ECLI:NL:RBZWB:2026:7965

Datum uitspraak
21-07-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/448926 / FA RK 26-2867
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoeken vervangende toestemming verhuizing en inschrijving school afgewezen

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknummer: C/02/448926 / FA RK 26-2867

Datum uitspraak: 21 juli 2026

Beschikking van de meervoudige kamer betreffende vervangende toestemming verhuizing en vervangende toestemming inschrijving school

in de zaak van

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de vrouw,

wonende te [plaats 1] ,

advocaat: mr. E.A.G. van Acker te Sint Jansteen,

tegen

[de man] ,

hierna te noemen: de man,

wonende te [plaats 1] ,

advocaat: mr. J. Schuttkowski te Hulst,

betreffende de minderjarigen:

  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 te [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ;

  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2018 te [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ;

  • [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2021 te [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 3] .

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad, om de meervoudige kamer van de rechtbank over de verzoeken te adviseren.

1 Het procesverloop

1.1

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- het op 2 juni 2026 ontvangen verzoek vervangende toestemming verhuizing en inschrijving school, met bijlagen;

- het F9-formulier van mr. Van Acker van 10 juni 2026, met bijlage;

- het F9-formulier van mr. Van Acker van 11 juni 2026, met bijlagen;

- het op 16 juni 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen.

1.2

De verzoeken zijn door de meervoudige kamer van deze rechtbank mondeling behandeld op de zitting van 19 juni 2026. De verzoeken zijn, gelet op de onderlinge samenhang, gelijktijdig behandeld met het verzoek voorlopige voorzieningen van de vrouw met zaaknummer C/02/449491 / FA RK 26-3196. In laatstgenoemde zaak wordt afzonderlijk bij beschikking van heden beslist.

1.3

Bij de zitting zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.

1.4

De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelet op hun leeftijd in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. [minderjarige 1] heeft daar gebruik van gemaakt door middel van het schrijven van een brief aan de kinderrechter en in een gesprek met de kinderrechter. [minderjarige 2] heeft daar gebruik van gemaakt door middel van het schrijven van een brief aan de kinderrechter.

2 De feiten

2.1

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2014 te [plaats 2] , België. Er is op dit moment een echtscheidingsprocedure aanhangig bij deze rechtbank, onder zaaknummer C/02/445579 / FARK 26-1087.

2.2

Voorafgaand aan en uit het huwelijk van partijen zijn de navolgende minderjarige kinderen geboren:

  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 te [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ;

  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2018 te [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ;

  • [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2021 te [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 3] .

2.3

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.

2.4

De minderjarigen verblijven bij de vrouw in de echtelijke woning van partijen. De man staat ook nog op dit adres ingeschreven in de Basisregistratie Personen, maar hij verblijft feitelijk bij zijn ouders.

2.5

Partijen zijn een zorgregeling overeengekomen op basis waarvan de minderjarigen de ene week bij de vrouw verblijven en de andere week bij de man, met als wisselmoment zondagavond.

2.6

De man heeft de Belgische nationaliteit, de vrouw en de minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3 De verzoeken

3.1

De vrouw verzoekt, bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, toestemming te verlenen om met de minderjarige kinderen van partijen naar [plaats 3] (België) te verhuizen en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aldaar in te schrijven op de [basisschool 1] aan het [adres 1] , [plaats 4] (België) en [minderjarige 1] aldaar in te schrijven op de [school] aan het [adres 2] , [plaats 4] (België).

3.2

De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.

Bij wijze van zelfstandige verzoeken verzoekt de man, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

  • te bepalen dat de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ingeschreven zullen blijven, althans ingeschreven zullen worden op de basisschool ‘ [basisschool 2] ’ aan het [adres 3] te [plaats 1] ;

  • te bepalen dat de minderjarige [minderjarige 1] ingeschreven zal blijven, althans ingeschreven zal worden op de school voor voortgezet onderwijs ‘ [middelbare school] ’, aan het [adres 4] te [plaats 1] .

3.3

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

4 De beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht

4.1

De rechtbank stelt vast dat de man de Belgische nationaliteit heeft. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de rechtbank eerst dient te beoordelen of zij bevoegd is om van de verzoeken van partijen in deze zaak kennis te nemen en daarop te beslissen. Indien dit het geval is, dient de rechtbank het toepasselijke recht te bepalen.

4.2

Op grond van artikel 7 van de Brussel II-ter verordening zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid internationaal bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarigen hun gewone verblijfplaats hebben op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. De verzoeken van partijen vallen onder deze ouderlijke verantwoordelijkheid. Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter bevoegd om van de verzoeken kennis te nemen en daarop te beslissen.

4.3

Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op de verzoeken te beslissen en de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland ligt, zal op grond van artikel 15 jo. 17 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op de verzoeken worden toegepast.

Vervangende toestemming verhuizing

De standpunten van partijen

4.4

De vrouw voert ter onderbouwing van haar verzoek aan dat het noodzakelijk en in het belang van de minderjarigen is om te verhuizen naar [plaats 3] . De vrouw wil graag een gezin gaan vormen met de minderjarigen en haar partner, met wie zij inmiddels twee jaar een bestendige relatie heeft. Daarbij wenst de vrouw te vertrekken uit [plaats 1] , omdat deze omgeving haar herinnert aan het incident dat in december 2024 heeft plaatsgevonden. Bij dit incident heeft de vrouw lichamelijk letsel opgelopen, waardoor zij in de ziektewet is beland, en PTSS heeft ontwikkeld, waarvoor zij EMDR-therapie heeft gevolgd. Het incident heeft een grote impact (gehad) op het leven van de vrouw. Zij voelt zich hierdoor nog steeds niet veilig in [plaats 1] . Daardoor kan zij in deze omgeving niet de moeder zijn die zij wil zijn voor de minderjarigen. In [plaats 3] daarentegen ervaart de vrouw rust, stabiliteit en geluk en dat werkt positief door in haar moederschap. Tevens heeft de vrouw in [plaats 3] samen met haar partner een stabiel sociaal netwerk waar zij op kan terugvallen, terwijl zij er in [plaats 1] alleen voor staat. Ook de minderjarigen hebben in [plaats 1] bijna geen vriendjes, en in [plaats 3] wel. Zij verblijven daar al regelmatig en zijn niet geworteld in of gehecht aan [plaats 1] . Daarbij komt dat [minderjarige 1] erg wordt gepest op school. De vrees bestaat dat het pesten door zal gaan als [minderjarige 1] volgend jaar naar de middelbare school in [plaats 1] gaat, omdat de huidige klasgenootjes van [minderjarige 1] ook grotendeels naar deze school gaan. De vrouw vindt het voor het welzijn van [minderjarige 1] heel belangrijk dat zij een nieuwe start kan maken. [minderjarige 1] wil dat ook graag en zij wil graag naar de [school] , een wetenschapsschool, in [plaats 3] . De omgeving [plaats 3] biedt de minderjarigen bovendien veel meer en betere mogelijkheden om (in de toekomst) te gaan studeren dan [plaats 5] . Het is niet mogelijk voor de partner van de vrouw om te verhuizen nu hij in [plaats 3] een eigen woning en een goede baan heeft en in de buurt van zijn familie woont. Verder is de verhuizing met de minderjarigen naar [plaats 3] volgens de vrouw goed doordacht en voorbereid. Doordat de man in eerste instantie zijn toestemming had verleend voor de verhuizing, heeft de vrouw hier al veel met de minderjarigen over gesproken, zijn de kinderkamers in de woning van haar partner in orde gebracht en zijn de minderjarigen ingeschreven op school, voor sport en op de scouting in [plaats 3] . De vrouw zoekt ook naar werk in [plaats 3] . Ter compensatie heeft de vrouw de man aangeboden om voortaan drie weekenden per maand tijd met de minderjarigen door te brengen. De man dient dan wel daadwerkelijk zelf voor de minderjarigen te zorgen. Hij werkt in nachtdiensten en soms in het weekend, waardoor de zorg en opvoeding voor de minderjarigen als zij bij de man zijn veelal bij de grootouders vaderszijde terechtkomen. Dit acht de vrouw niet in hun belang. De man zou ook af en toe naar [plaats 3] kunnen komen om de minderjarigen daar te zien. Zijn ouders hebben een stacaravan in de buurt van [plaats 3] en zijn broer heeft een woning in [plaats 3] waar hij dan wellicht kan verblijven. De vrouw is eventueel bereid om het halen en brengen van de minderjarigen op zich te nemen als dit te belastend is voor de man en zij is bereid om de minderjagen in de vakanties meer tijd bij de man te laten doorbrengen. De communicatie tussen de ouders verloopt op dit moment niet zo goed, maar zal weer verbeteren als er duidelijkheid komt over de verhuizing en er rust ontstaat. Over de extra kosten die de verhuizing tot gevolg heeft wil de vrouw met de man in overleg treden. De vrouw benadrukt dat zij het recht heeft om haar leven opnieuw in te richten. Zij wil graag deze zomer verhuizen naar [plaats 3] , zodat de minderjarigen vanaf komend schooljaar naar hun nieuwe scholen in [plaats 3] kunnen gaan.

4.5

De man stelt ter onderbouwing van zijn verweer dat er geen noodzaak bestaat voor de vrouw om met de minderjarigen naar [plaats 3] te verhuizen en dat de belangen van de minderjarigen daar niet mee zijn gediend. De redenen die de vrouw noemt voor de verhuizing zijn persoonlijk en niet objectief. Het door de vrouw ingediende dagboek dient daarom buiten beschouwing te worden gelaten. De man vraagt zich ook af hoe bestendig de relatie van de vrouw en haar partner is, nu zij in november 2025 nog aan de man te kennen heeft gegeven dat zij wilde werken aan hun relatie. Voorts betwist de man dat de vrouw zich in [plaats 1] zodanig onveilig voelt dat dit haar moederschap aantast. Het is ook onjuist dat de vrouw geen enkel netwerk heeft in [plaats 1] . Bovendien zijn de minderjarigen volgens de man wel degelijk geworteld in [plaats 1] , waar zij hun maatschappelijk leven hebben, naar school gaan en veelvuldig contact kunnen hebben met hun beide ouders en hun grootouders vaderszijde. Het is onmogelijk dat de minderjarigen in zo’n korte tijd al enig sociaal leven hebben opgebouwd in [plaats 3] , waar zij niet naar school gaan en geen hobby’s hebben. Het is wel juist dat [minderjarige 1] wordt gepest op school. [minderjarige 1] is een kwetsbaar meisje met kind-eigenproblematiek. Hiervoor is hulpverlening vanuit [hulpverlening] ingezet. De eerdere begeleiding bleek ontoereikend en nu zal er nadere diagnostiek plaatsvinden. De man vindt het belangrijk voor [minderjarige 1] dat deze hulpverlening wordt voortgezet. Dat is niet mogelijk als de minderjarigen verhuizen. Daarbij acht de man het juist vanwege de problematiek van [minderjarige 1] niet in haar belang dat zij naar een middelbare school in [plaats 3] gaat, omdat het Nederlandse basisonderwijs niet aansluit op het Belgische vervolgonderwijs. Ook zal het vele reizen tussen [plaats 3] en [plaats 1] veel vragen van de veerkracht van de minderjarigen, hen erg belasten en een sterke negatieve invloed hebben op hun maatschappelijk leven, omdat zij de uren die zij moeten reizen niet kunnen besteden aan hobby’s, sport of huiswerk. Bovendien is er juist ook in [plaats 1] , dichtbij de grens van België, een groot aanbod aan (vervolg)opleidingen voor de minderjarigen. Verder betekenen de omstandigheden dat de nieuwe partner van de vrouw in [plaats 3] werkt en een woning heeft in de buurt van zijn familie, geenszins dat hij niet zou kunnen verhuizen. Tegelijkertijd zijn de gevolgen van de voorgenomen verhuizing van de vrouw met de minderjarigen voor het contact tussen de man en de minderjarigen zeer groot. De forse afstand zal het praktisch onmogelijk maken voor de man om verdere invulling te geven aan zijn vaderrol. Sinds het uiteengaan van partijen is er al meer dan een half jaar sprake van een co-ouderschapsregeling, waarbij de minderjarigen week-om-week bij hun beide ouders verblijven. De man is daarbij wel degelijk in persoon beschikbaar voor de minderjarigen. Hij werkt inderdaad in nachtdienst, maar brengt de minderjarigen zelf (met zijn moeder) naar school, haalt hen op uit school en legt hen zelf op bed. Zijn ouders houden dan de wacht over de minderjarigen als de man gaat werken. Ook tijdens het huwelijk hebben beide partijen een gelijk aandeel gehad in de opvoeding en verzorging van de minderjarigen. In het verleden was het zelfs de man die zorgverlof opnam om een tijdlang nagenoeg de volledige zorg en opvoeding van de minderjarigen op zich te nemen – met ondersteuning van zijn ouders, die daarvoor zelfs, met de volledige instemming van de vrouw, zijn verhuisd. Dit was eveneens het geval toen de vrouw als gevolg van het genoemde incident rust moest nemen. De verhuizing is evenmin goed doordacht en voorbereid. De man betwist dat hij ooit expliciet toestemming zou hebben gegeven voor de verhuizing met de minderjarigen op zo’n forse reisafstand. Van een zorgvuldige belangenafweging of een intensieve voorbereiding is voorts geen sprake geweest. Zo is de man niet betrokken geweest bij de gesprekken die met de minderjarigen over de verhuizing zijn gevoerd, heeft de vrouw de minderjarigen al meermaals zonder toestemming van de man meegenomen naar [plaats 3] en heeft de vrouw de minderjarigen zelfs zonder toestemming of enig overleg al ingeschreven op scholen aldaar, terwijl [minderjarige 1] ook is ingeschreven voor de middelbare school in [plaats 1] . Bovendien heeft de vrouw (nog) geen oplossing aangedragen over de wijze waarop de man na de verhuizing nog invulling zou kunnen geven aan zijn zorg- en opvoedingstaken. Een zorgregeling waarbij de minderjarigen drie weekenden per maand bij de man verblijven is geen optie, gelet op het werk van de man als kinderanimator, dat veelal in het weekend plaatsvindt. De caravan van de ouders van de man wordt voorts eerdaags weggehaald van de camping nabij [plaats 3] en zijn broer heeft weliswaar een woning in [plaats 3] , maar verblijft daar nauwelijks. De vrouw heeft tevens nog geen werk gevonden in [plaats 3] en de verhuizing zal er mogelijk toe leiden dat haar tweede spoortraject bij haar huidige werkgever wordt beëindigd, waardoor zij niet langer zal beschikken over financiële middelen. Een goede financiële onderbouwing voor de verhuizing ontbreekt dus eveneens. De communicatie en verstandhouding tussen partijen zijn verder zeer verstoord. Er is al hulpverlening van mevrouw [persoon] (Slim uit Elkaar) ingezet om hieraan te werken, tot op heden zonder resultaat. De vrouw beslist en gaat volledig voorbij aan de rol van de man. Hij heeft er dan ook geen vertrouwen in dat de vrouw op zo’n verre afstand in de toekomst met de man gezamenlijke beslissingen over de minderjarigen zal nemen. De man vreest dat hij een vader op afstand wordt en uiteindelijk uit beeld zal raken. Dat de vrouw tot slot benadrukt dat zij het recht heeft om haar leven opnieuw in te richten, benadrukt nogmaals de prioriteit van haar eigen belang bij de verhuizing.

Het advies van der Raad

4.6

De Raad adviseert de rechtbank om geen toestemming te verlenen voor de verhuizing van de vrouw met de minderjarigen naar [plaats 3] . De Raad betwijfelt of er aan de criteria voor de verhuizing wordt voldaan en acht de verhuizing niet in het belang van de minderjarigen. Zij gaan dan op twee uur afstand van hun vader wonen, terwijl de vader hun belangrijkste netwerk is. Het netwerk van de moeder en haar partner in [plaats 3] is voor de minderjarigen minder belangrijk. Daarnaast acht de Raad de zorgregeling die de moeder in het geval er vervangende toestemming voor de verhuizing wordt verleend ter compensatie heeft voorgesteld, inhoudende dat de minderjarigen drie weekenden per maand bij de vader verblijven, naast dat deze zeer lastig uitvoerbaar is voor de vader vanwege zijn werk, niet in het belang van de minderjarigen. Zij kunnen dan lastig een sport of hobby’s uitoefenen in het weekend en zullen hoogstwaarschijnlijk weinig zin hebben om telkens drie weekenden per maand naar hun vader in [plaats 5] af te reizen. De Raad maakt zich heel veel zorgen over wat dit zal betekenen voor de relatie tussen de minderjarigen en hun vader. Bovendien ziet de Raad mogelijkheden voor de partner van de moeder om richting [plaats 5] te verhuizen en hier een netwerk op te bouwen.

De meningen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

4.7

De minderjarige [minderjarige 2] heeft in zijn brief aan de kinderrechter geschreven dat hij bij zijn moeder wil wonen. Hij heeft in [plaats 1] één vriend en in [plaats 3] twee. [minderjarige 1] heeft in het gesprek met de kinderrechter verteld dat zij haar leven op dit moment het cijfer 7 of 8 geeft. Haar leven zou beter worden als haar ouders stoppen met ruzie maken. Dat vindt zij heel erg naar en daar wordt zij erg verdrietig van. Verder vindt [minderjarige 1] het heel spannend om volgend jaar naar de middelbare school te gaan. Zij is bang dat zij dan opnieuw gepest zal worden. Tot slot heeft [minderjarige 1] gezegd dat zij het heel fijn zou vinden als haar vader haar belt of een berichtje stuurt in de week dat zij bij haar moeder is.

Het oordeel van de rechtbank

Buiten beschouwing laten dagboek van de vrouw

4.8

De man heeft de rechbtbank verzocht het door de vrouw ingediende dagboek (productie III bij het verzoekschrift) buiten beschouwing te laten, nu dit volgens de man volledig subjectief is en enkel de eigen belevingen van de vrouw weergeeft. De rechtbank volgt deze stelling van de man, maar zal niet beslissen dat het dagboek van de vrouw buiten beschouwing moet worden gelaten nu de man als reactie op het dagboek van de vrouw een soortgelijk document (productie 1 bij het verweerschrift) heeft ingediend en op die manier uitvoerig verweer heeft gevoerd tegen het dagboek van de vrouw.

Inhoudelijke beoordeling

4.9

Partijen hebben het gezamenlijke gezag over de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Dit brengt met zich mee dat de vrouw voor een eventuele verhuizing met de minderjarigen naar [plaats 3] in beginsel de toestemming van de man nodig heeft.

Indien de ouders het hierover niet eens worden, kunnen geschillen op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Omdat de man geen toestemming geeft en het niet is gelukt om ter gelegenheid van de zitting een vergelijk tussen partijen te bereiken, zal de rechtbank een beslissing nemen op de verzoeken van de vrouw om met de minderjarigen te verhuizen naar [plaats 3] , de minderjarige [minderjarige 1] aldaar in te schrijven op een middelbare school en de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aldaar in te schrijven op een basisschool. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang de minderjarigen wenselijk voorkomt.

4.10

Uit vaste jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak van de Hoge Raad van 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901 en HR 26 april 2013, ECLI:NL:HR;2013:BZ0293) volgt echter dat hieruit niet mag worden afgeleid dat het belang van in dit geval [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. Bij de beoordeling dient de rechtbank alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen en die tegen elkaar af te wegen. Hoewel de belangen van de minderjarigen dus een overweging van de eerste orde zijn, neemt dat niet weg dat afhankelijk van de omstandigheden van het geval andere belangen zwaarder kunnen wegen. Vooral de volgende omstandigheden en belangen worden meegewogen bij de beslissing:

  • het recht en belang van de vrouw om te verhuizen en in vrijheid haar leven (opnieuw) in te richten;

  • de noodzaak voor de vrouw om te verhuizen;

  • de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

  • de door de vrouw geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarigen en de man te verzachten en/of te compenseren;

  • de bestendigheid van de nieuwe relatie van de verhuizende ouder;

  • de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

  • de rechten van de man en de minderjarigen op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;

  • de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de continuïteit van de zorg;

  • de frequentie van het contact tussen de man en de minderjarigen voor en na de verhuizing;

  • de leeftijd van de de minderjarigen, hun mening en de mate waarin zij zijn geworteld in hun omgeving of juist gewend zijn aan verhuizingen;

  • de (extra) kosten van het contact na de verhuizing.

4.11

De rechtbank overweegt tegen deze achtergrond als volgt.Als uitgangspunt geldt dat een ouder bij wie de minderjarigen woonachtig zijn in beginsel de gelegenheid moet krijgen om met de minderjarigen ergens anders een gezinsleven en toekomst op te bouwen. De vrijheid van de vrouw om met de minderjarigen te verhuizen kan echter worden beperkt op een wijze die in de wet is voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk is ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Nu de vrouw en de man gezamenlijk het gezag over de minderjarigen uitoefenen en de man in het kader van de zorgregeling een structurele contactregeling met de minderjarigen heeft, zou een verhuizing van de minderjarigen met zich kunnen brengen dat de daadwerkelijke uitoefening van het gezag door de man en de contactregeling worden beperkt. Om die reden zou de bescherming van de rechten en vrijheden van de man of van de minderjarigen (indirect) een inbreuk op de vrijheid van verplaatsing van de vrouw met de kinderen kunnen rechtvaardigen. De omstandigheden van het geval moeten na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd een beslissing om te verhuizen rechtvaardigen.

4.12

Hoewel de wens van de vrouw om haar leven opnieuw vorm te geven rechtens gerespecteerd dient te worden, wegen hier ook de belangen van de minderjarigen en de man mee. In dit verband is de rechtbank, anders dan de vrouw, van oordeel dat de minderjarigen hun sociale leven in (de omgeving van) [plaats 1] hebben en daar ook geworteld zijn. Het belangrijkste netwerk van de minderjarigen naast de vrouw, zijnde hun vader en de grootouders vaderszijde, bevindt zich immers in deze omgeving. Ook gaan de minderjarigen hier naar school en hebben zij hier sociale contacten. [minderjarige 1] gaat hier daarnaast naar de scouting en er is in [plaats 1] hulpverlening voor haar opgestart. De komende tijd zal er bij haar nadere diagnostiek worden verricht. De rechtbank vindt het van groot belang dat deze hulpverlening van [minderjarige 1] wordt voortgezet.

4.13

Verder geldt op dit moment een zorgregeling waarbij de minderjarigen steeds om de week een hele week bij elk van hun ouders verblijven, met op zondag het wisselmoment. Deze regeling geldt al enige tijd sinds het feitelijk uiteengaan van partijen. Anders dan de vrouw stelt, is de rechtbank gelet op de gemotiveerde betwisting door de man van oordeel dat de man gedurende de week dat de minderjarigen bij hem verblijven, de zorg en opvoeding van de minderjarigen grotendeels zelf draagt en beschikbaar is voor de minderjarigen. Dat hij daarbij enige ondersteuning van zijn ouders behoeft gelet op zijn werk in nachtdienst en als kinderanimator acht de rechtbank aannemelijk. Ter zitting heeft de man ook aangegeven dat partijen tijdens het huwelijk van partijen een gelijk aandeel in de verzorging en opvoeding van de minderjarigen hadden en dat hij gedurende diverse periodes het merendeel van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen op zich heeft genomen, hetgeen niet door de vrouw is betwist. De rechtbank stelt daarmee vast dat de man geen ‘weekendvader’ is. De minderjarigen zijn om de week een hele week bij hun vader en de man brengt en haalt hen ook naar en van school en brengt hen zelf naar bed. Op die manier is de man betrokken bij het dagelijks leven van de minderjarigen en zorgt hij voor hen. Deze zorgregeling verloopt naar het de rechtbank is gebleken goed. Naar het oordeel van de rechtbank staat bij een verhuizing van de minderjarigen naar Tongeren vast dat de huidige zorgregeling niet langer kan worden uitgevoerd. Gelet op de grote reisafstand tussen de omgeving [plaats 1] en [plaats 3] zal dan alleen nog sprake kunnen zijn van een weekendregeling. Hiermee wordt de ouderrol van de man naar het oordeel van de rechtbank te fors ingeperkt. Immers, de verhuizing heeft tot gevolg dat de man geen rol meer kan vervullen in het doordeweekse leven van de minderjarigen en dat de man niet meer in direct contact staat met de scholen van de minderjarigen, (de ouders van) vriendjes en vriendinnetjes, de naschoolse activiteiten en de (toekomstige) sporten en hobby’s. De in dat kader door de vrouw voorgestelde compensatie, waarbij de minderjarigen drie weekenden per maand bij de man verblijven en eventueel verhoudingsgewijs meer tijd bij de man doorbrengen in de vakanties, compenseert dit verlies aan contact naar het oordeel van de rechtbank niet, te meer nu een dergelijke zorgregeling hoogstwaarschijnlijk vrijwel niet uitvoerbaar zal zijn voor de man gelet op zijn werk als kinderanimator in het weekend. Daarbij overweegt de rechtbank dat een dergelijke weekendregeling gelet op de forse reistijd mogelijk te belastend voor de minderjarigen zal zijn en ertoe leidt dat zij zeer beperkte mogelijkheden zullen hebben om in het weekend tijd te besteden aan hun (toekomstige) sport, hobby’s en hun sociale activiteiten. Een verhuizing naar [plaats 3] leidt er naar het oordeel van de rechtbank zodoende toe dat de rol van de man in het leven van de minderjarigen fors wordt ingeperkt, dat hij geen deel meer uitmaakt van het dagelijkse leven van de minderjarigen en dat de kans aanwezig is dat de contacten tussen hen op de lange duur nog verder zullen verminderen, hetgeen mogelijk een forse negatieve impact op hun onderlinge relaties tot gevolg zal hebben. Dit alles is naar het oordeel van de rechtbank niet in het belang van de minderjarigen.

4.14

Voorts overweegt de rechtbank dat de door de vrouw gestelde belangen bij de door haar gewenste verhuizing, samengevat: een gezin vormen met de minderjarigen en haar nieuwe partner in een omgeving waarin zij zich prettig voelt, in de buurt van familie (van haar partner) en een (groter) sociaal netwerk, een nieuwe school voor [minderjarige 1] zonder haar huidige klasgenootjes en betere studiemogelijkheden voor de minderjarigen (voor in de toekomst), ten opzichte van de belangen van de man en de minderjarigen onvoldoende zwaarwegend zijn. Daarbij is van belang dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat het voor haar partner niet mogelijk is om in de omgeving van [plaats 1] te gaan wonen en aldaar werk te vinden. De wens van de vrouw om samen met haar partner in [plaats 3] te gaan wonen en aldaar een nieuw leven op te bouwen levert bovendien geen noodzaak op tot verhuizing. Daarbij komt dat er ook in de omgeving van [plaats 1] meerdere opties zijn voor een middelbare school voor [minderjarige 1] . De verhuizing is daarnaast, onder meer gelet op de onduidelijkheid over de rol van de man in het leven van de minderjarigen als zij gaan verhuizen, evenmin voldoende doordacht en voorbereid.

4.15

Alles overziend, is de rechtbank met de Raad van oordeel dat de belangen van de minderjarigen om in hun vertrouwde omgeving te blijven wonen en naar school te gaan en daarbij veelvuldig contact te hebben met hun vader en grootouders vaderszijde, zwaarder wegen dan het belang van de vrouw om met de minderjarigen naar [plaats 3] te verhuizen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming voor verhuizing dient te worden afgewezen.

Vervangende toestemming inschrijving basisschool

4.16

Nu de rechtbank het verzoek van de vrouw om aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen naar [plaats 3] te verhuizen zal afwijzen, zal de rechtbank het daarmee samenhangende verzoek van de vrouw om aan haar vervangende toestemming te verlenen om de minderjarigen aldaar in te schrijven op een basisschool ( [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ) en een middelbare school ( [minderjarige 1] ) bij gebrek aan belang eveneens afwijzen. Ook de verzoeken van de man om te bepalen dat de minderjarigen ingeschreven zullen blijven dan wel ingeschreven zullen worden op hun huidige basisschool ( [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ) en toekomstige middelbare school ( [minderjarige 1] ) zal de rechtbank wegens een gebrek aan belang afwijzen, nu de minderjarigen al ingeschreven staan op deze scholen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de minderjarigen op deze scholen ingeschreven blijven, tenzij partijen samen overeenkomen dat een andere middelbare school passender is voor [minderjarige 1] , bijvoorbeeld in verband met de pestproblematiek.

4.17

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1

wijst de verzoeken van de vrouw en de man af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, voorzitter tevens (kinder)rechter, mr. Dijkman en mr. Van der Pols, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Haas, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »