RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447696 / JE RK 26-757
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland–West-Brabant, Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedag 1] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedag 2] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. J.C. Hissink uit Tilburg,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. J.M.G. Cox uit Tilburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen de GI.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 april 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
2 De feiten
De ouders zijn op 28 maart 2022 met elkaar een geregistreerd partnerschap aangegaan.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
Bij beschikking van deze rechtbank van 9 mei 2025 in de zaak met kenmerk C/02/429264 / FA RK 24-5596 is, voor zover van belang, bepaald dat ouders worden doorverwezen naar het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA). Daarbij heeft de rechtbank de Raad verzocht om onderzoek naar de zorgregeling te doen, indien de UHA rapportage daar aanleiding toe geeft. Verder is er een voorlopige regeling vastgesteld, waarbij [minderjarige 1] iedere vrijdag vanaf 17:30 uur met overnachting tot zaterdag 19:00 uur bij de vader zal verblijven. Ten aanzien van [minderjarige 2] heeft de rechtbank bepaald dat de vader in het weekend, gelet op de leeftijd en het voedingspatroon van [minderjarige 2] , 3 uur onbegeleid contact mag hebben en de vader hem mag meenemen, waarbij de vader [minderjarige 2] ophaalt en weer terugbrengt en de tijden van contact in onderling overleg worden bepaald.
Na een negatieve retourmelding vanuit het UHA is de Raad gestart met een onderzoek naar de zorgregeling. Het advies van de Raad ten aanzien van de zorgregeling is om een voorlopige zorgregeling vast te stellen, waarbij de vader en de kinderen contact hebben op elke zaterdagochtend voor de duur van twee en een half uur. De Raad adviseert de definitieve beslissing aan te houden voor de duur van 10 maanden. Er staat een zitting in de zaak met kenmerk C/02/429264 / FA RK 24-5596 gepland op 18 augustus 2026 om 10.30 uur. Tevens adviseert de Raad [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar.
3 Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
Standpunt van de Raad
De Raad legt het volgende ten grondslag aan het verzoek. Er is sprake (geweest) van herhaaldelijke conflicten, spanningen en escalaties tussen de ouders, zowel verbaal als fysiek, waar de kinderen getuige van zijn (geweest). [minderjarige 1] is heel alert en lijkt soms de vaderrol op zich te nemen met betrekking tot [minderjarige 2] . Hij heeft moeite met harde geluiden of wanneer mensen hun stem verheffen. Daarnaast is er onduidelijkheid over het contact tussen de vader en de kinderen. Zo woont de vader momenteel bij de opa en stiefoma vaderszijde en mogen de kinderen daar niet langs komen. De vader heeft daarnaast geen rijbewijs. De moeder ontvangt de vader momenteel bij haar thuis, zodat de vader de kinderen kan zien. De moeder lijkt daarbij echter moeite te hebben haar grenzen te bewaken en de kinderen los te laten. Wel is het positief dat de ouders willen dat de kinderen contact hebben met beide ouders. De ouders zijn bereid om de hulpverlening te accepteren, maar zij zijn wisselend in het contact met elkaar. Daarbij is sprake van aantrekken en afstoten. Ondanks de hulpverlening lukt het niet om uit dit patroon te komen. Pas als het escaleert staan de ouders weer open voor hulpverlening en doen zij een groot beroep op de hulpverlening. De ouders hebben zich daarnaast herhaaldelijk niet gehouden aan de afspraken die de vrijwillige hulpverlening met hen hebben gemaakt. De voorlopige zorgregeling wordt momenteel niet nagekomen en het is nog niet duidelijk hoe de definitieve regeling eruit zal komen te zien. Verder is het wel positief dat de vader hulpverlening heeft gezocht voor zijn financiën, middelengebruik en psychische gezondheid.
Standpunt van de moeder
Door en namens de moeder is tijdens de zitting naar voren gebracht dat de moeder instemt met het verzoek en dat aan de wettelijke gronden voor een ondertoezichtstelling wordt voldaan. Het lukt de ouders momenteel niet om samen als ouders op te treden en gezamenlijk afspraken te maken. De ouders kunnen de hulpverlening vanuit de ondertoezichtstelling goed gebruiken. Verder geeft de moeder aan dat de relatie tussen de ouders momenteel definitief voorbij is.
Standpunt van de vader
Door en namens de vader is tijdens de zitting naar voren gebracht dat de vader instemt met het verzoek. Het is van belang dat er regie wordt gevoerd door de GI en dat er passende hulpverlening wordt ingezet, met name gericht op het contact tussen de vader en de kinderen. Zo is de omgang de afgelopen keer niet doorgegaan en moet er voorkomen worden dat de kinderen langere tijd geen contact hebben met de vader. Het lukt de ouders niet om afspraken te maken binnen het vrijwillig kader.
Standpunt van de GI
De GI staat achter het verzoek van de Raad en is bereid de ondertoezichtstelling uit te voeren. Wel is er sprake van een wachtlijst, waardoor er eerst een monitoringsteam betrokken zal raken.
5 De beoordeling
Wat zegt de wet?
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
-
de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en
-
de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
Wat vindt de kinderrechter?
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.1 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd. Er is sprake (geweest) van herhaaldelijke conflicten, spanningen en escalaties tussen de ouders, zowel verbaal als fysiek, waar de kinderen getuige van zijn (geweest). Er zijn zorgen over de invloed hiervan op de kinderen. Daarnaast is er momenteel veel onduidelijkheid over het contact tussen de vader en de kinderen. De voorlopige zorgregeling wordt niet nagekomen en er is nog geen duidelijkheid over een definitieve zorgregeling. Verder is de dynamiek tussen de ouders zorgelijk. Er is sprake van een patroon, waarbij de ouders elkaar telkens aantrekken en afstoten. Ook tijdens de zitting waren de spanningen en het wantrouwen tussen de ouders zichtbaar.
Hoewel de ouders bereid zijn om de hulpverlening te accepteren, zijn zij onvoldoende in staat om zelfstandig de zorgen rondom de ontwikkeling van de kinderen weg te nemen. Gebleken is dat de ouders beide open staan voor hulpverlening. Zo heeft de moeder een hulpverleningstraject gehad bij Sterk Huis en heeft de vader hulpverlening gezocht voor zijn financiën, middelengebruik en psychische gezondheid. De kinderrechter complimenteert de ouders dat zij beide bereid zijn om deze persoonlijke hulpverleningstrajecten aan te gaan. Er is echter sprake van veel wantrouwen tussen de ouders. Het lukt hen daardoor niet om samen tot afspraken te komen over de kinderen en vervolgens uitvoering te geven aan de gemaakte afspraken. Tot op heden is het de ouders niet gelukt om samen en met behulp van de vrijwillige hulpverlening de zorgen over de kinderen weg te nemen. De ouders zien beide in dat er zorgen zijn en willen dat er verandering komt in de situatie. Zij stemmen daarom beide in met de ondertoezichtstelling.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter vindt de doelen in het rapport van de Raad van 28 april 2026 passend en geeft aan de GI de opdracht om in ieder geval aan de volgende doelen te gaan werken:
-
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden niet geconfronteerd met ruzies/geweld/spanningen tussen hun ouders;
-
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een structureel en onbelast contact met vader, zij weten waar zij aan toe zijn in het contact met vader (ze weten wanneer ze vader zien, waar ze vader zien en hoe lang ze vader zien);
-
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben ouders die op een constructieve manier (zonder stem verheffen, schelden etc.) met elkaar kunnen communiceren en beslissingen kunnen nemen over hen;
-
Vader heeft vat op zijn persoonlijke problemen (verslavingsproblematiek, psychische problematiek (waaronder ingrijpende gebeurtenissen uit het verleden en emotie-regulatie), en financiële hulp zodat hij een voorspelbare/betrouwbare/evenwichtige opvoeder kan zijn voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarbij heeft vader een netwerk waar hij op terug kan vallen;
-
Moeder heeft haar draagkracht-draaglast is in balans, zodat zij een evenwichtige opvoeder kan zijn voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Daarbij is het van belang dat er de komende tijd duidelijke afspraken gemaakt worden over het contact tussen de vader en de kinderen. De regie over het contact zal bij de GI belegd worden. Het is daarbij aan de GI om het contact te monitoren en, indien mogelijk, uit te breiden. De ouders dienen zich daar vervolgens consequent aan te houden. Ook moeten de ouders leren de transitie te maken van partnerrelatie naar een ouderrelatie, mogelijk door middel van persoonlijke ondersteuning. Daarnaast is het van belang dat de ouders aan de gang (blijven) gaan met hun persoonlijke hulpverlening.
Gelet op de tijd die naar verwachting nodig is om de gestelde doelen te behalen, zal de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar, te weten .
Daarbij merkt de kinderrechter op dat de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, die is vastgesteld in de beschikking van 9 mei 2025, op dit moment niet wordt nagekomen door de ouders. Tijdens de zitting zijn de ouders tot overeenstemming gekomen en hebben zij met elkaar afgesproken dat de vader voortaan elke zaterdag contact heeft met de kinderen van 10 tot 12 uur, waarbij hij de kinderen ophaalt en weer terugbrengt bij de moeder. Daarbij hebben de ouders de afspraak gemaakt dat de vader niet met de auto zal gaan met de kinderen. De ouders willen deze (voorlopige) regeling aanhouden, totdat in de andere zaak met kenmerk C/02/429264 / FA RK 24-5596 een andere beslissing is genomen. In deze zaak staat een zitting gepland op 18 augustus 2026. De kinderrechter complimenteert de ouders met deze overeenstemming en verwacht van de ouders dat zij zich de komende tijd aan deze regeling zullen houden, nu zij dit beide ter zitting hebben toegezegd te zullen doen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 17 juni 2026 tot 17 juni 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier, en op schrift gesteld op 1 juli 2026 |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.