ECLI:NL:RBZWB:2026:7916

Datum uitspraak
20-07-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/449772 / JE RK 26-1137
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/449772 / JE RK 26-1137

Datum uitspraak: 20 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, gevestigd te Etten-Leur,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat mr. S.O. Zengin uit ’s-Gravenhage,

[pleegouder 1] en [pleegouder 2],

hierna te noemen de pleegouders,

wonende in [woonplaats 2] .

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 juni 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • de pleegouders;

- een vertegenwoordiger van de GI.

De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan mevrouw V. Schellekens, begeleider van de moeder van Zorggroep Wonen en Leven.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.

[minderjarige] staat onder toezicht van de GI sinds 28 januari 2025. Bij beschikking van 23 januari 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 28 januari 2027 en is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 28 juli 2026.

2.3.

[minderjarige] verblijft in een (netwerk)pleeggezin.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoek het volgende aangegeven. De moeder toont stabiliteit en werkt constructief mee. Ze toont inzet in het behalen van de doelen van de ondertoezichtstelling. Er zijn daarnaast ook zaken die minder goed gaan. Op dit moment is er een NIKA-traject gaande. Tijdens dit traject zal er worden gekeken naar de ontwikkeling van [minderjarige] , de opvoedvaardigheden van de moeder en de belastbaarheid van de moeder. Dit traject is noodzakelijk, omdat er dan zicht komt op de hechtingsrelatie tussen de moeder en [minderjarige] . Daarnaast zal moeten blijken of de moeder nog aanvullende traumabehandeling nodig heeft. Aan de zijde van de moeder wordt er schadelijk oudergedrag geconstateerd. De moeder reageert onbewust vanuit haar eigen jeugdtrauma’s, hetgeen een negatief effect op [minderjarige] heeft. Er is nog ruimte nodig om de moeder te begeleiden, zodat een eventuele thuisplaatsing bij de moeder een goede kans van slagen heeft. Afgelopen periode is gezien dat het niet goed gaat met de ontwikkeling van [minderjarige] . Er zijn mogelijk signalen van trauma bij hem. Er zal moeten worden beoordeeld of aanvullende begeleiding en diagnostiek noodzakelijk is. Tijdens de aankomende periode van uithuisplaatsing zal moeten blijken of het perspectief bij de moeder ligt.

4.2.

De moeder heeft aangegeven dat zij instemt met het verzoek. Zij begrijpt dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] nog nodig is, omdat de hulpverlening nog noodzakelijk is. Ze betreurt het wel dat [minderjarige] nog niet terug kan naar huis. De moeder werkt goed mee aan het NIKA-traject. Dat door de GI voor haar nog onbekende informatie over het NIKA-traject ter zitting naar voren is gebracht en de GI bij het aanstellen van de nieuwe jeugdbeschermer de opbouw van de omgangsregeling on hold heeft gezet, vindt zij niet goed voor de samenwerking tussen haar en de GI. De moeder heeft afgelopen december een tweede kindje gekregen. Dit kindje woont bij haar thuis en is niet onder toezicht gesteld, omdat de thuissituatie van de moeder stabiel is. Voor [minderjarige] is het mogelijk wel lastig dat de baby bij zijn moeder mag blijven en hij na afloop van de omgangsregeling niet.

4.3.

De pleegouders hebben bevestigd dat het momenteel niet zo goed gaat met het gedrag van [minderjarige] . Ze merken namelijk dat [minderjarige] op school veel frustratie toont. De pleegouders zullen tijdens de komende periode met behulp van pleegzorg en een gedragsdeskundige kijken hoe ze beter kunnen omgaan met het gedrag van [minderjarige] .

5 De beoordeling

5.1.

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding.1

5.2.

Op dit moment loopt er nog een NIKA-traject. Dit traject zal uitwijzen welke mogelijkheden er bestaan voor [minderjarige] wat betreft zijn perspectief en of er gewerkt kan worden aan een uitbreiding van de omgangsregeling met de moeder. Het is in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat hij gedurende dit traject uithuisgeplaatst blijft.

5.3.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (mevrouw [pleegouder 1] en de heer [pleegouder 2] ) met ingang van 28 juli 2026 tot 28 januari 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op schrift gesteld op 29 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »