige] vormen omdat er dan weer een nieuwe hulpverlener bij haar wordt betrokken. [minderjarige] heeft inmiddels een goede band opgebouwd met de begeleider van [hulpverlening 1] ( [hulpverlening 1] ). Deze gaat een warme overdracht doen naar de nieuwe hulpverlener van [hulpverlening 2] . Bij het traject bij [hulpverlening 2] gaat breder gekeken worden naar de problematiek van [minderjarige] . De moeder vindt het noodzakelijk dat dit verder wordt opgepakt. Wanneer er nu een ondertoezichtstelling zou worden uitgesproken, zou dit betekenen dat de zaak wordt overgedragen aan de GI. Dit zou opnieuw een plaatsing op een wachtlijst betekenen. De moeder acht dit niet in het belang van [minderjarige] . Zij vraagt het verzoek van de vader niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.

4.3.

De GI heeft tijdens de zitting het volgende verklaard. Zij ziet in deze situatie geen rol voor zichzelf neergelegd als uitvoerder van een ondertoezichtstelling. Er is inmiddels hulpverlening ingezet. [hulpverlening 2] kan brede, intensieve hulpverlening inzetten in de vorm van gezinsondersteuning en traumaverwerking. Het is belangrijk dat er goed naar [minderjarige] wordt geluisterd. Zij zit klem tussen twee werelden, twee verschillende culturen en achtergronden. Het is belangrijk dat er voor haar passende hulpverlening wordt ingezet. De moeder staat daarvoor open. Uit contact met de collega van de jeugdreclassering is gebleken dat de moeder steeds goed meewerkt en dat [minderjarige] zich de laatste tijd goed aan de afspraken houdt. Wanneer de GI betrokken zou zijn in het kader van een ondertoezichtstelling zou zij geen andere weg kiezen dan de weg die nu al wordt bewandeld door [hulpverlening 1] en vanaf eind dit jaar door [hulpverlening 2] . De GI neemt daarbij in aanmerking dat de Raad een terugmeldafspraak met de gemeente heeft. Een ondertoezichtstelling heeft in dit geval geen toegevoegde waarde.

4.4.

De Raad is ter zitting bij zijn eerder ingenomen standpunt gebleven. Er is wat de Raad betreft op dit moment geen pedagogische grond voor een ondertoezichtstelling. De Raad ziet wel zorgen, maar ziet ook dat de moeder hulpverlening in het vrijwillig kader accepteert. De Raad heeft een terugmeldafspraak na zeven maanden staan met de gemeente. Wanneer na die terugmelding blijkt dat er te weinig is gebeurd kan de Raad het onderzoek heropenen. Niet uitgesloten wordt geacht dat als de resultaten van het nieuwe onderzoek daartoe aanleiding geven de Raad dan alsnog een verzoek tot ondertoezichtstelling zal doen.

4.5.

[minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven, voor zover in deze zaak van belang, dat zij een ondertoezichtstelling niet ziet zitten. Zij heeft al genoeg hulpverlening.

5 De beoordeling

Wettelijk kader

5.1.

De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:

  1. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en

  2. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.

Op grond van het tweede lid van voormeld artikel kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen op verzoek van de Raad of het openbaar ministerie. Tevens zijn een ouder en degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt bevoegd tot het doen van het verzoek indien de Raad niet tot indiening van het verzoek overgaat.

Ontvankelijkheid

5.2.

De Raad heeft in zijn rapport geconcludeerd dat hij niet voornemens is een verzoek tot een ondertoezichtstelling in te dienen. Tijdens de zitting heeft de Raad in dit standpunt volhard. Nu de Raad en het openbaar ministerie niet hebben verzocht om een ondertoezichtstelling van [minderjarige] , is een ouder in beginsel bevoegd een verzoek tot ondertoezichtstelling te doen. De vraag die de kinderrechter vervolgens dient te beantwoorden is of deze vader, zonder gezag, bevoegd is zo’n verzoek te doen. Om dit verzoek te kunnen doen moet er sprake zijn geweest van family life tussen de vader en [minderjarige] . Op grond van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat er sprake is (geweest) van family life als bedoeld in artikel 8 EVRM. Zo is de vader tijdens de samenwoning van de ouders en ook daarna betrokken geweest bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Dat de vader sinds enige tijd geen contact meer met [minderjarige] heeft, doet daar niet aan af. De vader kan dan ook worden ontvangen in zijn verzoek.

Inhoudelijk

5.3.

De kinderrechter stelt vast dat er sprake is van zorgen over [minderjarige] . De hulpverlening lijkt niet altijd adequaat te zijn verlopen. De afgelopen periode is er hulpverlening ingezet vanuit [hulpverlening 1] . Deze hulpverlening duurt voort en wordt nog dit jaar stap voor stap overgenomen door [hulpverlening 2] . Hiervoor is een nauwgezet traject uitgezet, waarbij de hulpverlening van [hulpverlening 1] in de loop van dit jaar wordt afgebouwd en er een overdracht plaatsvindt naar [hulpverlening 2] . Duidelijk is dat voor [minderjarige] een diagnostisch onderzoek nodig lijkt te zijn en aansluitend een intensievere of meer specialistische vorm van hulpverlening, die beter geboden kan worden door [hulpverlening 2] dan door [hulpverlening 1] . Aldus is er bij [hulpverlening 2] sprake van een breder traject waarbij ook aandacht zal zijn voor traumaverwerking en emotieregulatie. De kinderrechter gaat ervan uit dat er daarbij sprake zal zijn van een warme overdracht van [hulpverlening 1] naar [hulpverlening 2] . Dit is in het belang van [minderjarige] .

5.4.

De kinderrechter is met de Raad en de vader van oordeel dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . Echter, met de Raad en de GI acht de kinderrechter een ondertoezichtstelling op dit moment niet noodzakelijk omdat de hulpverlening die nodig is om de ernstige ontwikkelingsbedreiging weg te nemen nu in een vrijwillig kader plaatsvindt. Er is zicht op een adequaat vervolgtraject bij [hulpverlening 2] . Hier zal in een breder kader worden gekeken naar de bestaande problematiek van [minderjarige] . De moeder wordt in staat geacht om dat traject te blijven volgen en de hulpverlening in het vrijwillig kader voort te zetten. De moeder ziet het belang van hulpverlening en toont zich bereid om hieraan mee te werken. De kinderrechter gaat ervan uit dat zij zich aan de hulpverlening blijft conformeren. Alles overwegend zal de kinderrechter het verzoek van de vader afwijzen, nu er op dit moment kan worden volstaan met hulpverlening in het vrijwillig kader.

5.5.

Bij deze beslissing heeft de kinderrechter mede belang gehecht aan de mededeling van de Raad dat er met de gemeente is afgesproken dat er na zeven maanden een terugmelding bij hem wordt gedaan over de stand van zaken met betrekking tot de hulpverlening. De kinderrechter stelt vast dat de Raad op de zitting heeft toegezegd om na deze terugmelding van de gemeente te bekijken hoe het gaat met de hulpverlening en wanneer dit niet goed blijkt te gaan, alsnog te bezien of er een ondertoezichtstelling nodig is. Van de Raad wordt verwacht dat hij zich aan deze toezegging zal houden.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

wijst het verzoek van de vader af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026, in aanwezigheid van Van Beijsterveldt als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »