beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/449491 / FA RK 26-3196
Datum uitspraak: 21 juli 2026
Beschikking van de meervoudige kamer betreffende voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. E.A.G. van Acker te Sint Jansteen,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. J. Schuttkowski te Hulst,
betreffende de minderjarigen:
-
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 te [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
-
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2018 te [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ;
-
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2021 te [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 3] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de meervoudige kamer van de rechtbank over de verzoeken te adviseren.
1 Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 2 juni 2026 ontvangen verzoekschrift tot het treffen van voorlopige voorzieningen, met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. Van Acker van 10 juni 2026, met bijlage;
- het F9-formulier van mr. Van Acker van 11 juni 2026, met bijlagen;
- het op 16 juni 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen.
De verzoeken zijn door de meervoudige kamer van deze rechtbank mondeling behandeld op de zitting van 19 juni 2026. De verzoeken zijn, gelet op de onderlinge samenhang, gelijktijdig behandeld met de verzoeken van partijen tot het verlenen van vervangende toestemming voor verhuizing en voor de inschrijving van de minderjarigen op school met zaaknummer C/02/448926 / FA RK 26-2867. In laatstgenoemde zaak wordt afzonderlijk bij beschikking van heden beslist. De beschikking in onderhavige zaak dient in samenhang met deze beschikking te worden gelezen.
Bij de zitting zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelet op hun leeftijd in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. [minderjarige 1] heeft daar gebruik van gemaakt door middel van het schrijven van een brief aan de kinderrechter en in een gesprek met de kinderrechter. [minderjarige 2] heeft daar gebruik van gemaakt door middel van het schrijven van een brief aan de kinderrechter.
2 De feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2014 te [plaats 1] , België. Er is op dit moment een echtscheidingsprocedure aanhangig bij deze rechtbank, onder zaaknummer C/02/445579 / FARK 26-1087.
Voorafgaand aan en uit het huwelijk van partijen zijn de navolgende minderjarige kinderen geboren:
-
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 te [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
-
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2018 te [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ;
-
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2021 te [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 3] .
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
De minderjarigen verblijven bij de vrouw in de echtelijke woning van partijen. De man staat ook nog op dit adres ingeschreven in de Basisregistratie Personen, maar hij verblijft feitelijk bij zijn ouders.
Partijen zijn een zorgregeling overeengekomen op basis waarvan de minderjarigen de ene week bij de vrouw verblijven en de andere week bij de man, met als wisselmoment zondagavond.
De man heeft de Belgische nationaliteit, de vrouw en de minderjarigen hebben de
Nederlandse nationaliteit.
3 De verzoeken
De vrouw verzoekt, bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad:
I. Te bepalen dat de minderjarigen voorlopig worden toevertrouwd aan de vrouw;
II. Een voorlopige zorgregeling tussen de man en de minderjarigen te bepalen zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.
Bij wijze van zelfstandige verzoeken verzoekt de man, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Te bepalen dat de minderjarigen voorlopig worden toevertrouwd aan de man;
II. Een voorlopige zorgregeling tussen de vrouw en de minderjarigen te bepalen zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.
4 De beoordeling
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
De rechtbank stelt vast dat de man de Belgische nationaliteit heeft. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de rechtbank eerst dient te beoordelen of zij bevoegd is om van de verzoeken van partijen in deze zaak kennis te nemen en daarop te beslissen. Indien dit het geval is, dient de rechtbank het toepasselijke recht te bepalen.
Op grond van artikel 7 van de Brussel II-ter verordening zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid internationaal bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarigen hun gewone verblijfplaats hebben op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. De verzoeken van partijen vallen onder deze ouderlijke verantwoordelijkheid. Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter bevoegd om van de verzoeken kennis te nemen en daarop te beslissen.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op de verzoeken te beslissen en de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland ligt, zal op grond van artikel 15 jo. 17 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op de verzoeken worden toegepast.
Doorverwijzing UHA
Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, is het de rechtbank gebleken dat de onderlinge verstandhouding van partijen verstoord is geraakt. De communicatie tussen partijen verloopt moeizaam en zij slagen er (nog) niet in om op constructieve wijze als ouders van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met elkaar samen te werken en tot nadere afspraken over de verzorging en opvoeding van de minderjarigen te komen. Hetgeen partijen met name verdeeld houdt, is de wens van de vrouw om met de minderjarigen naar [plaats 2] , België, te verhuizen, om aldaar met de minderjarigen en haar partner een gezin te gaan vormen en haar leven opnieuw in te richten. De man verzet zich hiertegen. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij sinds het feitelijk uiteengaan van partijen, maar ook al tijdens het huwelijk van partijen, een gelijk aandeel in de verzorging en opvoeding van de minderjarigen als de vrouw draagt. Hij wil dan ook heel graag betrokken blijven in het dagelijks leven van de minderjarigen, veel (doordeweeks) contact met hen kunnen onderhouden en hen van dichtbij zien opgroeien, hetgeen niet mogelijk is als de minderjarigen naar [plaats 2] verhuizen. Op de verzoeken van de vrouw om vervangende toestemming te verlenen voor deze verhuizing en de inschrijving van de minderjarigen op scholen in [plaats 2] heeft de rechtbank bij beschikking met zaaknummer C/02/448926 / FA RK 26-2867 van heden afwijzend beslist. Partijen worden het daarnaast niet eens over de vraag aan wie de minderjarigen de komende tijd, in afwachting van de tussen hen aanhangige echtscheidingsprocedure, dienen te worden toevertrouwd en over de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De vrouw heeft daarbij aangegeven dat zij veel zorgen heeft over de opvoeding en verzorging van de minderjarigen door de man, nu hij deze volgens de vrouw veelal aan zijn ouders overlaat en zelf niet (voldoende) beschikbaar is voor de minderjarigen. Dit wordt door de man betwist. Hij werkt in nachtdienst en soms in het weekend en daarom wordt hij bij de verzorging en opvoeding van de minderjarigen door zijn ouders ondersteund. Hij brengt de minderjarigen echter altijd zelf naar school en haalt hen ook weer op, en legt hen zelf weer op bed. Daarna houden zijn ouders de wacht over de minderjarigen terwijl de man gaat werken. Partijen hebben al hulpverlening ingeschakeld van mevrouw [persoon] ( [hulpverlening] ) om te werken aan hun onderlinge verstandhouding en communicatie. Vanwege het geschil over de verhuizing heeft dit tot op heden geen positief resultaat tot gevolg gehad. Beide partijen hebben tijdens de zitting de wens geuit om deze hulpverlening, nadat er duidelijkheid is gekomen over de eventuele verhuizing, voort te zetten, het liefst met een onderzoek door de Raad als stok achter de deur. Gelet daarop en naar aanleiding van het advies van de Raad tot een hulpverleningstraject is het UHA tijdens de zitting besproken. Beide partijen hebben ingestemd met een doorverwijzing.
Uit het voorgaande blijkt dat partijen op dit moment (nog) niet in staat zijn om adequaat en in het belang van de minderjarigen met elkaar te overleggen en om de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarigen kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet, in dit geval betrekking hebbende op de hulpverlening van mevrouw [persoon] van [hulpverlening] , omdat deze hulpverlening reeds eerder voor partijen is ingezet en zij daar allebei vertrouwen in hebben. Bovendien is hierdoor geen kennismaking meer nodig is en kan de hulpverlening direct weer worden opgepakt. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarigen kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. De verwijzing heeft op 23 juni 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
-
de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor de kinderen;
-
de kinderen hebben een stem in het scheidingsproces, voelen zich gehoord en gesteund.
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechtbank na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van de kinderen (zware systeemgerichte interventie);
-
de kinderen en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
-
er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor de kinderen te realiseren (binnen de scheidingssituatie);
-
de nieuwe gezinssituaties zorgen gezamenlijk voor een goede basis voor de ontwikkeling van de kinderen.
De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan deze beschikking gehecht (bijlage 1). Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de rechtbank als volgt.
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig, bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer C/02/445579 / FA RK 26-1087. Voor het doorlopen van een hulpverleningstraject waarbij zoals hier wordt ingezet op onbelast contact wordt standaard een termijn van negen maanden aangehouden. Gelet hierop verzoekt de rechtbank het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op de familiekamerroldatum van 23 maart 2027, of zoveel eerder als mogelijk is, in de hiervoor genoemde bodemprocedure in te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling in de bodemprocedure nog nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot de kinderen.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de bodemprocedure bekend onder zaaknnummer C/02/445579 / FA RK 26-1087 een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
-
Welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
-
Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
-
Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van veertien dagen op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
De rechtbank verzoekt de partijen in de bodemzaak op het verplicht bij te voegen F1-formulier melding te maken van de verwijzing van ouders naar een (jeugd)hulpverleningstraject in het kader van UHA door middel van vermelding UHA in VoVo met zaaknummer C/02/449491 / FA RK 26-3196 d.d. 21 juli 2026.
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
Voorlopige zorgregeling
Tijdens de zitting hebben partijen gesproken over een voorlopige zorgregeling in afwachting van het voornoemde hulpverleningstraject. Nu partijen er niet in zijn geslaagd om tot voorlopige afspraken te komen met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor de minderjarigen, zal de rechtbank, conform het advies van de Raad, bepalen dat de huidige (voorlopige) zorgregeling dient te worden voortgezet zolang het hulpverleningstraject geen andersluidende resultaten oplevert. Dit betekent dat de minderjarigen de komende tijd, net zoals de afgelopen tijd, de ene week bij de vrouw verblijven en de andere week bij de man, met als wisselmoment zondagavond. Partijen zijn deze regeling samen overeengekomen en de zorg- en opvoedingstaken worden op deze manier op gelijke wijze tussen partijen verdeeld. Bovendien verloopt deze zorgregeling naar het de rechtbank is gebleken naar behoren. Anders dan de vrouw acht de rechtbank deze zorgregeling op dit moment dan ook het meest in het belang van de minderjarigen. Deze zorgrgeling sluit aan bij de zorgregeling zoals deze al enige tijd feitelijk wordt uitgevoerd en de minderjarigen zijn aan deze regeling gewend. Het is de rechtbank voorts niet gebleken dat deze regeling in de praktijk niet werkbaar is voor partijen dan wel een grote onrust voor de minderjarigen oplevert. Daarbij volgt de rechtbank de stelling van de vrouw dat de minderjarigen grotendeels door de ouders van de man worden verzorgd en opgevoed in de week dat zij bij de man verblijven, gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, niet. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank, met de Raad, van oordeel dat het niet wenselijk is voor de minderjarigen om in de komende periode, in afwachting van het hulpverleningstraject, wijzigingen in de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door te voeren.
Toevertrouwen minderjarigen
Beide partijen hebben aangegeven dat zij graag willen dat de minderjarigen aan hen worden toevertrouwd. Nu er echter een voorlopige zorgregeling geldt op basis waarvan de minderjarigen evenveel tijd bij hun beide ouders doorbrengen, namelijk waarbij zij de ene week bij de vrouw verblijven en de andere week bij de man, ziet de rechtbank geen aanleiding voor de toevertrouwing van de minderjarigen aan ofwel de man ofwel de vrouw. De beide verzoeken ten aanzien van het toevertrouwen van de minderjarigen aan de man en de vrouw zullen dan ook worden afgewezen.
Directe werking
Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft.
5 De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat er een voorlopige zorgregeling geldt op basis waarvan de minderjarigen de ene week bij de vrouw verblijven en de andere week bij de man verblijven, met op zondag het wisselmoment;
verwijst ouders en hun minderjarige kinderen voor een nader (jeugd)hulptraject van [hulpverlening] (mw. [persoon] ) ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. Het loket zal ouders en kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;
verzoekt het loket om uiterlijk op de familiekamerrol van 23 maart 2027 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, in de bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/445579 / FA RK 26-1087 de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;
verzoekt partijen in de bodemprocedure op het verplicht bij te voegen F1-formulier melding te maken van de verwijzing van partijen naar een (jeugd)hulpverleningstraject in het kader van UHA door middel van vermelding “UHA in VoVo KG met zaaknummer C/02/449491 / FA RK 26-3196 d.d. 21 juli 2026.”;
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van de bodemprocedure bekend onder zaak-/rekestnummer FA RK onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.12 opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, voorzitter tevens (kinder)rechter, mr. Dijkman en mr. Van der Pols, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Haas, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.