RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448545 / JE RK 26-905
Datum uitspraak: 14 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT, locatie Middelburg,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M. Kalle uit Middelburg,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. M.V. de Nooijer uit Middelburg,
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen de GI,
gevestigd te Middelburg.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 mei 2026;
- het aangepaste verzoekschrift van de Raad van 7 juli 2026 met als bijlage het raadrapport d.d. 6 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , gezien zijn leeftijd, naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Bij beschikking van 15 april 2026 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 15 april 2026 en tot 15 juli 2026.
Bij vonnis van 20 april 2026 is de vader door de voorzieningenrechter veroordeeld om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] af te geven aan de vrouw, waarbij geldt dat de GI beslist over de concrete wijze waarop de kinderen weer naar de vrouw zullen gaan, zo spoedig mogelijk dan wel uiterlijk binnen 5 dagen na afgifte van de beschikking.
Bij beschikking van 26 juni 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 30 juni 2026 en tot 15 juli 2026, onder afwijzing van het restantverzoek.
Op grond van de voornoemde machtiging verblijft [minderjarige 1] in een pleeggezin. [minderjarige 2] woont bij de moeder.
3 Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad, na wijziging van zijn aanvankelijke verzoek, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van zes maanden. Tot slot verzoekt de Raad de te geven beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
De Raad vindt het noodzakelijk dat er een definitieve ondertoezichtstelling komt, zodat vanuit het gedwongen kader met ouders verder gewerkt kan worden aan de doelen die door de Raad zijn opgesteld om de zorgen die de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig bedreigen zoveel mogelijk weg te kunnen nemen. Het vrijwillig kader is niet meer toereikend gebleken, waardoor de Raad er geen vertrouwen in heeft dat het de ouders zonder sturing samen gaat lukken. Een ondertoezichtstelling is noodzakelijk om patronen te doorbreken en om de ontwikkeling van de kinderen goed op te volgen. Daarnaast vindt de Raad dat het verblijf van [minderjarige 1] in het huidige pleeggezin moet worden voortgezet. [minderjarige 1] heeft veel meegemaakt, waardoor hij meer dan gemiddelde behoeften heeft in zijn opvoeding. [minderjarige 1] heeft een veilige opvoedomgeving nodig waarin adequaat wordt aangesloten bij zijn opvoedbehoeften en waar hij tot rust kan komen. Het is daarbij belangrijk dat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid komt over zijn perspectief en het contact met zijn beide ouders, want [minderjarige 1] heeft hier behoefte aan. Volgens de Raad is hier nog niet veel duidelijkheid over. Het is dan ook belangrijk dat de GI dit goed en snel gaat oppakken. Het lijkt de Raad goed dat de GI informatie gaat opvragen bij [ggz-instelling] , zoals door de vader is voorgesteld. Daarmee wordt mogelijk meer inzicht verkregen op de beleving van de vader en of die klopt met de feiten.
De moeder is het eens met de verzoeken van de Raad. Dit is nodig, want de kinderen hebben meer hulp nodig dan zij als moeder hen kan bieden. De moeder wil niet ingaan op wat er allemaal tussen haar en de vader is gebeurd, maar zij hoopt dat vader zich realiseert wat hij teweeg heeft gebracht. Voorkomen moet worden dat het zich gaat herhalen, want de moeder ziet nog geen enkel besef aan vaderskant. De moeder vindt dat dit er wel moet zijn alvorens gestart kan worden met het contactherstel, want de uitspraken die de vader heeft gedaan baart de moeder ernstige zorgen over het psychisch welzijn van de vader. De moeder verwacht niet dat de situatie binnen een korte periode opgelost zal zijn. Zij verzoekt dan ook om de ondertoezichtstelling voor de verzochte periode toe te wijzen. Ten aanzien van de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] stelt de moeder dat deze voorlopig voortgezet moet worden. Zij ziet dat [minderjarige 1] rustig wordt. Binnenkort komt hij een middagje naar huis. De moeder vindt het wel zorgelijk dat er nog geen afspraken zijn voor het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat de focus vooral lijkt te gaan naar [minderjarige 1] . De kinderen hebben elkaar al lang niet gezien en voorkomen moet worden dat zij elkaar kwijt raken.
De vader stond achter de voorlopige ondertoezichtstelling. Hierna zijn er veel dingen gebeurd en heeft hij meer zorgen dan ervoor. De vader heeft inmiddels beide kinderen lange tijd niet gezien. De vader is blij dat er nu gewerkt gaat worden aan het contactherstel. De vader voelt zich alleen staan in zijn zorgen en heeft moeite met het beeld dat over hem geschetst wordt. Hij ervaart dat de GI vooral kritisch is naar hem, terwijl hij probeert aan alles mee te werken. Het zou fijn zijn als de GI actief informatie over hem gaat inwinnen bij zijn behandelaar van [ggz-instelling] . De GI is minder kritisch naar moeder, terwijl [minderjarige 2] daar nog woont. De vader zou graag zien dat de GI goed onderzoek gaat doen naar de situatie bij beide ouders. De vader wil graag aantonen dat zijn opvoedsituatie veilig is en dat hij [minderjarige 1] niet beïnvloedt. De vader vindt de ondertoezichtstelling noodzakelijk, met daarbij wel de kanttekening dat hij niet tevreden is hoe de ondertoezichtstelling nu verloopt. Hij verzoekt daarom om de ondertoezichtstelling toe te wijzen voor de duur van zes maanden, onder aanhouding van het restantverzoek. Op deze manier kunnen de ontwikkelingen opgevolgd worden. Wat de vader betreft kan de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verlengd worden met daarbij ook een kanttekening, in die zin dat de GI gaat onderzoeken of [minderjarige 1] bij de vader kan gaan wonen.
De GI vindt net als de Raad een ondertoezichtstelling noodzakelijk. Het is nog onduidelijk wat er zich allemaal heeft afgespeeld tussen de ouders. Er wordt door ouders veel over en weer gezegd. De GI vindt het opmerkelijk dat de kinderen vooral aangeven dat zij veel last hebben van de uitspraken van vooral de vader over de moeder en dat zij daarbij betrokken worden. Met name [minderjarige 1] heeft dit geraakt en dit heeft zijn weerslag gehad op zijn gedrag. Daarom is het ook nodig geweest om [minderjarige 1] uit de situatie te halen en niet binnen het netwerk te plaatsen. [minderjarige 2] doet het naar omstandigheden goed bij de moeder, maar geeft nu aan dat zij niet meer naar haar vader wil. Het is belangrijk dat door het opstarten van begeleide omgang zij de gelegenheid krijgt om het negatieve beeld dat zij op dit moment heeft van haar vader bij te stellen. De GI zal zich inspannen om [minderjarige 2] hierin mee te krijgen. Voorts benoemt de GI dat zij voornemens is om in beide opvoedsituaties hulpverlening in te zetten, zodat bezien kan worden wat de ouders nodig hebben in de opvoeding van de kinderen. Vanuit daar kan bezien worden welke situatie het beste is voor de kinderen.
[minderjarige 1] heeft de kinderrechter verteld dat het op zich goed met hem gaat in het pleeggezin. Het wordt rustiger in zijn hoofd. Doordat hij in het pleeggezin is gaan wonen, is hij gewisseld van school. Dit is best goed gegaan. Hij heeft inmiddels wat vrienden gemaakt. [minderjarige 1] heeft verteld dat hij zijn ouders, broertje en zusje mist. Hij heeft inmiddels met beide ouders contact gehad en opa en oma hebben hem een brief geschreven. Het liefst wil [minderjarige 1] weer thuis wonen en dat zijn ouders weer normaal gaan doen. Daarmee bedoelt hij dat er aandacht voor hem is en dat zijn ouders niet meer praten over de andere ouder. Dit moet stoppen.
5 De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan1 alsook dat de uithuisplaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding2 van [minderjarige 1] is. De kinderrechter zal de verzoeken van de Raad toewijzen en legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt naar het oordeel van de kinderrechter ernstig bedreigd, omdat zij opgroeien in een opvoedomgeving waarbij de ouders ernstige zorgen uitspreken over elkaars opvoedsituatie. De ouders hebben een groot wantrouwen naar elkaar en kennen tegengestelde visies. De kinderen worden door de ouders in hun strijd betrokken en hebben aangegeven uitspraken te moeten doen naar de andere ouder, ondanks dat die uitspraken niet overeenkomen met hun eigen ervaringen. De kinderen woonden aanvankelijk bij de moeder en de vader heeft vanwege verontrustende signalen de kinderen niet laten terugkeren naar de moeder en aangifte gedaan bij de zedenpolitie. In het daarop volgend kort geding is de vader bevolen de kinderen af te geven aan de moeder. Vanwege de ernstige zorgen die door beide ouders over de ander zijn aangevoerd is tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding de voorlopige ondertoezichtstelling uitgesproken. De vader benoemt zorgen omtrent mishandeling en seksueel misbruik aan de zijde van de moeder, de moeder benoemt verwardheid van de vader en isolatie van de kinderen door de vader. Tot op heden is er onvoldoende zicht verkregen op de opvoedomgeving van beide ouders en de beleving van de kinderen. [minderjarige 1] heeft in de thuissituatie van de moeder zorgwekkend, opstandig en grensoverschrijdend gedrag laten zien, waardoor het eind juni 2026 noodzakelijk is gebleken om [minderjarige 1] tijdelijk uit de situatie te halen. Hij verblijft sindsdien in een neutraal pleeggezin, waar hij inmiddels tot rust lijkt te komen. Omdat in de afgelopen periode vooral de focus heeft gelegen op de zorgen rondom [minderjarige 1] , lijkt [minderjarige 2] in dit alles onderbelicht gebleven en is niet duidelijk welke impact dit alles op haar heeft gehad. Zorgelijk is wel dat zij inmiddels aangeeft niet meer naar de vader te willen.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Hulpverlening vanuit een gedwongen kader is nodig om de regie te voeren, de ouders te kunnen sturen en ook om patronen te kunnen doorbreken. Met de Raad heeft de kinderrechter er geen vertrouwen in dat de ouders dit vanuit een vrijwillig kader samen gaan oplossen.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter zal deze maatregel verlenen voor de duur van een jaar. Ook is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige 1] op dit moment niet naar huis kan en dat het in het belang van zijn verzorging en opvoeding nodig is om het verblijf in het pleeggezin voort te zetten. In dit kader is het van belang dat er eerst zicht wordt verkregen op de opvoedsituaties van beide ouders en daarmee het perspectief van [minderjarige 1] . De kinderrechter zal daarom de daartoe strekkende machtiging voor de verzochte duur verlengen.
Binnen de ondertoezichtstelling dient er gewerkt te worden aan de doelen zoals opgenomen in het raadsrapport, te weten:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in (fysiek en emotioneel) veilige, stabiele en
voorspelbare opvoedingsomgevingen, waarbij ouders fysiek en emotioneel
beschikbaar zijn, er in hun specifieke opvoedbehoeften wordt voorzien, ouders
hen sensitief-responsief ouderschap bieden en zij zich kunnen richten op de
ontwikkelingstaken die bij zijn leeftijd passen;
- Er is voldoende zicht ontstaan op de beleving van de kinderen, waarbij zowel
[minderjarige 1] als [minderjarige 2] gesprekken hebben met een professional. Indien nodig, wordt
er bij [minderjarige 1] nader diagnostisch onderzoek verricht;
- De kinderen hebben met behulp van hulpverlening de gebeurtenissen verwerkt
en hun mentale problemen en gedragsproblemen (vnl. [minderjarige 1] ) zijn verminderd;
- Het contact tussen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en vader/moeder is hersteld en ouders
communiceren op een manier die geen stress en loyaliteitsproblemen bij hen
geeft;
- De kinderen worden niet langer belast met kindzorgen (zoals gevoelens van
onbegrip, verwarring, onrust, spanningen en angst);
- [minderjarige 1] heeft duidelijkheid verkregen over wanneer zijn (structurele) contacten
met ouders hervat worden;
-
[minderjarige 1] heeft duidelijkheid verkregen op zijn opgroeiperspectief;
-
Er is voldoende zicht ontstaan op de opvoedomgevingen van ouders en hun
opvoedvaardigheden;
- Er is voldoende zicht ontstaan op de psychische problematiek van vader en de
gevolgen hiervan op zijn opvoedvaardigheden en het bieden van een adequate
opvoedomgeving;
-
De draagkracht/draaglast van moeder is in balans;
-
De kinderen krijgen van ouders, op termijn, een gezamenlijk narratief/verhaal
aangeboden (dat door ouders vooraf is afgestemd), waarbij ouders vertellen over
de scheiding, het wisselen tussen opvoedomgevingen, eventuele spanningen en
ouderlijke kwetsbaarheden;
- Ouders blijven zich begeleidbaar opstellen en houden zich aan de gemaakte
afspraken.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.3
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de kinderen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 15 juli 2026 en tot 15 juli 2027;
verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 15 juli 2026 tot 15 januari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 24 juli 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.