ECLI:NL:RBZWB:2026:6139

Datum uitspraak
08-06-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/446624 / JE RK 26-552
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

OTS

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/446624 / JE RK 26-552

Datum uitspraak: 8 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

Zeeland-West-Brabant, Breda,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2019 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2022 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [plaats 1] ,

advocaat mr. J.J. Bronsveld uit Bergen op Zoom.

De kinderrechter merkt als informanten aan:

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [plaats 2] ,

advocaat: mr. R.E. Teusink uit Roosendaal,

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant,

hierna te noemen de GI,

gevestigd te Etten-Leur.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 maart 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 juni 2026. De zaak is tegelijk behandeld met het verzoek van de vader om gezamenlijk met de moeder met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te worden belast en om een omgangsregeling vast te stellen (C/02/443652 / FA RK 26/37). Op dit verzoek is per separate beschikking beslist. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:

- de vader met zijn advocaat;

- de moeder met haar advocaat;

- een vertegenwoordigster van de Raad;

- twee vertegenwoordigsters van de GI, aangesloten via Teams.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

2.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

De Raad handhaaft het verzoek. De ouders zijn begin 2025 uit elkaar gegaan op een escalerende en spanningsvolle manier en de communicatie tussen hen is ernstig verstoord. De beleving van de ouders over wat er is gebeurd ligt ver uit elkaar. Echter zeggen beide ouders wel dat er sprake was van agressie. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn de dupe van de verstoorde verstandhouding tussen de ouders. Ze hebben hierdoor hun vader een half jaar niet fysiek gezien. Hiernaast heeft de vader in voorlopige hechtenis gezeten en heeft hij schorsende voorwaarden, waaronder een contactverbod met de moeder. Ook is de ingezette hulpverlening gestagneerd.

4.2.

Door en namens de moeder is gesteld dat ze het eens is met het verzoek van de Raad. De moeder vindt regievoering in een dwangkader noodzakelijk om rust en structuur te krijgen en om het vertrouwen weer op te bouwen.

4.3.

Door en namens de vader is gesteld dat ook hij het eens is met het verzoek van de Raad. De vader wil dat de omgang met de kinderen uitgebreid wordt, maar de moeder weigert dit. Hierbij kan een ondertoezichtstelling helpend zijn.

4.4.

Door de GI is gesteld dat ze zich kunnen vinden in het verzoek van de Raad en in de doelen die de Raad heeft opgesteld. Het is belangrijk dat de kinderen openlijk loyaal kunnen zijn naar beide ouders en er moet gezamenlijk ouderschap komen. De GI kan de ouders hierin helpen en ondersteunen.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.1 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.

De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd. Er is sprake van een verstoorde dynamiek tussen de ouders, waarbij regelmatig de politie betrokken is geweest. De visies van de ouders op wat er tussen hen gebeurd is, lopen uiteen. De vader zegt dat de moeder hem bedrogen heeft en hem kleineerde, de moeder zegt dat de vader drugs gebruikt en agressief is geweest naar haar en dat zij zich langdurig onveilig heeft gevoeld tijdens de relatie van de ouders. Uit het Raadsrapport volgt dat Veilig Thuis op 19 januari 2026 de MASIC heeft afgenomen om meer inzicht proberen krijgen in de aard en vorm van onveiligheid die zich gedurende relatie tussen ouders heeft voorgedaan, om een inschatting te kunnen maken van de (on)veiligheid in het hier en nu. De aandachtsfunctionaris intiem terreur van Veilig Thuis heeft op basis hiervan geconcludeerd dat het door de moeder ervaren gevoel van onveiligheid niet bevestigd noch weerlegd kan worden. Beide ouders omschrijven meerdere situaties van kleineren, verbale en fysieke agressie. De verhalen van ouders verschillen van elkaar, maar beide ouders geven wel aan dat er dat er sprake is geweest van agressie. Vast staat ook, zo blijkt uit het Raadsrapport, dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hier last van hebben en dat zij de dupe zijn geworden van de zeer verstoorde verstandhouding tussen de ouders. Ook hebben zij, ondanks het feit dat de ouders in het UHA-traject bijna tot een co-ouderschapsregeling waren gekomen, inmiddels een half jaar geen fysiek contact gehad met de vader. Inmiddels is met behulp van hulpverlening begeleide omgang opgestart. Vanuit hier moet bezien worden welke regeling verder passend is. Het lukt de ouders niet om hier samen uit te komen. Beide ouders beamen dit ook en willen dat er een ondertoezichtstelling komt zodat de GI als onafhankelijke derde hierop regie kan voeren. Zonder regie van een onafhankelijke derde bestaat het risico dat de ouders opnieuw in de vicieuze cirkel belanden waar zij eerder in terecht kwamen, waarbij het risico bestaat dat de de moeder het contact tussen de vader en de kinderen stopzet, de vader vanuit frustratie agressief reageert richting de moeder en de situatie opnieuw escaleert. Dit is niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderrechter is dan ook met de Raad en de ouders van oordeel dat regie van een onafhankelijke derde in deze situatie nodig is.

5.3.

De Raad stelt en de ouders zijn het er mee eens dat voornoemde ernstige ontwikkelingsbedreiging niet of onvoldoende kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat gebleken is dat de inzet van vrijwillige hulpverlening niet voldoende van de grond is gekomen of voortijdig is stopgezet en de ouders echt behoefte hebben aan een onafhankelijke derde die regie voert. De moeder wordt/ouders worden in staat geacht de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarigen aanvaardbare termijn te dragen.

5.4.

De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar.

5.5.

De komende periode dient er gewerkt te worden aan de volgende doelen:

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een veilig, positief, onbelast en frequent contact met beide ouders volgens een vaste regeling.

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen openlijk loyaal zijn aan beide ouders.

- Ouders leren vorm te geven aan gezamenlijk ouderschap.

5.6.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 8 juni 2026 tot 8 juni 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026 door mr. Hendriks, kinderrechter, in aanwezigheid van drs. Swint als griffier, en op schrift gesteld op 29 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »