ECLI:NL:RBZWB:2026:7763

Datum uitspraak
16-07-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/449539 / JE RK 26-1081
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming medische behandeling

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/449539 / JE RK 26-1081

Datum uitspraak: 16 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over vervangende toestemming medische behandeling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats 1],

advocaat: mr. J.L. Küppers-Van Duivenbooden te Breda,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats 2].

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 juni 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader (digitaal in verband met vakantie),

- de moeder met haar advocaat;

- een vertegenwoordiger van de GI.

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige] uitgenodigd zijn mening kenbaar te maken. [minderjarige] heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] woont bij zijn moeder.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij mondelinge uitspraak van 16 juli 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] (en zijn [broer]) verlengd tot 24 april 2027.

2.4.

De vader weigert de toestemming voor een medische behandeling van [minderjarige].

3 Het verzoek

De GI verzoekt de kinderrechter om -zo spoedig mogelijk- vervangende toestemming te verlenen voor het inzetten en voortzetten van noodzakelijke traumabehandeling voor [minderjarige] en voor het opvragen en uitwisselen van de noodzakelijke medische gegevens voor de uitvoering van de traumabehandeling en de beoordeling van de ontwikkelingsproblematiek van [minderjarige] (hierna te noemen de traumabehandeling). De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

De GI onderbouwt het verzoek als volgt. Binnen de hulpverlening is vastgesteld dat er bij [minderjarige] sprake is van een pre-verbaal trauma. Naar aanleiding daarvan is traumabehandeling geïndiceerd. Uit het psychodiagnostisch verslag dat is opgesteld door [het psychologisch centrum] komt naar voren dat bij [minderjarige] sprake is van zorgwekkend gedrag en van signalen die passend zij bij traumagerelateerde problematiek. [minderjarige] heeft moeite met emotieregulatie, raakt snel overprikkeld, houdt spanning vast in contactmomenten en komt maar beperkt tot rust en ontspanning. Verder worden zorgen gezien in de sociale en emotionele ontwikkeling van [minderjarige]. Er moet zo goed mogelijk gekeken worden hoe [minderjarige] zich gezien zijn problematiek toch zo goed mogelijk kan ontwikkelen. Als er geen behandeling wordt gestart raakt dit hem op diverse leefgebieden. Zonder behandeling bestaat het risico op verdere stagnatie in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling, toenemende gedrags- en emotieregulatieproblemen, versterking van gevoelens van onveiligheid en wantrouwen, problemen in de hechtingsontwikkeling toenemende spanning binnen ouder-kindcontacten, moeilijkheden in het functioneren thuis en op school, langdurige psychische klachten op latere leeftijd en verergering van bestaande traumaklachten. Het baart de GI grote zorgen dat de vader eenzijdig heeft besloten dat de behandeling moet stoppen, terwijl de betrokken professionals unaniem aangeven dat voortzetting noodzakelijk is in het belang van [minderjarige].

Verder geldt dat nader onderzoek naar mogelijke ADHD-problematiek en eventuele medisch behandeling (medicatie) op dit moment bewust wordt uitgesteld door [het psychologisch centrum] totdat de traumabehandeling heeft plaatsgevonden of in ieder geval voldoende is opgestart. Dit omdat traumagerelateerde klachten en gedragingen overlap kunnen vertonen met ADHD-symptomen. Als komt vast te staan dat [minderjarige] ADHD heeft, dan kan [minderjarige] starten met medicatie. Die medicatie zou een positief effect kunnen hebben op de epilepsie van [minderjarige]. Er is dus sprake van een behandelplan dat uit meerdere fases bestaat en waarbij de eerste stap de traumabehandeling is. Ondanks herhaalde uitleg vanuit de GI en vanuit de betrokken hulpverlening toont de vader onvoldoende inzicht in de problematiek van [minderjarige] en in hetgeen [minderjarige] nodig heeft om zich veilig en gezond te kunnen ontwikkelen.

4.2.

Door en namens de moeder wordt aangevoerd dat voor haar vaststaat dat [minderjarige] de geadviseerde behandeling nodig heeft. De moeder vindt de behandeling van [minderjarige] heel erg belangrijk. Er is een psychodiagnostisch onderzoek uitgevoerd door [het psychologisch centrum]. Op basis van dat onderzoek is een behandelplan opgesteld. De moeder licht toe dat de traumabehandeling een onderdeel is in een groter plan van aanpak. Nadat de traumabehandeling is geweest kan onderzocht worden of er sprake is van ADHD. De uitkomst van dat onderzoek is weer van belang voor de epilepsie die [minderjarige] heeft. Er zijn bij de moeder zorgen omdat de vader niet herkent wat er daadwerkelijk aan de hand is met [minderjarige] en zich daardoor ook niet aan gemaakte afspraken houdt. Als voorbeeld noemt de moeder de afspraak dat [minderjarige] niet buiten aanwezigheid van een meerderjarige buiten mag spelen.

4.3.

De vader is het niet eens met het verzoek van de GI. De vader heeft geen vertrouwen in [het psychologisch centrum]. Hij vindt dat [het psychologisch centrum] niet handelt in het belang van het kind. Volgens de vader is [minderjarige] veel te jong voor de geadviseerde traumabehandeling. [minderjarige] is nog te veel bezig met zijn epilepsie. Als je [minderjarige] een vraag stelt, heeft hij wel 10 seconden nodig voordat de vraag bij hem binnenkomt. Er zijn volgens de vader ook meerdere andere mensen die [minderjarige] van dichtbij meemaken die zeggen dat het nog te vroeg is voor de traumabehandeling. De mensen waarop de vader doelt zijn mensen uit de familiekring, waaronder zijn ouders. De ouders van de vader zijn aanwezig geweest bij de uitleg van [het psychologisch centrum] en ook zij zijn van mening dat [minderjarige] nog niet klaar is voor de traumabehandeling. De vader verwacht dat de traumabehandeling plaats kan vinden als [minderjarige] elf jaar is. De vader is bang dat een traumabehandeling op dit moment zelfs nadelig zou kunnen zijn voor [minderjarige]. De vader wil dat FACT hierbij wordt betrokken.

5 De beoordeling

5.1.

Het verzoek van de GI is gebaseerd op artikel 1:265h van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW). Volgens het eerste lid van deze bepaling kan als een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid af te wenden en een ouder die het gezag uitoefent zijn toestemming daarvoor weigert, deze toestemming op verzoek van de gecertificeerde instelling worden vervangen door die van de kinderrechter.

5.2.

Uit de inhoud van de stukken en de standpunten van partijen is de kinderrechter het volgende gebleken. Bij [minderjarige] is pre-verbaal trauma vastgesteld. Door [het psychologisch centrum], een psychologisch centrum voor onderzoek en behandeling, is een behandelplan opgesteld dat niet alleen ziet op de traumabehandeling, maar ook op verdere diagnostiek en behandeling voor [minderjarige]. De traumabehandeling is de eerste stap in dit behandelplan. De moeder is het eens met de traumabehandeling. Hoewel de GI en de betrokken hulpverlening de vader meerdere malen heeft verzocht om toestemming voor de behandeling te geven en hem daarbij over de behandeling informatie gegeven, weigert de vader zijn toestemming te geven. Ook tijdens de zitting blijft de vader, zoals uit rechtsoverweging 4.3. blijkt, vasthouden aan zijn weigering.

De kinderrechter geeft de vervangende toestemming voor de traumabehandeling. Zij is van oordeel dat de noodzaak tot het uitvoeren van de traumabehandeling door de GI voldoende is onderbouwd door overlegging van het psychodiagnostisch onderzoeksrapport van [het psychologisch centrum]. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat de traumabehandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van [minderjarige] af te wenden. De kinderrechter heeft de bezwaren van de vader meegewogen in haar oordeel. Deze bezwaren overtuigen de kinderrechter echter niet. De mening van de vader en de mensen uit de familiekring (die geen zorgprofessionals zijn, althans daarvan is niet gebleken) wegen niet op tegen de adviezen van zorgprofessionals die zijn gegeven na de afname van meerdere uitvoerige tests en onderzoeken. Uit de rapportage blijkt dat [minderjarige] ten tijde van de tests en onderzoeken 7 jaar was. De kinderrechter gaat er zonder twijfel vanuit dat de zorgprofessionals ook aandacht hebben gehad voor de leeftijd van [minderjarige] en dat zij gezien de gegeven adviezen geen belemmering zien in de leeftijd van [minderjarige] voor het uitvoeren van de traumabehandeling. De kinderrechter ziet ook geen aanleiding de GI opdracht te geven om FACT te benaderen en bij deze kwestie te betrekken. Dat zou naar haar oordeel van leiden tot een herhaling van zetten en tot onnodige en onwenselijke vertraging.

5.3.

Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:265h BW en zij zal daarom de benodigde toestemming van de vader in het belang van [minderjarige] vervangen, zodat de voormelde behandeling voor hem kan worden ingezet.

5.4.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent vervangende toestemming, ter vervanging van de toestemming van de vader, voor het inzetten en voortzetten van noodzakelijke traumabehandeling voor [minderjarige] en voor het opvragen en uitwisselen van de noodzakelijke medische gegevens voor de uitvoering van de traumabehandeling en de beoordeling van de ontwikkelingsproblematiek van [minderjarige];

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van den Broek, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier en op schrift gesteld op 30 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »