beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/447351 / FA RK 26-2049
datum uitspraak: 9 juli 2026
beschikking betreffende vervangende toestemming vakantie
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1],
bijgestaan door mr. F.J.V.H. Stoffels in Zevenbergen,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende in [woonplaats 2].
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, hierna: [minderjarige].
1 Het procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 15 april 2026 ontvangen verzoek met bijlagen.
Op 25 juni 2026 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord de vrouw met haar advocaat. Hoewel de man correct is opgeroepen, zowel per gewone als per aangetekende post, is hij niet bij de zitting verschenen.
Na afloop van de zitting heeft de man per e-mailbericht van 26 juni 2026 de rechtbank verzocht om een nieuwe zittingsdatum te plannen om zijn standpunt toe te lichten. Omdat het verzoek is ingediend na afloop van de mondelinge behandeling waarvoor de man correct en tijdig was opgeroepen, is de rechtbank aan dat verzoek voorbijgegaan. De man heeft bij dit bericht ook een schriftelijk verweer ingediend. Op dit verweer slaat de rechtbank geen acht, omdat het na de zitting is ingediend én alleen een advocaat een verweerschrift kan indienen.
2 De feiten
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Tijdens het huwelijk van partijen is [minderjarige] geboren.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige]
[minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.
3 Het verzoek en de standpunten
De vrouw verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen, die in de plaats treedt van de toestemming van de man, om met [minderjarige] op vakantie te kunnen gaan naar Gran Canaria (Spanje) van 8 augustus 2026 tot en met 18 augustus 2026.
De vrouw heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat zij voornemens is om met haar nieuwe partner, [minderjarige] en de zoon van haar nieuwe partner op vakantie te gaan naar Gran Canaria (Spanje) van 8 augustus 2026 tot en met 18 augustus 2026. De vrouw heeft de man rechtsreeks verzocht of hij het benodigde toestemmingsformulier wil ondertekenen. De man heeft aangegeven geen toestemming te willen geven voor deze vakantie. Hij heeft geen specifieke reden of bezwaar tegen de voorgestelde vakantie. De man heeft gezegd dat het komt omdat hij geen contact heeft met [minderjarige] en dat hij zijn verhaal wil doen bij de rechtbank. Eerder, in 2025, heeft de vrouw ook al geen toestemming van de man gekregen om met [minderjarige] op vakantie te gaan.
4 De beoordeling
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de overgelegde stukken en hetgeen bij de zitting is besproken, blijkt dat sprake is van een geschil als bedoeld in artikel 1:253a BW, omdat de man weigert om zijn toestemming aan de vrouw te verlenen om met [minderjarige] op vakantie te gaan naar Gran Canaria (Spanje) in de periode van 8 augustus 2026 tot en met 18 augustus 2026.
Vooropgesteld wordt dat, omdat partijen gezamenlijk belast zijn met het gezag over [minderjarige], de vrouw de toestemming van de man nodig heeft om met [minderjarige] op vakantie naar het buitenland te reizen en daar te verblijven. De rechtbank overweegt hiertoe dat het in het algemeen in het belang van een kind is om met (een van) zijn of haar ouders op vakantie te kunnen gaan. Een uitzondering op dit uitgangspunt kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer er een gegronde vrees is voor ontvoering van het kind door de ouder naar het buitenland, wanneer de situatie in het land waarnaar de ouder met het kind naartoe wil reizen voor het kind onveilig is of wanneer een vakantie in strijd is met tussen partijen gemaakte afspraken over de zorg- en contactregeling.
Het is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van een omstandigheid die maakt dat de reis naar Gran Canaria niet in het belang van [minderjarige] is. Naar het oordeel van de rechtbank verzet niets zich ertegen dat de vrouw met [minderjarige] op vakantie naar Gran Canaria (Spanje) gaat. De rechtbank acht het dan ook in het belang van [minderjarige] om mee te kunnen op deze vakantie. Het verzoek van de vrouw zal daarom worden toegewezen.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5 De beslissing
De rechtbank
verleent aan de vrouw, ter vervanging van de toestemming van de man, toestemming om met de minderjarige [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2025, in de periode van 8 augustus 2026 tot en met 18 augustus 2026 te reizen (van en) naar en te verblijven in Gran Canaria (Spanje);
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door Bollen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026 in aanwezigheid van mr. Van Ham als, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.