RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/448490 / KG ZA 26-261
Vonnis in kort geding van 9 juli 2026
in de zaak van
[de man] ,
ingeschreven te [woonplaats] ,
eiser in conventie, gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. R.M. van Breemen te Rijen,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J. Nederlof te [woonplaats] .
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 en 2;
- de brief met producties 3 en 4 van mr. Van Breemen van 22 juni 2026;
- de brief waarin een vermeerdering van eis is genomen van mr. Van Breemen van 22 juni 2026;
- de conclusie van antwoord tevens inhoudende eis in reconventie met producties 1 tot en met 5;
- de brief waarin een vermeerdering van eis is genomen met producties 5 en 6 van mr. Van Breemen van 24 juni 2026.
De zaak is besproken op de zitting van 25 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn partijen verschenen, bijgestaan door hun advocaten en waarbij mr. Nederlof is waargenomen door kantoorgenoot mr. M.M.W. Essenstam.
2 De feiten
Tussen partijen staat het volgende vast:
-
zij zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 2009 tot [datum 2] 2025;
-
zij zijn gezamenlijk eigenaar van de voormalig echtelijke woning aan [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning);
-
bij echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 1 november 2024, welke ten aanzien van de schrijfwijze van de naam van de man is verbeterd bij beschikking van 3 april 2025, is onder meer beslist dat de vrouw jegens de man gerechtigd is tot het gebruik van de woning tot het moment waarop die woning wordt geleverd aan haar, de man of verkocht aan (een) derde(n), doch uiterlijk tot zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;
-
in voornoemde beschikking is de verdeling gelast op de wijze zoals volgt uit de rechtsoverwegingen 4.57 tot en met 4.77. Daaruit volgt (voor zover van belang) het volgende spoorboekje voor de woning:"(…)
- partijen verstrekken binnen één maand na de datum van deze beschikking aan [makelaar 1] de opdracht om te woning te taxeren. Deze taxatie dient vervolgens zo snel mogelijk plaats te vinden en is bindend tussen partijen;
- de vrouw dient vervolgens binnen één maand na de datum van het taxatierapport aan te tonen dat zij in staat is de toedeling van de echtelijke woning tegen de getaxeerde waarde aan haar te financieren, door overname van de hypothecaire geldleningen en hiervoor de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan. De vrouw dient dit aan te tonen door middel van een schriftelijke verklaring of een hypotheekofferte van een bank. (…);
- als de vrouw er niet (tijdig) in slaagt de echtelijke woning aan haar toegedeeld te krijgen, dient de man vervolgens binnen één maand na het bericht van de vrouw (dat zij de woning niet kan overnemen, dan wel binnen twee maanden na de datum van het taxatierapport) aan te tonen dat hij in staat is de toedeling van de echtelijke woning tegen de getaxeerde waarde aan hem te financieren, door overname van de hypothecaire geldleningen en hiervoor de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan. De man dient dit aan te tonen door middel van een schriftelijke verklaring of een hypotheekofferte van een bank. (…)
- als ook de man er niet (tijdig) in slaagt om de toedeling van de woning aan hem te financieren, zal de woning door partijen te koop worden aangeboden via de makelaar die voormelde taxatie heeft verricht. Partijen dienen hiertoe binnen één week na bericht van de man (dat hij de woning niet kan overnemen, dan wel binnen drie maanden na de datum van het taxatierapport) de makelaar de opdracht te geven. De aanwijzingen van deze makelaar zullen voor partijen leidend zijn voor het bepalen van de vraag- en laatprijs van de woning. De hypothecaire geldleningen en de verkoopkosten, waaronder de kosten voor de makelaar, zullen eerst van de verkoopopbrengst worden voldaan. Partijen zijn vervolgens ieder voor de helft gerechtigd tot de resterende overwaarde.” (…);
-
bij vonnis in kort geding van 17 februari 2026 is het gevorderde van de man in conventie en van de vrouw in reconventie, afgewezen. De vorderingen van partijen hadden over en weer betrekking op de woning en hadden de strekking om (ieder voor zich) nog een (extra) termijn te krijgen om alsnog de woning over te kunnen nemen;
-
de vrouw verblijft op dit moment met de minderjarige kinderen van partijen in de woning.
3 Het geschil
De man vordert, samengevat, na (twee keer) vermeerdering/aanvulling van eis, en naar de voorzieningenrechter begrijpt:
-
de vrouw te veroordelen om binnen één week na betekening van het vonnis aan [makelaar 2] te [woonplaats] de overeenkomst tot opdracht te verstrekken tot verkoop van de woning, waarbij de woning te koop wordt gezet voor het door de makelaar geadviseerde bedrag, met een laatprijs die de makelaar bindend voorstelt als partijen over de laatprijs twistpunt hebben, doch minstens een bedrag van € 360.000,=, met machtiging aan de man om namens de vrouw deze opdracht te verstrekken als de vrouw in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;
-
de vrouw te veroordelen tot het meewerken aan verkoop en levering aan de meest biedende op de woning, alsmede te bepalen dat het vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte strekkende tot ondertekening door de man van de koopovereenkomst, alsmede tot het notarieel transport van de woning als bedoeld in artikel 3:300 BW indien de vrouw weigerachtig blijft aan deze veroordeling te voldoen;
primair (ten aanzien van het gebruik van de woning tijdens het verkooptraject)
3. het exclusief gebruik van de woning tot het moment van notariële levering van de woning na verkoop;
4. de vrouw te verbieden de woning en het terrein (lees: “tuin” toevoeging voorzieningenrechter) daaromheen te betreden;
subsidiair (ten aanzien van het gebruik van de woning tijdens het verkooptraject):
5. te bepalen dat de vrouw de toegangssleutel van de woning aan de makelaar geeft op diens eerste verzoek, op straffe van een dwangsom van € 100,= per dag dat zij niet aan het betekende vonnis voldoet;
6. de vrouw te veroordelen de woning open te (laten) stellen voor bezichtigingen, het maken van foto’s en alles wat nodig is om de woning op een goede wijze te verkopen, op straffe van de in sub 5 genoemde dwangsom;
7. de man, dan wel de makelaar te machtigen zich toegang tot de woning te verschaffen, zo nodig door de sloten te vervangen, om zo de woning te kunnen betreden voor het maken van foto’s en de woning open te stellen voor bezichtigingen;
8. de vrouw te veroordelen de woning uiterlijk één week voor levering van de woning aan derden leeg en ontruimd en in goede staat ter beschikking te (laten) stellen en deze woning te verlaten en niet verder te betreden en de man te machtigingen de woning te ontruimen met behulp van de sterke arm, waarbij de kosten voor ontruiming voor rekening van de vrouw komen;
9. het vonnis uitvoerbaar bij vooraard te verklaren.
De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man. De vrouw vordert in reconventie, samengevat, en naar de voorzieningenrechter begrijpt:
primair ten aanzien van de woning:
-
de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan toedeling van de woning aan de vrouw tegen de door [makelaar 3] geschatte waarde;
-
de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan het omzetten van de hypotheek op naam van de vrouw, op eerste verzoek van de vrouw, door het plaatsen van zijn handtekening onder het omzettingsvoorstel zoals opgemaakt door de [hypotheekverstrekker] , en daarnaast op eerste verzoek van de vrouw, door het plaatsen van zijn handtekening onder het document zoals opgemaakt door de hypotheekverstrekker SVN waarbij de man akkoord geeft dat deze hypothecaire geldleningen worden omgezet op naam van de vrouw;
-
de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de levering van de woning aan de vrouw tegen de nog te taxeren waarde door [makelaar 3] , bij een door de vrouw aan te wijzen notaris die de dag en het tijdstip bepaalt;
-
te bepalen dat, indien de man niet tijdig voldoet aan hetgeen hierboven is gevorderd, dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 juncto 3:301 BW in de plaats treedt van de wilsverklaring van de man voor dat deel van de omzettingsverklaring en dat deel van de notariële akte van de levering, met bepaling dat de aldus opgemaakte akte rechtsgeldig kan worden overgeschreven in de daartoe bestemde registers;
-
te bepalen dat de man een dwangsom is verschuldigd van € 500,= per dag voor elke dag dat hij de bovengenoemde veroordelingen onder a. en b. niet nakomt, met een maximum van € 50.000,=;
-
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;
subsidiair ten aanzien van de woning:
te bepalen dat [makelaar 1] te [woonplaats] wordt belast met de verkoop van de woning;
te bepalen dat de man, binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, een schriftelijke bemiddelingsovereenkomst tot verkoop dient aan te gaan met [makelaar 1] te [woonplaats] ;
te bepalen dat de man de verkoopadviezen van [makelaar 1] op het eerste verzoek door de desbetreffende makelaar opvolgt, waaronder de adviezen ten aanzien van de te hanteren marktconforme vraag- en laatprijs, en alle medewerking zal verlenen aan die werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder de gelegenheid bieden voor het maken van foto's en bezichtigingen door de desbetreffende taxateur/makelaar met potentiële kopers, waarbij de woning in een zoveel mogelijk presentabele staat dient te verkeren;
te bepalen dat, indien partijen niet binnen twee weken na opdrachtverlening erin slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar de vraagprijs bindend voor partijen vaststelt;
te bepalen dat de man zijn medewerking dient te verlenen aan de ondertekening van een koopovereenkomst met daarin opgenomen de dag van levering van de woning aan koper(s), binnen vijf dagen na een daartoe strekkend verzoek van [makelaar 1] en de man te gelasten daartoe te verschijnen op kantoor van de makelaar op de door voornoemde makelaar bepaalde dag en uur en aldaar zijn toestemmende wilsverklaring onder de daartoe opgemaakte koopovereenkomst te plaatsen indien en voor zover de verkoop plaatsvindt tegen minimaal de door de makelaar bepaalde laatprijs, dan wel een door partijen overeengekomen andere laatprijs en waarbij de koopovereenkomst de - voor een woning als deze - gebruikelijke condities bevat;
de man te veroordelen medewerking te verlenen aan de levering van de woning aan koper(s) bij een door de kopers aan te wijzen notaris, welke notaris de dag en het tijdstip bepaalt;
te bepalen dat indien de man niet tijdig voldoet aan hetgeen hierboven (subsidiair) is gevorderd, dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 juncto 3:301 BW in de plaats treedt van de toestemmende wilsverklaring van de man voor dat deel van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, voor dat deel van de schriftelijke koopovereenkomst en voor dat deel van de notariële akte van de levering, met bepaling dat de aldus opgemaakte akte rechtsgeldig kan worden overgeschreven in de daartoe bestemde registers;
te bepalen dat de man een dwangsom is verschuldigd van € 500,= per dag voor elke dag dat hij de bovengenoemde (subsidiaire) veroordelingen niet nakomt, met een maximum van € 50.000,=;
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;
primair ten aanzien van het gebruik van de woning:
te bepalen dat de vrouw de woning tot het moment van notariële levering van de woning (aan haar danwel bij verkoop aan een derde) exclusief mag gebruiken, en om de man te verbieden de echtelijke woning en het terrein (lees: “tuin” toevoeging voorzieningenrechter) daaromheen te betreden;
(voorwaardelijk, indien het exclusief gebruik niet aan de vrouw toekomt èn de woning verkocht gaat worden) subsidiair:
de man te veroordelen de vrouw toe te laten tot de woning en het gehele perceel wanneer dit met het oog op verkoop noodzakelijk is, waarbij moet worden gedacht aan noodzakelijke reparaties, opruimwerkzaamheden of dringende onderhoudswerkzaamheden en bezoeken van de makelaar of potentiële kopers; de man dient hierin adviezen van de makelaar te volgen en daaraan zijn medewerking te verlenen;
te bepalen dat de man na verkoop van de woning tenminste zeven dagen voor de leveringsdatum bij de door de derde aangewezen notaris dient te zorgen voor ontruiming van de woning en het perceel;
het vonnis (primair danwel subsidiair) uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Het spoedeisend belang
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat partijen daarbij een spoedeisend belang hebben. Beide partijen stellen dat en zij hebben het door de andere partij gestelde spoedeisende belang niet weersproken. Dit laat onverlet dat de voorzieningenrechter daarin een eigen afweging moet maken.
De voorzieningenrechter overweegt dat in dit geval partijen al langere tijd blijvende en steeds terugkerende (zelfde) discussies hebben over de woning en dat daardoor nog steeds sprake is van onverdeeldheid van die woning. Bij beschikking van 1 november 2024 is al de wijze van verdeling gelast van deze woning. Dit is inmiddels ruim anderhalf jaar geleden. Tot een uitvoering daarvan is het alleen nog steeds niet gekomen. Begin van dit jaar hebben partijen over deze woning ook een kort geding procedure gevoerd. In het vonnis van 17 februari 2026 is toen overwogen dat de beschikking van 1 november 2024 ten aanzien van de woning nog steeds als uitgangspunt geldt, zodat de woning moet worden verkocht. Geen van partijen is in beroep gegaan, maar ook daarna zijn partijen niet tot die verkoop overgegaan.
Gelet op de toelichting van partijen tijdens de zitting verkeren zij ten aanzien van de verdeling van de woning al geruime tijd in een impasse en wil/kan geen van partijen een eerste stap zetten, terwijl ook duidelijk is dat beide partijen “op” zijn en dat er belang is bij een spoedige afwikkeling van de verdeling. Daarnaast zitten door de hele situatie ook de kinderen in onzekerheid, nu zij op dit moment nog in de woning verblijven maar weten dat er tussen de ouders daarover voortdurende discussies zijn. Gelet daarop is de voorzieningenrechter van oordeel dat van partijen niet verlangd kan worden dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten en dat er voldoende spoedeisend belang bij het gevorderde in conventie en reconventie bestaat.
Inhoudelijke beoordeling
Reconventionele primaire vorderingen a. tot en met f. van de vrouw
De voorzieningenrechter zal eerst de primaire reconventionele vorderingen van de vrouw die betrekking hebben op toedeling van de woning aan haar beoordelen, omdat bij toewijzing daarvan niet meer wordt toegekomen aan de over en weer gedane vorderingen met betrekking tot verkoop van de woning.
Ter onderbouwing van haar vorderingen voert de vrouw aan dat partijen, na het vonnis in kort geding van 17 februari 2026, overleg hebben gehad en dat zij samen nieuwe afspraken hebben gemaakt. Volgens de vrouw zijn partijen alsnog overeengekomen dat de woning niet wordt verkocht, maar dat deze wordt toegedeeld aan haar. Volgens de vrouw heeft de man meermaals aangegeven dat het in het belang van de kinderen is dat zij daar met de vrouw kunnen blijven wonen. Zij verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar productie 3, zijnde onderlinge e-mailwisseling tussen partijen. Hieruit volgt volgens de vrouw dat partijen zijn overeengekomen dat [makelaar 3] een waardebepaling zal verrichten, waarna de vrouw de woning op basis van die waardebepaling overneemt en afrekent met de man. Het bevreemdt de vrouw dan ook dat de man nu dit kort geding is gestart.
De man betwist dat partijen alsnog hebben afgesproken dat de vrouw de woning mag overnemen. De man wenst uitvoering te geven aan de eerdere beslissingen van de rechter en dat betekent dat de woning nog steeds moet worden verkocht. Partijen hebben volgens de man wel nog overleg gehad, maar daarbij zijn slechts afspraken gemaakt over het in gang te zetten verkooptraject van de woning (waarover hierna meer). Dat zij het daarbij alsnog eens zijn geworden over toedeling van de woning aan de vrouw klopt niet, aldus de man.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Vooropgesteld wordt dat de bewijslast van een mogelijke afspraak bij de vrouw rust. Uit de toelichting van partijen op de zitting is gebleken dat partijen na het vonnis in kort geding van 17 februari 2026 contact met elkaar hebben gehad over de woning, dat gesproken is over een andere dan in de beslissingen genoemde in te schakelen makelaar en dat in die periode de kinderen richting de man hebben aangegeven dat zij heel graag in de woning willen blijven wonen. Dat daarbij tussen de man en de vrouw een afspraak zou zijn gemaakt over alsnog overname van de woning door haar, is daaruit niet gevolgd. De verhalen van partijen over de inhoud van deze gesprekken lopen uiteen. Ook in de stukken wordt geen bewijs gevonden voor de gestelde afspraak. Uit productie 3, waarnaar de vrouw verwijst, volgt namelijk niet dat partijen hebben afgesproken dat de woning alsnog aan de vrouw wordt toegedeeld. Temeer nu de man daarbij onweersproken tijdens de zitting heeft toegelicht dat de zinsnede “(…) hebben we besloten om onze gezamenlijke bezittingen in [adres] [woonplaats] niet langer te verkopen, maar deze gezamenlijk over te dragen aan onze respectievelijke advocaten, zoals bepaald in de uitspraak van 17 februari 2026 (…)” verwijst naar de omstandigheid dat partijen niet meer zelf de verkoop gaan regelen, maar dat zij dat aan de advocaten overdragen/laten. Daarom wordt er in dat bericht, zo heeft de man daarbij aanvullend onweersproken toegelicht, ook verwezen naar het kort geding vonnis van 17 februari 2026 waarin zulks (verkoop van de woning) is bepaald. Vorenstaande leidt tot het oordeel dat de vorderingen van de vrouw onder a. tot en met f. niet toewijsbaar zijn nu zij niet gegrond kunnen worden op een tussen partijen gemaakte (aanvullende) afspraak over toedeling van de woning aan de vrouw. Deze vorderingen worden afgewezen.
Vorderingen 1. en 2. van de man in conventie en de reconventionele subsidiaire vorderingen van de vrouw g. tot en met o.
Ter onderbouwing van zijn vorderingen tot (kort gezegd) verkoop van de woning door [makelaar 2] te [woonplaats] tegen een minimale prijs van € 360.000,= stelt de man het volgende. De woning moet, zoals in de eerdere echtscheidingsbeschikking en het latere kort geding vonnis is bepaald, worden verkocht. De man wil wel dat een andere makelaar tot verkoop van de woning overgaat dan de makelaar die is genoemd in de echtscheidingsbeschikking van 1 november 2024. In die beschikking is aangegeven dat [makelaar 1] te [woonplaats] de verkopende makelaar zou moeten zijn, maar in die makelaar hebben allebei de partijen geen vertrouwen meer. Partijen hebben ook een klacht tegen dit kantoor ingediend. Een andere makelaar, [makelaar 2] , heeft de woning onlangs gewaardeerd. Dat hadden partijen besproken en daar was de vrouw het ook mee eens. Wat hem betreft kan deze makelaar nu de verkoop op zich nemen en voor wat betreft de te hanteren prijs kan worden aangesloten bij deze laatste waardering. De man heeft inmiddels geconstateerd dat de vrouw (met de kinderen) weer haar intrek in de echtelijke woning heeft genomen. Hij heeft er geen vertrouwen in dat de vrouw haar medewerking aan verkoop van de woning zal verlenen. Dat heeft zij tot op heden immers ook keer op keer niet gedaan. De man draagt op dit moment alle woonlasten, zodat de vrouw er ook geen financieel belang bij heeft dat de woning wordt verkocht.
De vrouw vordert (subsidiair) in reconventie, samengevat, te bepalen dat de man dient mee te werken aan verkoop van de woning door [makelaar 1] te [woonplaats] . Volgens de vrouw dient de eerder door de rechtbank gelaste wijze van verdeling opnieuw het uitgangspunt te zijn bij de verdere afwikkeling van de woning, zodat zij met haar vorderingen daarbij heeft aangesloten. Ook dient daarbij de overweging uit het vonnis van 17 februari 2026, dat partijen ieder een bod kunnen doen op de woning, te worden meegenomen.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat, net als is overwogen in het vonnis in kort geding van 17 februari 2026, in beginsel alsnog uitvoering moet worden gegeven aan het spoorboekje zoals is opgenomen in de echtscheidingsbeschikking van 1 november 2024. Dat is en blijft het uitgangspunt en dat betekent in ieder geval dat de woning moet worden verkocht. Dit is ook door de voorzieningenrechter met partijen uitgebreid besproken. Ter zitting is evenwel gebleken dat partijen het er over eens zijn dat zij, in afwijking van het destijds door de rechtbank opgenomen spoorboekje, aanvullende/afwijkende afspraken met elkaar hebben gemaakt over het verkooptraject in die zin dat zij allebei [makelaar 1] te [woonplaats] niet meer willen als verkopende makelaar. Partijen hebben op de zitting daarover gezamenlijk en eensluidend verklaard dat zij onlangs hebben afgesproken dat zij nu drie makelaars een waardebepaling laten verrichten, waarna de makelaar met de hoogste waardebepaling de opdracht tot verkoop krijgt. In dat kader hebben partijen tijdens de zitting de namen van [makelaar 2] en [makelaar 3] genoemd. De naam van de derde makelaar moesten partijen op de zitting schuldig blijven. Partijen hebben inmiddels ook al een eerste uitvoering gegeven aan deze afspraak, in die zin dat zij deze makelaars al hebben benaderd en dat de makelaars ook al aan de slag zijn gegaan. Zo volgt uit de overgelegde processtukken (productie 5 van de man) dat [makelaar 2] inmiddels een waardebepaling heeft verricht (voor een bedrag van € 360.000,=) en uit productie 3 van de vrouw volgt dat ook [makelaar 3] daarvoor is benaderd, maar dat die waardebepaling niet is doorgegaan door omstandigheden gelegen aan de zijde van de makelaar. Zij gaan niet meer waarderen. Tenslotte hebben partijen gezamenlijk verklaard dat zij nog wachten op de laatste, derde, waardebepaling, dat deze in de aankomende week zal plaatsvinden en dat de makelaar met de hoogste waardebepaling de woning gaat verkopen.
De reconventionele vorderingen van de vrouw onder g. tot en met o. worden afgewezen, omdat de vrouw met deze vorderingen in het geheel aansluit bij het spoorboekje uit de echtscheidingsbeschikking terwijl partijen, zoals hiervoor is overwogen, inmiddels andere afspraken over het verkooptraject, en met name over de in te schakelen makelaar, hebben gemaakt. Daar komt bij dat de vrouw geen belang (meer) heeft bij toewijzing van deze vorderingen nu dit spoorboekje reeds is opgenomen in het dictum van de echtscheidingsbeschikking van 1 november 2024 en zij dus al ten aanzien van al deze onderdelen van haar vordering (j., l., m en n.) over een executoriale titel beschikt. Tenslotte gaat de vrouw bij deze vorderingen in het kader van de verkoop uit van een weigerachtige houding van de man, terwijl de voorzieningenrechter geen reden heeft om te twijfelen aan de medewerking van de man aan verkoop van de woning. Hij wenst immers zo snel mogelijk te kunnen beschikken over andere woonruimte en daarvoor is verkoop van de woning essentieel. Ook zijn vorderingen zien immers op verkoop.
Ten aanzien van de vorderingen van de man wordt het volgende overwogen. Uit het voorgaande volgt dat vast staat dat:
-
partijen over de in te schakelen verkoopmakelaar een van de eerdere beschikking van 1 november 2024 afwijkende afspraak hebben gemaakt;
-
[makelaar 2] de woning inmiddels heeft gewaardeerd voor een bedrag van € 360.000,=;
-
[makelaar 3] niets meer zal gaan doen en partijen in plaats daarvan geen andere makelaar wensen te benaderen;
-
partijen nog in afwachting zijn van een waardering door één andere makelaar, en dat na die waardering de opdracht tot verkoop zal worden gegeven aan de makelaar met de hoogste waardering;
-
het partijen vrij staat om in dat verband alsnog een bod op de woning te doen, om te kijken of hij of zij de woning op die manier alsnog alleen in eigendom kan verkrijgen.
Dit betekent dat de vordering van de man onder 1. zal worden toegewezen, in die zin dat de vrouw zal worden veroordeeld om binnen twee weken na afgifte van de nog te ontvangen waardebepaling, aan de makelaar met de hoogste waardering een overeenkomst tot opdracht te verstrekken tot verkoop van de woning, waarbij de woning te koop wordt gezet voor het door de makelaar geadviseerde bedrag, met een laatprijs die de makelaar bindend voorstelt als partijen over de laatprijs twistpunt hebben, doch minstens een bedrag van € 360.000,=.
Nu de voorzieningenrechter op basis van hetgeen in de afgelopen periode is gebeurd, de stukken, maar ook de houding van de vrouw op de zitting onvoldoende vertrouwen er in heeft dat de vrouw nu wel zal meewerken aan verkoop en uiteindelijk levering van de woning aan een derde koper, wordt ook het overige onder vordering 1. en 2. van de man, toegewezen.
Primaire vorderingen 3. en 4. van de man in conventie en primaire en (voorwaardelijke) subsidiaire reconventionele vorderingen p. tot en met s. van de vrouw
De man stelt ter onderbouwing van zijn vorderingen in conventie met betrekking tot het exclusief gebruik van de woning dat zijn belang bij het exclusief gebruik van de woning tot aan de verkoop van die woning, zwaarder weegt dan het belang van de vrouw. De man verblijft al drie jaar in de daklozenopvang [opvang] , maar hij kan daar niet langer terecht. [opvang] heeft de man dringend verzocht te vertrekken, nu het niet de bedoeling is dat hij permanent bij [opvang] verblijft; [opvang] is een noodopvang voor hulpbehoevende mensen.
Daarnaast voert de man aan dat de vrouw een huurwoning tot haar beschikking heeft en betwist hij dat zij daar niet meer terecht kan omdat zij de huur van deze woning zou hebben opgezegd. Tenslotte is het recht van de vrouw op het uitsluitend gebruik van de woning op 6 december 2025 al vervallen, gelet op hetgeen in de eerdere echtscheidingsbeschikking is overwogen.
Ter onderbouwing van haar reconventionele vordering tot het exclusief gebruik van de woning voert de vrouw aan dat zij en de kinderen in de echtelijke woning wonen en dat zij daar wil blijven wonen omdat de kinderen niet willen verhuizen. De kinderen willen in hun vertrouwde woonomgeving blijven, dicht bij school en vrienden. De vrouw heeft gedurende een periode in een huurwoning ergens anders in [woonplaats] gewoond, maar die huur is inmiddels opgezegd. Daar kan zij niet meer naar toe. Verder blijkt nergens uit dat de man de daklozenopvang nu moet verlaten danwel dat hij stappen heeft ondernomen om alternatieve woonruimte te vinden en dat dat niet lukt.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De man is op dit moment alleen, terwijl de vrouw huisvesting nodig heeft voor haar en de minderjarige kinderen, die bij haar hun hoofdverblijf hebben. Dat weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaar. Er is daarnaast veel discussie over de beschikbaarheid van een eventuele alternatieve huurwoning voor de vrouw. Ter zitting is niet precies duidelijk geworden of de vrouw deze woning nu daadwerkelijk heeft opgezegd en wanneer dat zou zijn geweest. Het blijft vaag. Wel is voldoende komen vast te staan dat de vrouw nu feitelijk met de kinderen in de echtelijk woning woont. Hoewel invoelbaar is dat het lastig is voor de man dat hij al drie jaar bij de daklozenopvang verblijft, worden zijn vorderingen met betrekking tot het exclusief gebruik van de woning afgewezen. Temeer nu ook niet is gebleken, zoals de man dat stelt, dat de man per direct uit de opvang moet vertrekken.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van de vrouw om met de kinderen in de woning te kunnen blijven derhalve zwaarder weegt dan het belang van de man. Tevens heeft de voorzieningenrechter daarbij betrokken dat met dit vonnis zicht komt op daadwerkelijke verkoop van de woning op korte termijn, waarna de man de beschikking krijgt over gelden zodat hij hopelijk binnen afzienbare tijd andere woonruimte kan financieren. De voorzieningenrechter zal gelet op al het voorgaande beslissen dat de vrouw gerechtigd is tot het exclusief gebruik van de woning, met dien verstande dat zij de woning mag gebruiken tot één week voor de notariële levering van de woning aan de kopende derde. Dan moet zij de woning hebben verlaten. De voorzieningenrechter zal beslissen zoals hierna vermeld.
Vorderingen 5. tot en met 8. van de man in conventie
De man heeft onder 5. tot en met 8. vorderingen geformuleerd ten aanzien van het verkooptraject van de woning in de situatie dat de vrouw het exclusief gebruik van de woning heeft. Nu deze situatie zich voordoet, zullen deze vorderingen van de man worden beoordeeld.
Ter onderbouwing van deze vorderingen stelt de man dat hij er geen vertrouwen in heeft de vrouw gaat meewerken aan het verkooptraject van de woning. Daarom heeft hij (onder verbeurte van dwangsommen) gevorderd het afgeven van de sleutel van de woning aan de makelaar, het openstellen van de woning voor bezichtigingen, het maken van foto’s en alles wat nodig is voor de verkoop. Er is geen enkele aanwijzing dat de vrouw van plan is mee te werken aan de verkoop van de woning.
De vrouw voert hiertegen verweer. In de conclusie van antwoord van de vrouw geeft zij aan dat zij vrijwillig zal voldoen aan een eventuele veroordeling tot het meewerken aan verkoop van de woning. De vrouw verzet zich daarom tegen de vorderingen en zeker tegen het opleggen van een dwangsom. Subsidiair is zij van mening dat de dwangsom moet worden gematigd.
De voorzieningenrechter overweegt dat in de beschikking van 1 november 2024 èn bij vonnis in kort geding van 17 februari 2026 is beslist dat de woning moet worden verkocht. Desondanks is dat nog steeds niet gebeurd. De vrouw heeft ter zitting op de vraag of ze gaat meewerken aan verkoop van de woning indien de voorzieningenrechter daartoe zou beslissen, geantwoord dat zij dit “een moeilijke vraag” vindt. Het ligt namelijk niet alleen aan haar, maar ook aan de kinderen. De kinderen willen niet verhuizen, aldus de vrouw. Uit dit antwoord van de vrouw volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen onvoorwaardelijke toezegging tot medewerking aan verkoop. Uit de non-verbale communicatie van de vrouw op de zitting krijgt de voorzieningenrechter ook de indruk dat de vrouw blijvend de verkoop zal gaan tegenwerken. Er is dan ook onvoldoende vertrouwen dat de vrouw (zonder financiële prikkel) zal meewerken aan verkoop van de woning, zodat de vorderingen van de man onder 5. tot en met 8. zullen worden toegewezen. De verzochte dwangsommen worden niet gematigd. De hoogte van de gevorderde dwangsom per overtreding is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet disproportioneel. Er wordt wel een maximum van € 25.000,= verbonden aan de verzochte dwangsommen.
Gelet op het feit dat partijen getrouwd zijn geweest, zullen de proceskosten zoals te doen gebruikelijk worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten betaalt.
Tot slot zal de voorzieningenrechter, zoals gevorderd, de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
In conventie
veroordeelt de vrouw om binnen twee weken na afgifte van de nog te ontvangen waardebepaling, aan de makelaar met de hoogste waardering een overeenkomst tot verkoop van de woning te geven, waarbij de woning te koop wordt gezet door het door die makelaar geadviseerde bedrag, met een laatprijs die de makelaar bindend voorstelt als partijen daar een twistpunt over hebben, doch minstens een bedrag van € 360.000,=, met machtiging aan de man om namens de vrouw deze opdracht te verstrekken als de vrouw in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;
veroordeelt de vrouw tot het meewerken aan verkoop en levering aan de meest biedende op de woning, en bepaalt dat het vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte strekkende tot ondertekening door de man van de koopovereenkomst, alsmede tot het notarieel transport van de woning als bedoeld in artikel 3:300 BW indien de vrouw weigerachtig blijft aan deze veroordeling te voldoen;
bepaalt dat de vrouw de toegangssleutel van de woning aan de makelaar dient te geven op diens eerste verzoek, op straffe van een dwangsom van € 100,= per dag, met een maximum van € 25.000,=;
veroordeelt de vrouw de woning open te (laten) stellen voor bezichtigingen, het maken van foto’s en alles wat nodig is om de woning op een goede wijze te verkopen, op straffe van een dwangsom van € 100,= per dag, met een maximum van € 25.000,=;
machtigt de man, dan wel de makelaar om zich toegang tot de woning te verschaffen, zo nodig door de sloten te vervangen, om zo de woning te kunnen betreden voor het maken van foto’s en de woning open te stellen voor bezichtigingen;
veroordeelt de woning uiterlijk één week voor levering van de woning aan derden leeg en ontruimd en in goede staat ter beschikking te (laten) stellen en deze woning te verlaten en niet verder te betreden, waarbij de man wordt gemachtigd de woning te ontruimen met behulp van de sterke arm, waarbij de kosten voor ontruiming voor rekening van de vrouw komen;
In reconventie
bepaalt dat de vrouw de woning aan de [adres] te [woonplaats] tot één week voor de notariële levering van de woning aan (een) derde(n) exclusief mag gebruiken, waarbij de man wordt verboden de woning en het terrein daaromheen (lees: de tuin) te betreden tenzij sprake is van de in rechtsoverweging 5.5. genoemde situatie;
In conventie en reconventie
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde in conventie en reconventie af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Haerkens-Wouters en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.