RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/447998 / FA RK 26-2391
datum uitspraak: 21 juli 2026
beschikking betreffende voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M. Kalle te Middelburg,
en
[de vrouw] ,
wonende te [plaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A.J.C. van Bemmel te Rotterdam.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 29 april 2026 ontvangen verzoekschrift treffen voorlopige voorzieningen met bijlagen;
- het op 3 juli 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken met bijlage;
- het F-formulier van mr. Kalle van 3 juli 2026 met bijlage.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 8 juli 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad. Tijdens de zitting was met toestemming van alle aanwezigen ook aanwezig mevrouw [persoon] , mediator, in verband met de pilot “piketmediator op zitting” bij deze rechtbank.
1.3. Na te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt en op 7 juli 2026, ieder afzonderlijk, een gesprek gehad met de kinderrechter. [minderjarige 2] heeft ervoor gekozen de kinderrechter ook een brief te sturen.
2 De feiten
Partijen zijn op [datum] 2006 te [plaats 3] met elkaar gehuwd.
Partijen hebben de volgende nu nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2014 te [geboorteplaats] .
De Raad heeft op 16 juni 2026 een verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ingediend (bekend onder zaaknummer C/02/449273 / JE RK 26-26-1039). Dit verzoek wordt door de kinderrechter behandeld op de zitting van 28 juli 2026.
Tussen partijen is nog geen echtscheidingsprocedure aanhangig.
3 De verzoeken
De man verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in het kader van voorlopige voorzieningen:
-
de voornoemde minderjarigen aan de man toe te vertrouwen;
-
te bepalen dat de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning gelegen te [plaats 1] , aan [adres] , en de vrouw opdracht te geven voornoemde woning te verlaten en deze niet meer te betreden.
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man met betrekking tot de toevertrouwing van de kinderen en het uitsluitend gebruik van de woning en vraagt de rechtbank de man niet ontvankelijk te verklaren in deze verzoeken, althans deze verzoeken af te wijzen.
Bij wege van zelfstandige verzoeken verzoekt de vrouw de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
A. een zorgregeling tussen [minderjarige 2] en de vrouw vast te stellen waarbij:
gedurende de eerste 6 weken na datum beschikking eens per 14 dagen een dagdeel per zondag begeleid door familie, althans een dagdeel per week begeleiding met jeugdhulp;
gedurende 6 weken na datum beschikking eens per 14 dagen op zondag, begeleid door familie;
daarna gedurende 2 maanden een zondag per 14 dagen, begeleid door familie;
aansluitend eens per 14 dagen van zaterdagmiddag tot zondagavond;
waarbij indien en voor zover de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, de GI de omgang begeleidt en zo nodig bijstelt;
een informatieregeling vast te stellen, inhoudende dat de man de vrouw eenmaal per week althans per 14 dagen schriftelijk informeert omtrent gewichtige aangelegenheden van de kinderen;
te bepalen dat de man gehouden is om eenmaal per maand actuele foto’s van de minderjarigen aan de vrouw te doen toekomen.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.
3 De beoordeling
Het gebruik van de echtelijke woning
Ter onderbouwing van zijn verzoek tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning heeft de man aangevoerd dat het belangrijk is dat de vrouw, die nu bij haar zus in [plaats 2] verblijft, niet meer in de echtelijke woning komt. Dat verstoort de rust en die rust is in het belang van de kinderen.
De vrouw heeft zich in eerste instantie op het standpunt gesteld dat het verzoek van de man moet worden afgewezen bij gebrek aan belang en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De vrouw is al, overigens op heel ongepaste wijze, de toegang tot de woning ontzegd doordat de man alle sloten heeft vervangen. De vrouw wil ook niet terugkeren in de echtelijke woning. Zij ervaart de omgeving van [plaats 1] als onvoldoende veilig en woont nu bij familie in [plaats 2] . Tijdens de zitting is namens de vrouw echter aangegeven dat zij geen bezwaar meer heeft tegen toewijzing van het verzoek van de man.
De rechtbank zal, nu tijdens de zitting namens de vrouw is verklaard dat de vrouw haar (formele) bezwaar tegen toewijzing van het verzoek van de man tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning niet langer handhaaft, het verzoek van de man tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
De toevertrouwing van de minderjarigen
Ter onderbouwing van zijn verzoek om de minderjarigen aan hem toe te vertrouwen heeft de man, samengevat, het volgende aangevoerd. De problematiek van de vrouw leidt al langere tijd tot spanningen in het gezin van partijen waarbij hulpverlening van de gemeente en Veilig Thuis betrokken is. De Raad heeft inmiddels een beschermingsonderzoek gedaan en een verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ingediend. De rust moet worden hersteld door de minderjarigen aan de man toe te vertrouwen. Dit is in het belang van de kinderen. Ondanks dat [minderjarige 2] doordeweeks bij familie verblijft is het ook in zijn belang dat hij wordt toevertrouwd aan de man. Mocht de vrouw zich niet aan de afspraken over de contactmomenten met [minderjarige 2] houden dan is duidelijk en staat vast dat [minderjarige 2] naar de man moet terugkeren.
De vrouw heeft als verweer tegen het verzoek van de man aangevoerd dat dit verzoek moet worden afgewezen bij gebrek aan belang. Zij heeft daartoe het volgende naar voren gebracht. [minderjarige 1] is inmiddels 17 jaar en mag zelf kiezen waar zij woont. Dat heeft zij ook gedaan en daar is geen discussie over tussen partijen. Bij [minderjarige 2] ligt dat anders. [minderjarige 2] verblijft slechts in de weekenden bij de man en verblijft op doordeweekse dagen bij familie. De man is op doordeweekse dagen in verband met zijn werk niet beschikbaar voor [minderjarige 2] . De man draagt dus niet de volledige zorg over [minderjarige 2] . [minderjarige 2] staat ingeschreven op het adres van de echtelijke woning en dat is voor nu voldoende.
De Raad heeft tijdens de zitting, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Zoals ook uit het Raadsrapport blijkt is het in het belang van [minderjarige 2] dat hij meer tijd bij de man gaat doorbrengen dan alleen de weekenden. [minderjarige 2] verblijft echter nog altijd vaker bij de man dan dat hij contact heeft met de vrouw. Daarom ligt het in de lijn der verwachting dat [minderjarige 2] wordt toevertrouwd aan de man. De man heeft echter wel hulp nodig en moet leren meer tijd beschikbaar te zijn voor [minderjarige 2] maar ook [minderjarige 1] . Dit laat echter onverlet dat toevertrouwing van de minderjarigen aan de man op dit moment voor de hand ligt.
De rechtbank stelt voorop dat de beschikking waarbij de rechter voor de duur van het geding bepaalt aan wie van de echtgenoten ieder van hun kinderen zal worden toevertrouwd, geen verdere strekking heeft dan dat de in die beschikking aangewezen ouder tijdelijk zorg dient te dragen voor de dagelijkse verzorging en opvoeding van het kind. Die ouder wordt dan belast met de feitelijke zorg. Dit staat los van het ouderlijk gezag, dat de ouders, indien zij dat gezamenlijk hadden, gezamenlijk blijven uitoefenen.
De vrouw heeft aangevoerd geen inhoudelijk verweer te voeren tegen het verzoek van de man om beide minderjarigen aan hem toe te vertrouwen, maar is van oordeel dat dit verzoek belang mist. Voor zover de vrouw dit verweer ter zitting (ook) ten aanzien van [minderjarige 1] heeft gehandhaafd, overweegt de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat [minderjarige 1] bij de man in de echtelijke woning verblijft en dat de man de hoofdverzorger is van haar. Tussen de vrouw en [minderjarige 1] is op dit moment niet of nauwelijks (fysiek) contact. De man is derhalve uitsluitend belast met de feitelijke zorg voor [minderjarige 1] . Om die reden zal de rechtbank het verzoek van de man ten aanzien van [minderjarige 1] toewijzen. Dat de vrouw - op dit moment - kan instemmen met deze gang van zaken betekent, anders dan de vrouw meent, niet dat de man geen belang heeft bij dit verzoek. Met de onderhavige beschikking is duidelijk en staat vast welke ouder voor de duur van de echtscheidingsprocedure belast is met de zorg voor [minderjarige 1] .
Wat [minderjarige 2] betreft staat vast dat hij - anders dan [minderjarige 1] - niet volledig bij de man in de echtelijke woning verblijft. Uit de toelichting van partijen begrijpt de rechtbank dat [minderjarige 2] van vrijdag tot maandagochtend bij de man verblijft en voorts gedurende twee doordeweekse avonden per week voor het avondeten. De rest van de tijd verblijft [minderjarige 2] bij zijn oom en tante (vz). [minderjarige 2] staat ingeschreven op het adres van de echtelijke woning. Anders dan de vrouw meent, staat het doordeweekse verblijf bij zijn oom en tante niet in de weg aan toevertrouwing van [minderjarige 2] aan de man. Daargelaten dat de man in deze situatie nog steeds een substantieel deel van de feitelijke zorg en opvoeding van [minderjarige 2] voor zijn rekening neemt, is niet in geschil is dat deze situatie een ‘noodoplossing’ is als gevolg van het (feitelijk) uiteengaan van partijen en dat in zoverre ook sprake is van een tijdelijke situatie. Tijdens de zitting heeft de man verder opgemerkt dat hij in overleg met zijn werkgever probeert om zijn werktijden aan te passen aan de zorg voor [minderjarige 2] . Tegen deze achtergrond zal de rechtbank het verzoek van de man ook ten aanzien van [minderjarige 2] toewijzen.
De verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Ter onderbouwing van haar zelfstandig verzoek tot het vaststellen van een voorlopige zorgregeling (met opbouw) tussen haar en [minderjarige 2] heeft de vrouw, samengevat, het volgende aangevoerd. Er vindt nu één keer per drie weken een uur omgang plaats tussen de vrouw en [minderjarige 2] . Deze contactmomenten wordt begeleid door [hulpverlening] en de oom of tante (vz) bij wie [minderjarige 2] doordeweeks verblijft. Er wordt onvoldoende gewerkt aan het behoud en de versterking van de band tussen de vrouw en [minderjarige 2] . De vrouw wenst dan ook uitbreiding van dit contact. De contacten tussen de vrouw en [minderjarige 2] verlopen goed. Er is dan ook geen contra-indicatie om, zoals door de vrouw verzocht, de contactmomenten bij deze beschikking met een eerste stap uit te breiden naar begeleide omgang gedurende één dagdeel per veertien dagen. Er zal binnenkort een ondertoezichtstelling worden uitgesproken, dus ook van daaruit zal door de GI meegekeken kunnen worden naar het verloop van de contacten tussen [minderjarige 2] en de vrouw. Ook de Raad benadrukt in zijn rapport dat de omgang tussen de vrouw en de minderjarigen op termijn zoveel mogelijk genormaliseerd moet worden, eerst onder begeleiding en dat van daaruit stapsgewijs moet worden toegewerkt naar onbegeleide contactmomenten.
De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw en vraagt de rechtbank dit verzoek af te wijzen, dan wel zodanig toe te wijzen dat het aan de hulpverlening is om de frequentie en duur van de omgangscontacten tussen de vrouw en [minderjarige 2] vast te stellen. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De contactmomenten tussen de vrouw en [minderjarige 2] verlopen goed. De man vindt het prima als [minderjarige 2] contact heeft met zijn moeder, maar is van mening dat de opbouw in duur en frequentie van deze contactmomenten moet worden overgelaten aan de op dit moment bij het gezin van partijen betrokken hulpverlening in het vrijwillig kader en nadien, zodra de ondertoezichtstelling is uitgesproken, aan de hulpverlening in het gedwongen kader (de GI). Als de hulpverlening vindt dat de contactmomenten kunnen worden uitgebreid, zal de man daar aan meewerken. Het is belangrijk dat de contacten tussen [minderjarige 2] en de vrouw vooralsnog onder begeleiding plaatsvinden, omdat er tijdens de contactmomenten soms loyaliteitskwesties worden besproken. De man hoopt dat het contact tussen de vrouw en [minderjarige 2] beter wordt.
De Raad heeft tijdens de zitting, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De band tussen de vrouw en [minderjarige 2] is verstoord geraakt door alles wat er is gebeurd ten gevolge van de problematiek van de vrouw. In het Raadsrapport is aangegeven dat één van de doelen van de ondertoezichtstelling moet zijn dat er sprake is van een betekenisvol contact tussen de kinderen en de ouders. De huidige contactregeling tussen de vrouw en [minderjarige 2] van begeleide omgang gedurende één uur per drie weken is erg mager. Het is belangrijk dat de omgang zoveel mogelijk genormaliseerd gaat worden. Dit is echter niet mogelijk vanuit de huidige minimale contactregeling tussen [minderjarige 2] en de vrouw. Gelet op dat wat [minderjarige 2] tijdens het Raadsonderzoek en kindgesprek heeft verklaard is het van belang dat de hulpverlening eerst een inschatting maakt of er draagkracht bij [minderjarige 2] bestaat om de contactmomenten met de vrouw op dit moment al uit te breiden in duur en/of frequentie. Dit traject kan in eerste instantie door [hulpverlening] in gang worden gezet en - nadat er een ondertoezichtstelling is - worden voortgezet door de GI. Het is van belang dat dit traject voortvarend wordt opgepakt door de hulpverlening.
De rechtbank overweegt als volgt. Op dit moment vindt er gedurende één uur per drie weken door [hulpverlening] en de oom of tante van [minderjarige 2] (vz) begeleide omgang plaats tussen de vrouw en [minderjarige 2] . Niet in geschil is tussen partijen dat deze contacten goed verlopen. Partijen en de Raad zijn het erover eens dat de huidige minimale contactregeling moet worden uitgebreid. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat het contact tussen de vrouw en [minderjarige 2] zoveel mogelijk genormaliseerd moet worden, maar dat dit niet mogelijk is vanuit de huidige minimale contactregeling van één uur per drie weken. Hoezeer de rechtbank de wens van de vrouw ook begrijpt, is de rechtbank evenals de Raad van oordeel dat het niet aan haar is om reeds nu bij beschikking een eerste uitbreiding van de huidige contactregeling vast te stellen, maar dat dit onder regie van de bij het gezin van partijen betrokken hulpverlening in het vrijwillig kader ( [hulpverlening] ) en nadien - nadat er een ondertoezichtstelling is - door de hulpverlening in het gedwongen kader (de GI) dient plaats te vinden. Gelet op wat [minderjarige 2] tijdens het Raadsonderzoek en kindgesprek heeft verklaard, dient allereerst door de hulpverlening te worden onderzocht of er draagkracht bij [minderjarige 2] bestaat voor uitbreiding van de contactregeling tussen hem en de vrouw en zo ja, wanneer en op welke wijze de huidige regeling in frequentie en duur moet worden uitgebreid, en wanneer en op welke wijze er stapsgewijs kan worden toegewerkt naar onbegeleid contact. Ook moet er vanuit de hulpverlening extra aandacht worden besteed aan de mogelijke weerstand van [minderjarige 2] tegen uitbreiding van de contacten met zijn moeder.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat er voorlopig in ieder geval gedurende één uur per drie weken door [hulpverlening] en de oom of tante van [minderjarige 2] (vz) begeleide omgang plaatsvindt tussen de vrouw en [minderjarige 2] , waarbij het in eerste instantie aan [hulpverlening] en nadien - als er een ondertoezichtstelling is - aan de hulpverlening in het gedwongen kader (de GI) is om te bepalen wanneer en op welke wijze de contactmomenten tussen de vrouw en [minderjarige 2] in frequentie en/of duur worden uitgebreid, en wanneer en op welke wijze stapsgewijs wordt toegewerkt naar onbegeleide contacten. Als overwogen, acht de rechtbank het met de Raad en partijen van groot belang dat het contact tussen [minderjarige 2] en de vrouw (en overigens ook tussen [minderjarige 1] en de vrouw) zo snel mogelijk wordt genormaliseerd. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat, zoals ook door de Raad geadviseerd, dit traject door de hulpverlening voortvarend wordt opgepakt, zodat uitbreiding van de contactregeling - indien verantwoord - zo spoedig mogelijk kan plaatsvinden.
Informatieregeling
De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoeken ten aanzien van een informatieregeling en het doen toekomen van foto’s. het volgende aangevoerd. Er wordt op dit moment al uitvoering gegeven aan een informatieregeling en ook worden er foto’s van de kinderen uitgewisseld, zodat niet valt in te zien waarom het door de vrouw verzochte niet kan worden vastgelegd.
De man heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij in samenspraak met [hulpverlening] wekelijks op zaterdag of zondag een e-mailbericht stuurt aan de vrouw over hoe het gaat met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat partijen ook wekelijks op woensdag met elkaar bellen over de kinderen. Hij ziet dan ook niet in welk belang de vrouw heeft bij haar verzoek met betrekking tot de informatieregeling, maar heeft desondanks geen bezwaar tegen toewijzing daarvan. De man heeft wel moeite met het verzoek van de vrouw om te bepalen dat hij gehouden is om één keer per maand actuele foto’s van de minderjarigen aan haar te doen toekomen en vraagt de rechtbank dit verzoek af te wijzen. De vrouw heeft elke drie weken fysiek contact met [minderjarige 2] en kan tijdens die contactmomenten wellicht zelf een foto van [minderjarige 2] maken. Overigens stuurt de man de door hem van [minderjarige 2] ontvangen foto’s altijd naar de vrouw door. Op de momenten dat [minderjarige 1] contact zoekt met de vrouw, kan de vrouw [minderjarige 1] zelf om een foto vragen. [minderjarige 1] heeft tijdens het kindgesprek dan wel verklaard over het algemeen geen bezwaar te hebben tegen het toesturen van foto’s aan de vrouw, maar de man voelt zich daar minder prettig bij.
De Raad heeft tijdens de zitting opgemerkt dat er kennelijk al informatie over de kinderen wordt uitgewisseld tussen partijen en dat het daarom geen kwaad kan om de door de vrouw verzochte informatieregeling vast te leggen. Ten aanzien van de uitwisseling van foto’s van de kinderen betwijfelt de Raad of het een goed moment dat de vrouw tijdens de contactenmomenten met [minderjarige 2] foto’s maakt van [minderjarige 2] .
De rechtbank zal, mede gelet op het advies van de Raad, de door de vrouw verzochte informatieregeling toewijzen, nu de man daartegen geen (inhoudelijk) verweer heeft gevoerd en partijen bovendien al uitvoering geven aan een dergelijke regeling.
De rechtbank acht het, gelet op de leeftijd van de minderjarigen en het feit dat zij elke drie weken fysiek contact heeft met [minderjarige 2] en het de bedoeling is dat dit contact wordt uitgebreid, niet nodig dat de man haar elke maand actuele foto’s van de minderjarigen doet toekomen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw aldus toewijzen dat zal worden bepaald dat de man, zoals hij nu al doet voor wat betreft de door hem van [minderjarige 2] ontvangen foto’s, de foto’s die hij van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontvangt aan de vrouw doorstuurt, tenzij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daartegen bezwaar hebben. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat het maar de vraag is of het contactmoment tussen de vrouw en [minderjarige 2] een geschikte moment is om een foto van [minderjarige 2] te maken en dat het, gelet op hun leeftijd en met name die van [minderjarige 1] , aan de minderjarigen zelf is om te beslissen of de man de door hem van de minderjarigen ontvangen foto’s mag doorsturen naar de vrouw.
Directe werking
Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft.
5 De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan [adres] te [plaats 1] , en beveelt - voor zover nodig - de vrouw die woning te verlaten en deze verder niet te betreden;
bepaalt dat aan de man worden toevertrouwd de minderjarigen:
1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 te [geboorteplaats] , en
2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2014 te [geboorteplaats] .
bepaalt dat de vrouw en voornoemde minderjarige [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2014 te [geboorteplaats] , in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar gedurende in ieder geval één uur per drie weken onder begeleiding van [hulpverlening] en de oom of tante van [minderjarige 2] (vz), waarbij het in eerste instantie aan [hulpverlening] en later - als er een ondertoezichtstelling is - de hulpverlening in het gedwongen kader (de GI) is om te bepalen wanneer en op welke wijze de contactmomenten tussen [minderjarige 2] en de vrouw in frequentie en/of duur worden uitgebreid, en wanneer en op welke wijze stapsgewijs wordt toegewerkt naar onbegeleide contacten, een en ander zoals in r.o. 3.14 overwogen;
bepaalt dat de man de vrouw eenmaal per week schriftelijk informeert over gewichtige aangelegenheden omtrent voornoemde minderjarigen en dat de man de door hem van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontvangen foto’s aan de vrouw doorstuurt, tenzij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daartegen bezwaar hebben;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Van ’t Veer-Bax, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.