beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/447364 / FA RK 26-2057
datum uitspraak: 21 juli 2026
beschikking over een zorgregeling en informatieregeling
in de zaak van
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R. Shahbazi in Den Haag,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. N.P.M. Planthof in Goes,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Als informant in deze zaak wordt gezien:
DE STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI), gevestigd in Middelburg,
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1 Het procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 14 april 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het op 2 juli 2026 ontvangen verweerschrift.
Het verzoek is mondeling behandeld op 7 juli 2026 tegelijkertijd met het verzoek van de man met zaaknummer C/02/447260 / JE RK 26-665. Op dit verzoek is per separate beschikking beslist. Bij de behandeling zijn gekomen partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig van de Raad en een vertegenwoordigster namens de GI.
2. De feiten
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 februari 2026 [minderjarige] met spoed en zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 6 februari 2026 en tot 20 februari 2026. Ook heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 6 februari 2026 en tot 20 februari 2026.
Bij beschikking van 9 februari 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 20 februari 2026 en tot 6 mei 2026. Hiernaast is er een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 20 februari 2026 en tot 6 mei 2026.
Bij beschikking 1 mei 2026 is [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland gesteld met ingang van 1 mei 2026 en tot 1 mei 2027 en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 1 mei 2026 en tot 1 november 2026.
Op grond van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een pleeggezin.
3 Het verzoek
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Ten aanzien van de omgang
Primair:
een opbouwende omgangsregeling vast te stellen inhoudende dat de er een omgangsregeling wordt vastgesteld inhoudende dat [minderjarige] en vader omgang hebben voor de duur van:
- drie keer per week voor de duur van één uur begeleide omgang;
- volgende twee weken: drie keer per week voor de duur van twee uur begeleide omgang;
- volgende twee weken: drie keer per week voor de duur van drie uur onbegeleide omgang;
- volgende twee weken: twee keer per week een gehele middag onbegeleide omgang;
- na het verloop van bovenstaande twee maanden: een weekendregeling waarbij [minderjarige] vanaf vrijdagmiddag uit school tot zondag 17:00 uur bij vader verblijft.
Subsidiair: een zodanige omgangsregeling vast te stellen die Uw rechtbank juist acht.
Informatieregeling
Te bepalen dat de moeder gehouden is om de vader eens per maand schriftelijk (via e-mail, brief of per Whatsapp) te informeren en te consulteren over [minderjarige] , waartoe zij in ieder geval aan de vader dient te overleggen: telkens een recente foto van [minderjarige] , waarop zijn gezicht goed zichtbaar is en welke foto niet bewerkt is met teksten, en tevens informatie over de vorderingen op school of kinderdagverblijf en de activiteiten in hun vrije tijd, waarbij minimaal eenmaal per jaar een verslag van de school over de vorderingen wordt overgelegd.
De vrouw verzoekt de verzoeken van de man af te wijzen.
4 De standpunten
De man handhaaft beide verzoeken en wenst naast de zorgregeling ook een informatieregeling. De advocaat van de man heeft wel aangegeven dat de man het standpunt van de vrouw begrijpt voor zover dat ziet op dat de GI, vanwege de lopende maatregelen, de regie over het contactherstel zou moeten krijgen. Mogelijk kan er worden gestart met een begeleid contact. Als de rechtbank vindt dat er op dit moment geen zorgregeling tussen [minderjarige] en de man kan worden vastgesteld, verzoekt de advocaat om beide zaken aan te houden en de GI te laten rapporteren. Duidelijk moet worden wat [minderjarige] nodig heeft om tot contactherstel met de man te kunnen komen. De man heeft al twee jaar geen contact met [minderjarige] en dat is schadelijk voor [minderjarige] . De man wil zo snel mogelijk weer contact. Hij heeft veel geprobeerd om weer in contact te komen, ook voordat de GI betrokken was. Op 27 februari 2026 heeft de advocaat van de man de GI gevraagd om een schriftelijke aanwijzing over het contact tussen [minderjarige] en de man te nemen. Dat heeft de GI niet gedaan. In dit fictieve weigeringsbesluit kan de man zich niet vinden. Daarom verzoekt hij de rechtbank een regeling vast te stellen, zodat er een hechtingsband tussen [minderjarige] en de man kan ontstaan. De man heeft een stabiel leven en er zijn geen contra-indicaties voor contact. Tijdens de zitting heeft de man nog aangegeven dat hij zich zorgen maakt om [minderjarige] . Het gaat steeds slechter met [minderjarige] en dat komt volgens de man door de vrouw. Hij zou willen dat [minderjarige] naar hem en zijn familie komt. Verder vindt de man het belangrijk dat hij meer informatie over [minderjarige] vanuit de GI krijgt en dat hij wordt meegenomen in (gezags)beslissingen.
De vrouw verzoekt om de verzoeken van de man af te wijzen. De vrouw is bereid om de door de man verzochte informatie te verstrekken en daarom dient het verzoek van de man met betrekking tot de informatieregeling te worden afgewezen. Ten aanzien van het verzoek dat ziet op het vaststellen van een zorgregeling is door en namens de vrouw naar voren gebracht dat de vrouw niet afwijzend tegenover contact tussen [minderjarige] en de man staat, maar dat hierover duidelijke afspraken gemaakt moeten worden en dat deze moeten worden nagekomen. In het verleden heeft de vrouw zich ingespannen voor contact tussen [minderjarige] en de man en in oktober 2024 heeft de man het contact met [minderjarige] beëindigd. Wel vindt de vrouw dat de belangen van [minderjarige] voorop moeten staan en dat deze zwaarder moeten wegen dan de belangen van de man bij de vaststelling van een regeling. Stabiliteit voor [minderjarige] dient voor contactherstel te gaan. Voor [minderjarige] moet er nu eerst een geschikte plek worden gevonden. Tijdens de zitting heeft de vrouw toegelicht dat het thuis en op school niet goed gaat met [minderjarige] en dat zijn gedrag steeds extremer wordt. Per 10 juli 2026 zou [minderjarige] naar een pleeggezin gaan, maar vanwege het gedrag van [minderjarige] hebben zij zich teruggetrokken. Nadat er een plek voor [minderjarige] is gevonden, moet er worden gewerkt aan de doelen binnen de ondertoezichtstelling waaronder diagnostiek en de inzet van hulpverlening. Pas daarna kan er onder regie van de GI worden gekeken hoe het contact tussen [minderjarige] en de man kan worden vormgegeven, waarbij in eerste instantie begeleid contact het uitgangspunt moet zijn.
De GI heeft aangegeven dat contact met beide ouders voor een kind erg belangrijk is en dat daarop moet worden ingezet, maar dat er op dit moment veel in het jonge leven van [minderjarige] speelt en dat zij ontwikkeling ernstig is verstoord. Vanwege de ontregeling van [minderjarige] lukt het op dit moment niet om diagnostiek uit te voeren. Ook heeft het pleeggezin waar [minderjarige] per 10 juli 2026 naartoe zou gaan, zich teruggetrokken. De GI zoekt met spoed naar een passende plek voor [minderjarige] en daar ligt op dit moment de prioriteit van de GI. Belangrijk is dat hij rust en stabiliteit gaat ervaren. Daarna moet er worden gekeken in welke vorm er contactherstel tussen [minderjarige] en zijn beide ouders kan plaatsvinden. Zodra het kan, zal de GI zich inzetten voor contactherstel tussen [minderjarige] en de man. Een complicerende factor hierbij is dat sprake is van een reëel risico op ouderverstoting. Als [minderjarige] contact met de man heeft, wil de vrouw geen contact meer met [minderjarige] . Tot slot heeft de GI met beide ouders contact en is er aandacht voor de informatievoorziening over [minderjarige] aan beide ouders.
De Raad maakt zich in toenemende mate zorgen over [minderjarige] . Hij is zeer kwetsbaar en er speelt veel in zijn leven. Er is sprake van problematiek en hij ervaart momenteel geen rust en stabiliteit; er is geen geschikte plek voor hem. Ook maakt de Raad zich zorgen over de houding en de dynamiek tussen de ouders. Zij zijn verwijtend naar elkaar en dat is niet in het belang van [minderjarige] . De Raad stelt dat contactherstel tussen [minderjarige] en de man voor nu niet mogelijk is. Er moet eerst stabiliteit komen en daarna moet er worden gekeken wat mogelijk is in het contact. [minderjarige] en de man hebben elkaar al twee jaar niet gezien. Het is belangrijk dat het contactherstel duurzaam is en dat kan niet vanuit de huidige situatie.
5 De beoordeling
Zorgregeling
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een
regeling vaststellen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De rechtbank is gelet op de huidige situatie van oordeel dat zij op dit moment geen regeling in het belang van [minderjarige] kan vaststellen. Zij zal het contactherstel tussen [minderjarige] en de man in handen van de GI leggen en het verzoek van de man om een zorgregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen, samen met de zaak met zaaknummer C/02/447260 / JE RK 26-665, voor de duur van zes maanden aanhouden. De rechtbank legt deze beslissing hierna uit.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat een kind contact met zijn of haar beide ouders heeft en in dit geval dat [minderjarige] naast het contact met zijn moeder ook contact met zijn vader heeft. Hierbij mag het contact met de ene ouder niet afhankelijk zijn van (de uitspraken van) de andere ouder. Tijdens de zitting heeft de vrouw gezegd dat zij geen contact meer met [minderjarige] wil als de man en [minderjarige] weer contact met elkaar hebben. Dit vindt de rechtbank zeer zorgelijk en acht zij niet in het belang van [minderjarige] . Tegelijkertijd stelt de rechtbank vast dat ook het beschuldigende karakter van de man door de zorgelijke situatie waarin [minderjarige] verkeert volledig bij de vrouw neer te leggen, niet helpend voor [minderjarige] en het contactherstel is. Dergelijke uitspraken vanuit de man zullen er bij de vrouw niet toe leiden dat zij emotionele toestemming aan [minderjarige] zal (kunnen) verlenen voor het contact met de man. Ondanks het eerdergenoemde uitgangspunt is de rechtbank van oordeel dat het vaststellen van een (opbouwende) zorgregeling tussen [minderjarige] en de man in deze situatie en op dit moment niet mogelijk en niet in het belang van [minderjarige] is. Op grond van de stukken en uit wat ter zitting naar voren is gebracht, stelt de rechtbank vast dat er in toenemende mate zorgen over [minderjarige] zijn. [minderjarige] is een zeer kwetsbare jongen met ernstige problematiek en de afgelopen periode gaat het steeds slechter met hem. Zijn gedrag wordt extremer en de thuissituatie bij de vrouw is onhoudbaar geworden. De huidige opvoedsituatie van [minderjarige] is zeer onstabiel en sinds kort is er zelfs een acute crisissituatie ontstaan. [minderjarige] zou namelijk per 10 juli 2026 naar een pleeggezin gaan, maar vanwege zijn ontregelde en extreme gedrag heeft dit pleeggezin zich kort voor de zitting teruggetrokken. De GI heeft toegelicht dat er met spoed naar een passende plek voor [minderjarige] wordt gezocht, maar dat er nog geen zicht is op waar [minderjarige] moet gaan verblijven. De rechtbank is van oordeel dat deze situatie geen geschikte situatie is om te starten met contactherstel tussen [minderjarige] en de man. Zij hebben elkaar sinds oktober 2024 niet gezien en op het moment dat er wordt ingezet op contactherstel, is het van groot belang dat dit een positieve ervaring voor [minderjarige] zal zijn en dat het contact(herstel) duurzaam zal zijn. Het is belangrijk dat er eerst een geschikte woonplek voor [minderjarige] wordt gevonden, waarna hij tot rust kan komen en stabiliteit kan gaan ervaren en er middels diagnostiek zicht op [minderjarige] en zijn problematiek kan komen.
Dat de rechtbank de verzoeken van de man aanhoudt en voor nu geen zorgregeling tussen hem en [minderjarige] vaststelt, betekent niet dat er de komende periode niet kan worden ingezet op contactherstel tussen [minderjarige] en de man of dat er geen onderzoek kan plaatsvinden naar de mogelijkheid tot contactherstel. Aan de GI geeft de rechtbank mee dat zij verwacht dat de GI zich aan haar toezegging houdt en start met contactherstel tussen [minderjarige] en de man, zodra dit mogelijk en in het belang van [minderjarige] wordt geacht. Het niet hebben van contact met zijn vader kan immers ook schadelijk voor [minderjarige] zijn. Het is belangrijk dat er eerst een passende woonplek voor [minderjarige] wordt gevonden en dat er rust en stabiliteit komt, maar inzetten op het contactherstel met de man vindt de rechtbank ook zeer belangrijk. Het is aan de GI om te beoordelen of er op enig moment enige ruimte ontstaat voor het in welke vorm dan ook herstellen van het contact tussen [minderjarige] en de man. De rechtbank verwacht hierin een actieve, stimulerende en ondersteunende rol vanuit de GI. In het geval de GI in de komende periode niet kan starten met contactherstel verwacht zij dat de GI serieus gaat onderzoeken of en wat [minderjarige] nodig heeft om tot contactherstel met zijn vader te kunnen komen en wat de man hierin kan betekenen.
Nu de rechtbank de zaken voor de duur van zes maanden zal aanhouden, verzoekt zij de GI om in beide zaken voor de hierna te noemen pro forma datum een briefrapportage bij de rechtbank in te dienen onder gelijktijdige verstrekking aan beide ouders en hun advocaten. De rechtbank verzoekt de GI in haar briefrapportage in te gaan op hoe het met [minderjarige] gaat en het verloop van de afgelopen periode voor zover dit betrekking heeft op het verzoek van de man; dus of er contact tussen [minderjarige] en de man is en zo ja, hoe dit verloopt en zo nee, waarom dit niet het geval is en wat [minderjarige] hierin nodig heeft om tot contactherstel met zijn vader te kunnen komen. Vervolgens krijgen (de advocaten van) partijen twee weken de gelegenheid om te reageren op de briefrapportage van de GI en aan te geven wat hun gewenste verdere procesverloop is. In het geval partijen de zaak op zitting gepland willen hebben, zal deze zaak bij voorkeur samen met de zaak met zaaknummer C/02/447260 / JE RK 26-665 op zitting worden gepland.
De rechtbank begrijpt dat dit voor de man een moeilijke beslissing zal zijn, omdat hij graag weer contact met [minderjarige] wil en hij door deze beslissing weinig zicht heeft op hoe en wanneer er zal worden gewerkt aan contactherstel. De rechtbank hoopt dat de man begrip heeft voor de bijzondere situatie waarin [minderjarige] verkeert en dat hij begrijpt dat het in het belang van [minderjarige] is dat er eerst een passende woonplek voor hem wordt gevonden en dat hij rust en stabiliteit gaat ervaren, voordat er wordt ingezet op contactherstel.
Informatieregeling
Door en namens de vrouw is aangegeven dat zij geen verweer voert tegen de door de man verzochte informatieregeling. De vrouw is bereid om de verzochte informatie, via de GI, aan de man te verstrekken. Tijdens de zitting hebben partijen afgesproken dat de vrouw eens per maand schriftelijk, via de GI als tussenpersoon, informatie over [minderjarige] aan de man zal versturen. Hierbij zal het standaard format van de GI worden gebruikt. De vrouw heeft ermee ingestemd dat in ieder geval aan de man moet worden overgelegd: telkens een recente foto van [minderjarige] , waarop zijn gezicht goed zichtbaar is en welke foto niet bewerkt is met teksten en informatie over de vorderingen op school of kinderdagverblijf en de activiteiten in hun vrije tijd. De GI heeft tijdens de zitting toegezegd dat zij hierin een faciliterende rol wil innemen en het door de vrouw ingevulde format eens per maand aan de man wil doorsturen.
De rechtbank zal dan ook het hiertoe strekkende verzoek van de man als zodanig toewijzen.
De man heeft ook verzocht om te bepalen dat de vrouw minimaal eenmaal per jaar een verslag van de school van [minderjarige] over zijn vorderingen, via de GI, aan de man moet overleggen. De rechtbank zal dit niet toewijzen, omdat de man (ook) met het ouderlijk gezag over [minderjarige] is belast en hij deze informatie zelf bij de school van [minderjarige] kan opvragen, als hij dat zou willen. De rechtbank zal het meer of anders verzochte dan ook afwijzen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
Afschrift van de beschikking naar de GI
Nu de GI in deze zaak informant is, ontvangt de GI in beginsel geen afschrift van de beschikking. In deze zaak zal de rechtbank bepalen dat er ook een afschrift van de beschikking naar de GI wordt verzonden, omdat de rechtbank in deze zaak expliciet een opdracht aan de GI heeft gegeven.
6 De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat het contactherstel tussen [minderjarige] en de man in handen van de GI wordt gelegd;
houdt de definitieve beslissing ten aanzien van de zorgregeling tussen [minderjarige] en de man aan tot 19 januari 2027 PRO FORMA en verzoekt de GI om voor deze datum per brief te rapporteren over hoe het met [minderjarige] gaat en het verloop van de afgelopen periode voor zover dit ziet op het verzoek van de man zoals opgenomen in rechtsoverweging 5.5, waarna (de advocaten van) partijen twee weken de gelegenheid krijgen om te reageren op de briefrapportage van de GI en aan te geven wat hun gewenste verdere procesverloop is;
bepaalt dat de vrouw eens per maand schriftelijk via de GI informatie over de [minderjarige] aan de man zal versturen, een en ander zoals opgenomen in rechtsoverweging 5.7;
verklaart de beslissing zoals genoemd onder 6.1. en 6.3 uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan de GI verstrekt;
wijst het anders of meer verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Borm, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 in aanwezigheid van mr. Vork, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.