ECLI:NL:RBZWB:2026:7128

Datum uitspraak
03-07-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/449372 / JE RK 26-1062
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eerste ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/449372 / JE RK 26-1062

Datum uitspraak: 3 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

Zeeland–West-Brabant, Breda,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats] .

De kinderrechter merkt als informant aan:

de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,

hierna te noemen de GI.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 juni 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- de moeder;

- een vertegenwoordiger van de Raad.

De GI is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de GI wel juist is opgeroepen.

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hier voorafgaand aan de zitting samen een gesprek over gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De ouders zijn sinds 2003 met elkaar gehuwd.

2.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gedurende het huwelijk van de ouders geboren.

2.3.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

2.4.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun ouders.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

Standpunt van de Raad

4.1.

De Raad legt het volgende ten grondslag aan het verzoek. De kinderen zijn getuige van ruzies tussen de ouders. De ouders praten negatief over elkaar in het bijzijn van de kinderen. Daarnaast geven de ouders onvoldoende duidelijkheid over hun relatie. De moeder heeft in de afgelopen jaren meerdere malen aangegeven te willen scheiden en de vader is wisselend in zijn wens om de relatie voort te zetten. Beide ouders hebben contact met anderen. Er zijn signalen over een mogelijk beperkt cognitief niveau van beide ouders. Bij de moeder is sprake van NAH. Er wordt gezien dat de kinderen de ouders mogelijk overstijgen op cognitief gebied. De ouders stellen nauwelijks regels en grenzen en bieden onvoldoende sturing. [minderjarige 2] laat grensoverschrijdend gedrag zien en neemt regels niet serieus. Zij verkeert langdurig in een staat van voortdurende spanning, wat haar belemmert in haar functioneren. Daarnaast wijst [minderjarige 2] haar vader af en voelt zij veel verantwoordelijkheid voor [minderjarige 1] . Wel lijkt het functioneren van [minderjarige 2] verbeterd sinds haar plaatsing op [speciaal onerwijs] Het is verder onduidelijk wat de situatie met [minderjarige 1] doet. Er zijn zorgen of [minderjarige 1] voldoende voor zichzelf kan opkomen en toekomt aan het ontwikkelen van autonomie. Wel doet [minderjarige 1] het goed op school. Het lukt ouders echter niet om verandering te brengen in de situatie. De moeder zorgt enkel voor de basale verzorging van de kinderen en de rol van de vader is onduidelijk. De ouders hebben onvoldoende inzicht in de belangen en ontwikkelingsbehoeften van de kinderen en maken keuzes vanuit hun eigen behoeften. In het verleden is de hulpverlening onvoldoende van de grond gekomen, doordat de ouders afspraken regelmatig niet nakwamen. Hierdoor zijn de ingezette trajecten niet afgerond. Daarnaast zijn er zorgen over het cognitieve vermogen van de ouders om informatie te begrijpen, vast te houden en toe te passen in de opvoeding.

Standpunt van [minderjarige 1]

4.2.

heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter verteld dat een ondertoezichtstelling wel nodig is. Hij vindt dat er te veel ruzies zijn tussen zijn ouders en tussen de vader en [minderjarige 2] . Als het thuis niet gezellig is, spreekt hij met vrienden af of gaat hij naar iemand die in de straat woont. Verder geeft [minderjarige 1] aan dat het goed gaat met hem, ook op school.

Standpunt van [minderjarige 2]

4.3.

heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter verteld dat zij grenzeloos en zelfbepalend kan zijn. Zij geeft aan dat zij letterlijk alles zelf bepaalt en dat zij weet dat dat eigenlijk niet normaal is. Zij wil niet nu ineens regels krijgen, want dan zal zij zich daar niet aan houden. Wel zou zij haar best doen om zich eraan te houden. Inmiddels gaat [minderjarige 2] elke dag naar [speciaal onerwijs] . Zij heeft veel aan haar mentor vanuit daar. Verder geeft zij aan dat zij voor [minderjarige 1] zal blijven opkomen.

Standpunt van de moeder

4.4.

De moeder stemt in met het verzoek. Het is zonde dat er een ondertoezichtstelling nodig is, want de ouders doen hun best. Het moet thuis echter beter gaan.

Standpunt van de vader

4.5.

De vader stemt in met het verzoek. Hij vindt de huidige situatie schadelijk voor de kinderen en zou het fijn vinden als de GI betrokken raakt. Soms weten de ouders niet wat zij moeten doen. Verder geeft de vader aan dat hij thuis geen ruzie meer probeert te maken.

5 De beoordeling

Wat zegt de wet?

5.1.

De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:

  1. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en

  2. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.

Wat vindt de kinderrechter?

5.2.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.1 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.3.

De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd. De kinderen groeien op in een gezinssituatie, waarin sprake is van langdurige spanningen en onduidelijkheden. Er zijn vaak conflicten, zowel tussen de ouders onderling als tussen [minderjarige 2] en de vader, en de kinderen zijn daar getuige van. Ook zijn de ouders zijn onduidelijk over hun relatie. Daarnaast zijn er zorgen dat bij de ouders sprake is van onvoldoende opvoedkundige vaardigheden. Er zijn signalen over een mogelijk beperkt cognitief niveau van beide ouders en er wordt gezien dat de kinderen de ouders op cognitief gebied overstijgen. Er zijn zorgen over de stabiliteit binnen het gezin en het vermogen van ouders om voldoende aan te sluiten bij de behoeften van de kinderen. Bij [minderjarige 2] zijn er daarnaast zorgen over haar zelfbepalende en grenzeloze gedrag en over het verantwoordelijkheidsgevoel van [minderjarige 2] , met name richting [minderjarige 1] . Ook wijst [minderjarige 2] haar vader af. Bij [minderjarige 1] is er de zorg over in hoeverre hij de ruimte voelt om zich binnen het gezin op een gezonde manier te uiten en autonomie te ontwikkelen.

5.4.

De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Hoewel de ouders inzien dat er zorgen zijn, lukt het hen tot nu toe niet om verandering te brengen in de situatie. Zij stemmen daardoor in met een ondertoezichtstelling. In het vrijwillig kader is het de ouders eerder onvoldoende gelukt om structureel mee te werken aan de hulpverlening en afspraken na te komen. Er zijn daarnaast zorgen dat de ouders onvoldoende inzicht hebben in de belangen en ontwikkelingsbehoeften van de kinderen en de impact van hun eigen handelen op de kinderen. Ook zijn er zorgen over het cognitief functioneren van de ouders en daarmee samenhangend hun leerbaarheid.

5.5.

De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter vindt de doelen in het (aangevulde)rapport van de Raad passend en geeft aan de GI de opdracht om in ieder geval aan de volgende doelen te gaan werken:

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden niet belast door de conflicten tussen ouders.

- Ouders sluiten aan bij de gevoels- en belevingswereld van de kinderen zodat de kinderen (emotionele) steun ervaren en stemmen hun keuzes hierop af.

- [minderjarige 2] gedraagt zich positief, reguleert haar emoties passend, kan zich ontspannen en laat verantwoordelijkheid voor anderen (met name [minderjarige 1] ) los.

- [minderjarige 1] kan voldoende op komen voor zichzelf en ontwikkelt autonomie.

- Er is een ontspannen sfeer in het gezin en onderlinge positieve betrokkenheid bij elkaar.

- Er is duidelijkheid over het cognitieve niveau van ouders en hun

leermogelijkheden, zodat er passende hulpverlening kan worden ingezet om de doelen te behalen gericht op opvoedershandelen en gezinsfunctioneren.

5.6.

Gelet op de tijd die naar verwachting nodig is om de gestelde doelen te behalen, zal de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar, te weten met ingang van 3 juli 2026 tot 3 juli 2027.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.7.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 3 juli 2026 tot 3 juli 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier, en op schrift gesteld op 14 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »