beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/447021 / FA RK 26-1860
Datum uitspraak: 21 juli 2026
Beschikking betreffende vervangende toestemming verhuizing, vervangende toestemming inschrijving school en wijziging zorgregeling inclusief vakantieverdeling
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. J.C. Heijmann, te Papendrecht,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat: mr. P.N.M. de Gier, te Rotterdam,
betreffende de minderjarigen:
-
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2018 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
-
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag] 2018 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de meervoudige kamer van de rechtbank over de verzoeken te adviseren.
1 Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 9 april 2026 ontvangen verzoek tot vervangende toestemming verhuizing tevens houdende verzoek tot vervangende toestemming inschrijving school, met bijlagen;
- het op 12 juni 2026 ontvangen gewijzigde verzoek tot vervangende toestemming inschrijving school, met bijlagen;
- het op 16 juni 2026 ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek;
- het op 17 juni 2026 ontvangen verweerschrift op het zelfstandig verzoek, tevens houdende aanvullend verzoek, met bijlagen.
De verzoeken zijn door de meervoudige kamer van deze rechtbank mondeling behandeld op de zitting van 19 juni 2026. Bij die zitting zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Daar hebben zij geen gebruik van gemaakt.
2 De feiten
Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 4 april 2024 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 26 juni 2025 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
Uit het huwelijk van partijen zijn de navolgende minderjarige kinderen geboren:
-
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2018 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
-
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag] 2018 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
De minderjarigen verblijven bij de vrouw.
Bij voornoemde echtscheidingsbeschikking van 4 april 2024 heeft de rechtbank voorts bepaald dat tussen partijen de volgende zorgregeling en verdeling van de vakanties en feestdagen zal gelden:
De weekendregeling vangt aan op vrijdagmiddag vanuit de BSO, of school indien de kinderen op enig moment geen BSO meer afnemen. De ouder waar het kind of de kinderen verbleven zal het kind/de kinderen op maandagochtend naar school brengen of naar de voorschoolse opvang.
Van deze regel wijken partijen alleen af in het weekend waar beide kinderen bij de man zijn. In dat weekend brengt de man de kinderen al op zondagavond bij de vrouw en brengt de vrouw de kinderen op maandagochtend naar school of naar de voorschoolse opvang.
Zorg op feestdagen
De reguliere wekelijkse regeling zal doorlopen, tenzij de ouders andere afspraken maken.
Vakantieregeling
Alle vakanties vangen aan op vrijdagmiddag 17.00 uur vanuit BSO of thuis als er geen BSO is, en eindigen op zaterdagochtend 12.00 uur.
Kerstvakantie:
In de even jaren zijn de kinderen de eerste week bij vader en de tweede week bij moeder en in de oneven jaren andersom.
Voorjaarsvakantie:
Even jaren bij moeder, oneven jaren bij vader.
Meivakantie:
de kinderen zijn ieder jaar de eerste week bij moeder en de tweede week bij vader.
Zomervakantie:
Iedere ouder neemt in ieder geval twee aaneengesloten weken voor zijn/haar rekening. In de overige weken zal de reguliere weekregeling doorlopen, waarbij de vrouw als zij dat wenst ook drie aaneengesloten weken met de kinderen op vakantie zou kunnen gaan.
Herfstvakantie:
Even jaren bij vader, oneven jaren bij moeder.
3 De verzoeken
De vrouw verzoekt, na wijziging, bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad:
-
de vrouw vervangende toestemming te verlenen om met ingang van de start van het schooljaar 2026-2027 met de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te verhuizen naar het [adres] te [plaats 3] ;
-
de vrouw vervangende toestemming te verlenen om de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in te schijven op [basisschool] te [plaats 4] , zodat zij aldaar kunnen starten bij aanvang van het schooljaar 2026-2027;
-
de zorgregeling te wijzigen en zodoende een nieuwe zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen in oneven weken bij de man verblijven van vrijdagmiddag uit school/BSO tot en met zondagavond 17.00 uur, op welk moment de minderjarigen door de man bij de vrouw thuis moeten zijn gebracht;
-
de vakantieregeling te wijzigen, zodat de minderjarigen de herfstvakantie altijd bij de man doorbrengen en de krokusvakantie altijd bij de vrouw.
Ten aanzien van zelfstandige verzoeken van de wederpartij:
De vrouw voert voert verweer tegen het zelfstandige verzoek van de man en verzoekt deze af te wijzen.
Bij wijze van aanvullend verzoek verzoekt de vrouw bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, de man gedurende drie keer per kind per jaar een extra omgangsmoment toe te staan, waarbij partijen uiterlijk drie weken voorafgaand aan het moment overleg voeren per e-mail. Indien het ene kind een extra moment heeft gehad, zal de volgende keer het andere kind een extra moment met de man hebben. Het moment bevat in ieder geval een overnachting in verband met de reistijd. De man haalt het kind op bij de vrouw en brengt het kind tevens weer terug naar de vrouw.
De man stemt in met de verzoeken van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming voor de verhuizing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar [plaats 3] en de inschrijving van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op de [basisschool] te [plaats 4] . De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw tot wijziging van de zorgregeling en de vakantieregeling en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.
Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt de man de zorgregeling van partijen zoals neergelegd in de beschikking d.d. 4 april 2024 te wijzigen en te bepalen dat met ingang van de datum van de te dezen te geven beschikking de zorgregeling tussen de vader en de kinderen van partijen zal zijn als volgt:
-
beide kinderen zijn om de week een weekend bij hun vader vanaf vrijdag na school tot en met zondagavond 17.00 voor het eten;
-
beide ouders zullen bij iedere omgang een van de haal-/brengmomenten voor hun rekening nemen, waarbij als de man op vrijdag de kinderen ophaalt bij de vrouw, de vrouw hen op zondag 17.00 uur weer bij de man op haalt en als de vrouw de kinderen op vrijdag naar de man brengt, de man hen op zondag 17.00 uur bij de vrouw terugbrengt;
-
de man zal gerechtigd zijn één van de kinderen een extra (mid)dag bij zich te hebben als een kind / de kinderen daarom vraagt/vragen en op de data en tijdstippen die partijen alsdan in overleg met elkaar afstemmen.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.
4 De beoordeling
Vervangende toestemming verhuizing en vervangende toestemming inschrijving school
Partijen hebben in de loop van de procedure overeenstemming bereikt over de verzoeken van de vrouw ten aanzien van de vervangende toestemming tot verhuizing van de de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] met de vrouw naar [plaats 3] en de vervangende toestemming tot inschrijving van de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op de [basisschool] te [plaats 4] . De man heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat hij met deze verzoeken instemt, hetgeen hij ter gelegenheid van de zitting heeft bevestigd. Gelet hierop zal de rechtbank deze verzoeken van de vrouw afwijzen bij gebrek aan belang.
Wijziging zorgregeling
Halen en brengen van de minderjarigen
De vrouw heeft verzocht de zorgregeling te wijzigen in die zin dat de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voortaan in de oneven weken bij de man verblijven van vrijdagmiddag uit school/BSO tot en met zondagavond 17:00 uur. De man heeft met deze wijziging van de zorgregeling ingestemd. Daarbij heeft de man bij wijze van zelfstandig verzoek verzocht om te bepalen dat beide ouders voortaan bij iedere omgang één van de haal-/brengmomenten van de minderjarigen voor hun rekening zullen nemen, in die zin dat als de man de minderjarigen op vrijdag ophaalt, de vrouw de minderjarigen op zondag weer bij de man ophaalt en vice versa.
Ter onderbouwing van dit verzoek is door en namens de man in de stukken en ter gelegenheid van de zitting naar voren gebracht dat de man vanwege de verhuizing van de minderjarigen met de vrouw naar [plaats 3] niet langer in staat is om telkens (al) het halen en brengen van de minderjarigen rondom de omgangsmomenten op zich te nemen. Vanwege de verhuizing is er namelijk sprake van een nieuw traject ( [plaats 2] ) en dit is in vergelijking met het eerdere traject ( [plaats 5] ) qua verkeer veel drukker en meer filegevoelig, waardoor het halen en brengen van de minderjarigen straks (veel) meer tijd zal gaan kosten. Daarbij komt dat de man eerder een burn-out heeft gehad en een zware functie bekleedt als partner van een groot accountantskantoor. Hierdoor is het voor de man zeer van belang om het juiste evenwicht te blijven vinden voor al zijn taken – zowel zakelijk als privé. Bovendien wordt van de man verwacht dat hij op vrijdagmiddag in ieder geval tot half zes op kantoor aanwezig is. Hier is hij in het verleden wel eens te gemakzuchtig mee omgegaan en daar is hij toen stevig voor op de vingers getikt. Het is voor de man dus niet mogelijk om de minderjarigen op vrijdagavond om half zes bij de BSO op te halen. De man vindt het ook belastend voor de minderjarigen als zij nog later op vrijdagavond worden opgehaald en dan nog naar [plaats 2] moeten afreizen. Wat de man betreft is het daarom akkoord om de omgang voortaan op zaterdagochtend in te laten gaan of om de reis van de minderjarigen naar [plaats 2] op vrijdagavond tussen partijen te verdelen. Het is voor de man geen probleem om de minderjarigen op zondagavond terug naar de vrouw te brengen. De man vindt het echter heel belangrijk dat de vrouw haar verantwoordelijkheid gaat nemen voor haar keuze om te verhuizen, in die zin dat partijen voortaan rondom de omgangsmomenten van de minderjarigen met de man ieder één haalmoment en één brengmoment van de minderjarigen per maand op zich nemen. Hiermee blijft de belastbaarheid qua reizen voor beide partijen beperkt.
De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man om het halen en brengen van de minderjarigen rondom de omgangsmomenten met de man voortaan op gelijke wijze tussen partijen te verdelen. Ter onderbouwing van haar verweer is door en namens de vrouw in de stukken en ter gelegenheid van de zitting naar voren gebracht dat de man na het uiteengaan van partijen tot op heden altijd de reisbewegingen van de minderjarigen rondom de omgangsmomenten op zich heeft genomen. Dit is voor de vrouw, die al grotendeels de zorg en opvoeding voor de minderjarigen draagt, zeer prettig, nu dit haar enigszins ontlast. Bovendien heeft de man een zakelijke auto, waardoor het een logische keuze was om het vervoer van de minderjarigen rondom de omgangsmomenten aan hem over te laten. De vrouw betwist voorts dat het nieuwe traject veel meer tijd zal gaan kosten. Het nieuwe traject is niet filegevoeliger en de reistijd van [plaats 2] naar [plaats 3] is gemiddeld korter dan de reistijd van [plaats 2] naar [plaats 1] . De man zal na de verhuizing dus juist minder reistijd hebben en het aantal reisbewegingen neemt in verband met de gewijzigde zorgregeling ook al flink af. Verder is voor de vrouw van belang dat zij vanwege haar medische aandoening beperkte energie heeft, waardoor het afwisselen van de reisbewegingen tussen partijen haar erg zal belasten. Daarbij komt dat de vrouw straks ook op vrijdagmiddag zal gaan werken, waardoor zij niet in de gelegenheid is om de minderjarigen dan naar [plaats 2] te brengen. De vrouw vindt het ook van belang voor de minderjarigen dat de wisselingen van de minderjarigen tussen de ouders zoveel mogelijk op school of op de BSO plaatsvinden en niet bij de ouders thuis, omdat de wisselingen dan zeer moeizaam verlopen nu de man de vrouw daarbij miskent en niet tegen haar spreekt. De vrouw is er verder geen voorstander van om de omgang pas op zaterdag in te laten gaan, omdat de minderjarigen dan nog minder tijd met hun vader kunnen doorbrengen. De man kan de minderjarigen eventueel op vrijdagavond bij de vrouw ophalen als hij niet op tijd bij de BSO kan zijn. Er is tot slot geen netwerk beschikbaar voor het vervoer van de minderjarigen op vrijdagavond.
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen hebben zoals blijkt uit de stukken en ter gelegenheid van de zitting overeenstemming bereikt over de wijziging van de zorgregeling in die zin dat de minderjarigen voortaan bij de man verblijven in de oneven weken van vrijdag uit school/BSO tot zondagavond 17:00 uur. Nu het de rechtbank niet is gebleken dat de belangen van de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zich tegen deze zorgregeling verzetten, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.
Ten aanzien van het halen en brengen van de minderjarigen rondom de omgangsmomenten van de minderjarigen met de man overweegt de rechtbank als volgt. Nu het enerzijds niet ongebruikelijk en juist in het belang van de minderjarigen is dat beide ouders een deel van het halen en brengen van de minderjarigen rondom de omgang met de andere ouder op zich nemen en de vrouw anderzijds grotendeels de verzorging en de opvoeding van de minderjarigen draagt, en de man heeft aangegeven dat het voor hem geen probleem is om de minderjarigen op zondagavond terug naar de vrouw te brengen, zal de rechtbank het volgende bepalen:
-
Beide ouders zullen voortaan in het kader van de omgang tussen de minderjarigen en de man afwisselend het vervoer van de minderjarigen op vrijdagavond naar [plaats 2] op zich nemen;
-
De man zal in het kader van deze omgang (al) het vervoer van de minderjarigen op zondagavond naar [plaats 3] op zich nemen.
De rechtbank is zeer geschrokken van de onwelwillende houding van beide partijen om als ouders van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hun verantwoordelijkheid te nemen en samen een oplossing te vinden voor het vervoer van de minderjarigen. Beide ouders handelen daarmee nadrukkelijk niet in het belang van de minderjarigen en dit kan naar het oordeel van de rechtbank niet zo verder gaan. Het is duidelijk dat ouders een forse voorgeschiedenis kennen, maar daar dienen zij de minderjarigen niet mee te belasten. Het is daarom aan beide ouders (eventueel met de inzet van hulpverlening) om bij zichzelf te rade te gaan wat zij voortaan anders kunnen doen om het (niet voor henzelf of de ander, maar) voor de minderjarigen beter te maken. Het staat immers gezien de leeftijd van de minderjarigen vast dat de ouders samen nog vele beslissingen zullen moeten gaan nemen over de minderjarigen.
Verdeling voorjaars- en herfstvakantie
De vrouw heeft verzocht om de vakantieverdeling te wijzigen in die zin dat de minderjarigen voortaan iedere herfstvakantie bij de man doorbrengen en iedere voorjaarsvakantie bij de vrouw doorbrengen. Volgens de vrouw pakt de huidige regeling, waarbij de minderjarigen tijdens de herfst- en voorjaarsvakantie steeds afwisselend bij elk van hun ouders verblijven, niet goed uit voor de minderjarigen. Zij hebben daardoor soms een heel lange periode geen vakantie met hun vader. Daarbij vindt de vrouw het van groot belang dat de minderjarigen, als zij straks in [locatie] wonen, in de voorjaarsvakantie altijd carnaval kunnen gaan vieren. Bovendien vinden zowel de herfst- als de voorjaarsvakantie in de regio Zuid en de regio Midden in zowel 2027 als in 2028 niet op hetzelfde moment plaats.
De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw om de vakantieverdeling ten aanzien van de herfst- en de voorjaarsvakantie te wijzigen. Hij wil graag dat deze vakanties afgewisseld blijven worden tussen de ouders, zodat beide ouders per schooljaar evenveel vakanties met de minderjarigen hebben. Daarbij komt dat de herfstvakanties in de regio Zuid en de regio Midden nooit op hetzelfde moment plaatsvinden, waardoor de nieuwe partner van de man en haar zoon altijd op een ander moment herfstvakantie zullen hebben dan de man en de minderjarigen, en zij dus nooit in de herfstvakantie samen weg zouden kunnen gaan. De man wil ook graag flexibiliteit behouden om een keer zonder de minderjarigen weg te kunnen gaan in de herfstvakantie en dat is niet mogelijk als de minderjarigen altijd in de herfstvakantie bij hem zijn. Bovendien zou de verzochte wijziging betekenen dat de man in het voorjaar nooit op skivakantie kan gaan met de minderjarigen. De man vindt het tot slot niet erg als de minderjarigen in de voorjaarsvakantie bij hem zijn en alsnog carnaval willen vieren.
De Raad benoemt dat het voor de minderjarigen vooral belangrijk is om te weten waar zij aan toe zijn. Het is voor hen leuk om carnaval te kunnen vieren, maar nog belangrijker om in de vakanties evenveel tijd met hun beide ouders te kunnen doorbrengen.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank acht het met de Raad van belang dat de minderjarigen per schooljaar evenveel tijd in de vakanties kunnen doorbrengen met elk van hun ouders. Dit betekent dat de herfst- en voorjaarsvakantie tussen de ouders verdeeld moeten blijven worden. Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de minderjarigen voortaan elke herfstvakantie bij de man doorbrengen en elke voorjaarsvakantie bij de vrouw doorbrengen, zal dus worden afgewezen.
Extra contactmomenten met vader
De man heeft bij wijze van zelfstandig verzoek verzocht om te bepalen dat hij gerechtigd is om één van de minderjarigen een extra (mid)dag bij zich te hebben als deze minderjarige daar om vraagt, op data en tijdstippen die partijen alsdan in overleg met elkaar afstemmen. Ter onderbouwing van dit verzoek is door en namens de man in de stukken en ter gelegenheid van de zitting naar voren gebracht dat de minderjarigen de man wekelijks vragen om extra één-op-één tijd met hem en daar dus kennelijk behoefte aan hebben. Het is de man tot op heden echter niet gelukt om zo’n extra contactmoment met de vrouw af te spreken, omdat de vrouw daar telkens excuses voor lijkt te bedenken. Het voorstel van de vrouw om zes keer per jaar een extra contactmoment met afwisselend beide minderjarigen te hebben en daar allerlei voorwaarden aan te verbinden, vindt de man te weinig flexibel. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij in zijn drukke agenda soms een vrij moment heeft, dat hij dan graag zou willen gebruiken om in de buurt van de woonplaats van de minderjarigen iets leuks met één van de minderjarigen te gaan doen, bijvoorbeeld door een van hen op te halen uit school en mee te nemen naar het bos of een museum. De man weet een week van te voren dat zo’n vrij moment er voor hem aan komt.
De vrouw stemt ermee in dat de minderjarigen extra één-op-één tijd met de man doorbrengen, maar zij wil daarover graag concrete afspraken maken, om te voorkomen dat dit aan de minderjarigen wordt overgelaten en zij er mee worden belast. Daarom heeft de vrouw bij wijze van aanvullend verzoek verzocht te bepalen dat de man gedurende drie keer per kind per jaar een extra omgangsmoment toe te staan, waarbij partijen tijdig voorafgaand aan het moment overleg voeren per e-mail. Dit is volgens de vrouw nodig, omdat de mondelinge communicatie tussen partijen zeer slecht verloopt en zodat de minderjarigen kunnen worden voorbereid op het extra contactmoment met hun vader. Het overleg hoeft niet per se drie weken voorafgaand aan het contactmoment plaats te vinden, maar wel eerder dan twee of drie dagen van te voren. De vrouw vindt het verder belangrijk dat wordt afgesproken dat indien het ene kind een extra moment met de man heeft gehad, de volgende keer het andere kind een extra moment met de man zal hebben, om zo te voorkomen dat de man vaker naar [minderjarige 1] zal vragen.
De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. Nu het ter gelegenheid van de zitting is gebleken dat partijen het niet met elkaar eens kunnen worden over (de invulling van) extra contactmomenten tussen de man en de minderjarigen, zal de rechtbank, om te voorkomen dat de minderjarigen hier nog meer de dupe van worden, het volgende bepalen:
- Beide minderjarigen en de man zijn naast de reguliere verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd tot het hebben van ieder zes (dus in totaal voor beide minderjarigen twaalf) extra contactmomenten gedurende een dag(deel), welke contactmomenten uiterlijk zeven dagen van te voren door partijen worden afgesproken en welke eventueel in onderling overleg van partijen zijn uit te breiden in frequentie.
De rechtbank acht deze invulling van de extra contactmomenten in het belang van de minderjarigen, zodat zij ofwel elke twee maanden apart ofwel elke maand samen een extra contactmoment met hun vader kunnen hebben. Het is nu verder aan ouders om hun verantwoordelijkheid ten aanzien van de minderjarigen te nemen en constructief met elkaar te (gaan leren) communiceren en samenwerken, zodat zij eventuele verdere afspraken (weer) zelf kunnen gaan maken.
Uitvoerbaar bij voorraad
De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard omdat het in het belang van de minderjarigen is dat de beslissing direct in werking zal treden, ongeacht een eventueel hoger beroep tegen de beslissing.
5 De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 4 april 2024 vastgelegde zorgregeling als volgt:
bepaalt dat tussen de man en de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] een zorgregeling zal gelden, waarbij:
-
De minderjarigen bij de man verblijven in de oneven weken van vrijdagmiddag uit school/BSO tot en met zondagavond 17:00 uur;
-
Beide ouders voortaan in het kader van de omgang tussen de minderjarigen en de man afwisselend het vervoer van de minderjarigen op vrijdagavond naar [plaats 2] op zich zullen nemen;
-
De man in het kader van deze omgang (al) het vervoer van de minderjarigen op zondagavond naar [plaats 3] op zich zal nemen.
-
Beide minderjarigen en de man naast de reguliere verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van ieder zes (dus in totaal voor beide minderjarigen twaalf) extra contactmomenten gedurende een dag(deel), welke contactmomenten uiterlijk zeven dagen van te voren door partijen worden afgesproken en welke eventueel in onderling overleg van partijen zijn uit te breiden in frequentie.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, voorzitter tevens (kinder)rechter, mr. Dijkman en mr Van der Pols, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Haas, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.