RECHTBANK OVERIJSSEL
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Almelo
Zaaknummer: C/08/348651 / JE RK 26-938
Datum uitspraak: 23 september 2026
Beschikking ondertoezichtstelling
in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen de raad,
gevestigd te Almelo,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen [minderjarige 1], en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2],
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
de gecertificeerde instelling,
hierna te noemen de GI,
gevestigd te Hengelo (O),
en
[minderjarige 1] en [minderjarige 2].
1 Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter heeft op 14 juli 2026 een tussenbeschikking gegeven.
Op 17 september 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld om in een apart jongerengesprek hun mening te geven. Zij zijn daartoe behoorlijk opgeroepen, maar niet verschenen.
Op 23 september 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
-
[naam 1] namens de raad;
-
[naam 2] namens de GI.
De vader en de moeder zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1].
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] wonen bij hun moeder.
3 De verdere beoordeling
De kinderrechter heeft bij beschikking van 14 juli 2026 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden tot 14 oktober 2026. Iedere verdere beslissing is aangehouden. Omdat de moeder, [minderjarige 2] en [minderjarige 1] vanwege een vakantie naar het buitenland niet aanwezig konden zijn tijdens de mondelinge behandeling, is de ondertoezichtstelling in duur beperkt tot drie maanden.
Er moet nog beslist worden op het aangehouden gedeelte van het verzoek van de raad om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht te stellen voor de resterende duur van negen maanden, te weten tot 14 juli 2027.
Het verzoek van de raad
De raad heeft het verzoek gehandhaafd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad toegelicht dat de raad in deze zaak betrokken is geraakt vanwege het schoolverzuim van [minderjarige 1]. De zitting over het schoolverzuim staat op 5 oktober 2026 gepland. De raad zal dan het verzoek doen om deels een voorwaardelijke werkstraf op te leggen met gedwongen jeugdreclassering. De kinderen zijn opgegroeid in een thuissituatie waarbij zij getuigen zijn geweest van huiselijk geweld. Zij lijken het geweld normaal te vinden. Het fysiek geweld is een mechanisme geworden van [minderjarige 1] en er zijn grote zorgen over haar schoolgang. [minderjarige 1] gaat niet naar school en ook bij [minderjarige 2] zijn er zorgen over het schoolverzuim. Tussen de ouders is er geen communicatie en zij komen samen niet tot afspraken. Het is teveel gevraagd om de ouders samen om tafel te laten gaan, maar de GI zal wel moeten kijken wat er mogelijk is in de communicatie tussen de ouders. De ondertoezichtstelling is nodig om verder te kunnen komen en om de nodige hulpverlening in te kunnen zetten. In het vrijwillig kader is dit niet gelukt. Het standpunt van de GI
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat er onlangs een vechtpartij heeft plaatsgevonden tussen de moeder en [minderjarige 1]. In het gezin vindt niemand het een probleem dat er af en toe gevochten wordt. De GI is verbaasd over het geweld dat gebruikt wordt in het gezin en dit is een aandachtspunt binnen de ondertoezichtstelling. [minderjarige 2] heeft ook tegen de jeugdbeschermer gezegd dat ze het niet erg vindt dat ze geslagen wordt als ze iets verkeerds doet. Tussen de vader en de moeder kan het soms ook fysiek fout gaan en tussen de moeder en [minderjarige 1] ook. [minderjarige 1] verblijft momenteel bij de vader en [minderjarige 2] verblijft bij de moeder. De GI zal nog verder afspraken moeten maken over hoe het contact tussen de kinderen en de ouders verder vormgegeven moet worden. Er is geen sprake van een zorgregeling. Het risico is nu dat als [minderjarige 1] het niet (meer) leuk vindt bij de vader, dat ze weer teruggaat naar de moeder. De vader laat het ook aan de kinderen zelf over of ze bij hem willen komen. De ouders communiceren niet met elkaar en leggen veel bij [minderjarige 1] zelf neer. [minderjarige 2] bedreigt en intimideert kinderen op school en is betrokken bij vechtpartijen. Als [minderjarige 2] op deze manier doorgaat dan kan ze mogelijk niet op haar huidige school blijven. Ze zou dan naar speciaal onderwijs moeten, terwijl ze havo niveau heeft.
Het oordeel van de kinderrechter
Op grond van de zitting en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.1 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De zorgen zoals genoemd in de tussenbeschikking van 14 juli 2026 zijn nog steeds aanwezig. De zorgen lijken alleen maar groter te zijn geworden. Onlangs is de situatie geëscaleerd tussen de moeder en [minderjarige 1] waarbij fysiek geweld is gebruikt. De kinderrechter vindt het net als de GI zorgelijk om te horen dat fysiek geweld binnen het gezin wordt genormaliseerd, ook door de kinderen. Ook is het schoolverzuim van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds zorgelijk. [minderjarige 1] gaat helemaal niet naar school en ook bij [minderjarige 2] zijn er zorgen over het schoolverzuim en over haar gedrag. De kinderrechter vindt het zorgelijk om te horen dat [minderjarige 2] intimiderend gedrag vertoont op school en betrokken is bij vechtpartijen. De ontwikkeling van de kinderen lijkt te stagneren. Vanwege de ex-partnerproblematiek tussen de ouders is er geen sprake van communicatie tussen de ouders. De kinderrechter is van oordeel, in navolging van de raad, dat gekeken dient te worden naar hoe de communicatie tussen de ouders vormgegeven kan worden. Het is belangrijk dat de ouders samen beslissingen kunnen nemen in het belang van de kinderen. Ook is het belangrijk dat er stabiliteit komt in de zorgregeling. Momenteel verblijft [minderjarige 1] bij de vader en [minderjarige 2] bij de moeder. De kinderen bepalen verder zelf wanneer ze bij welke ouder zijn. Het is in het belang van de kinderen dat er meer structuur in de zorgregeling komt en dat zij niet zelf bepalen wanneer ze bij welke ouder zijn. Voorkomen dient te worden dat de kinderen op deze manier gaan kiezen tussen ouders en in een loyaliteitsconflict komen.
De kinderrechter acht het van belang dat een jeugdbeschermer betrokken blijft om het belang van de kinderen te waarborgen en regie te voeren over de in te zetten hulpverlening. De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de resterende duur van het verzoek, zijnde tot 14 juli 2027.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.2
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van negen maanden tot 14 juli 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026 door mr. A.B. de Wit, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E. Fleurke als griffier, en op schrift gesteld op 6 oktober 2026. |
||
Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door de raad opgenomen in zijn registratie.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.