ECLI:NL:RBZWB:2026:6135

Datum uitspraak
08-06-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/447927 / JE RK 26-795
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/447927 / JE RK 26-795

Datum uitspraak: 8 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, locatie Rotterdam,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats 1] ,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [plaats 2] .

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 mei 2026;

  • de ter zitting door de vader overgelegde reactie op de OTS-rapportage.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- de moeder;

- twee vertegenwoordigers van de GI.

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft op 3 juni 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige 2] heeft geen gebruik gemaakt van de aan hem geboden gelegenheid om zijn mening over het verzoek kenbaar te maken

2 De feiten

2.1.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

2.2.

[minderjarige 1] staat ingeschreven op het adres van de vader en [minderjarige 2] staat ingeschreven op

het adres van de moeder. De ouders voeren een co-ouderschapsregeling uit, waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de helft van de tijd bij de vader (en zijn partner) en voor de andere helft van de tijd bij de moeder verblijven.

2.3.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 17 juni 2022 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 20 november 2025 tot 17 juni 2026.

2.4.

Op 5 juni 2026 heeft de GI een verzoek ex artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) over de zorgregeling bij de rechtbank ingediend. Dat verzoek dient nog op een zitting te worden ingepland.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

De GI legt aan haar verzoek ten grondslag dat in de afgelopen periode tussen ouders weer meer onrust en spanning is ontstaan. Naar de mening van de GI is dit vooral begonnen en gelegen in de betrokkenheid van de nieuwe partner van de moeder.

De vader uit hierover zorgen, waarbij hij zich baseert op signalen van de kinderen.

In het communicatieplan is afgesproken dat op het moment dat tussen ouders de onderlinge spanningen toenemen, de communicatie zal worden verminderd naar het minimaal noodzakelijke. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen echter nog veel mee van de spanningen.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verkeren daardoor in een loyaliteitsconflict. Voornamelijk [minderjarige 2] lijkt moeite te hebben om zijn eigen mening te kunnen vormen en uiten over de situatie. Tussen de vader en [minderjarige 1] lijkt een steeds grotere kloof te ontstaan. Het is de GI nog onduidelijk wat dit uiteindelijk zal gaan betekenen voor het contact tussen de vader en [minderjarige 1] en hoe de vader daar dan op zal reageren. De ouders, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden begeleid door [zorginstelling] . De kinderen zijn daar sterker gemaakt en zij durven zich, voor wat betreft [minderjarige 1] ook omdat ze ouder geworden is, steeds meer over de situatie uit te laten. De vader kan hier lastig mee omgaan. De GI maakt zich zorgen over hoe de kinderen worden belast met de strijd tussen hun ouders. Een verdere zorg is nog het grote schoolverzuim van [minderjarige 2] en zijn achterblijvende schoolprestaties.

4.2.

De moeder maakt zich ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het klopt dat [minderjarige 1] zich steeds meer durft te uiten over de situatie. Naar de mening van de moeder voelt [minderjarige 1] zich steeds meer verantwoordelijk voor de situatie, terwijl dat niet haar verantwoordelijkheid is. [minderjarige 2] klapt dicht en weigert met regelmaat het gesprek aan te gaan met [zorginstelling] . Tegen de moeder en [minderjarige 1] maakt [minderjarige 2] geregeld kwetsende opmerkingen. De problemen met [minderjarige 2] op school worden volgens de moeder veroorzaakt door zijn loyaliteit. [minderjarige 2] wil het voor iedereen goed doen en cijfert zichzelf daardoor compleet weg. De moeder is zich ervan bewust dat een nieuwe partner spanningen met zich kan brengen en dat [minderjarige 2] daar meer moeite mee lijkt te hebben dan [minderjarige 1] . Volgens de moeder spreekt de vader al vanaf begin af aan een duidelijke afgunst uit over haar huidige partner en is hij daarin ook duidelijk met zijn uitspraken in het bijzijn van de kinderen. Een verlenging van de ondertoezichtstelling acht de moeder noodzakelijk.

4.3.

De vader geeft aan dat hij zich grote zorgen maakt over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Voor wat betreft [minderjarige 1] vindt de vader dat de moeder haar teveel haar zin geeft. Naar de mening van de vader leert [minderjarige 1] daardoor onvoldoende hoe zij zal moeten omgaan met tegenstagen in het leven. Volgens de vader wordt [minderjarige 1] door de moeder bijvoorbeeld niet begrensd in haar telefoongebruik en zat de moeder onvoldoende achter haar aan om een stageplek voor school te regelen. Volgens de vader heeft [minderjarige 2] problemen met de nieuwe partner van moeder. De vader heeft dat van [minderjarige 2] zelf vernomen. De vader legt dat dan vervolgens neer bij de jeugdbeschermer. Daardoor lijkt het of de vader problemen heeft met de partner van moeder, maar dat is niet zo, het komt vanuit [minderjarige 2] . De vader betreurt dat de huidige jeugdbeschermer, anders dan vorige jeugdbeschermer [persoon] , meteen alles voor waarheid aanneemt en niet eerst eigen onderzoek doet om een en ander eerst te verifiëren. Naar de mening van de vader wordt [minderjarige 2] onvoldoende gehoord en serieus genomen, zowel door de jeugdbeschermer als bij [zorginstelling] . De vader verzoekt daarom een andere jeugdbeschermer aan te stellen. Tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling heeft de vader geen bezwaar.

4.4.

[minderjarige 1] heeft tegen de kinderrechter verteld dat het bij haar moeder goed gaat, maar dat het contact met haar vader steeds lastiger verloopt. Naar de mening van [minderjarige 1] wordt zij door haar vader onvoldoende gehoord en dient zij teveel rekening te houden met zijn wisselende emoties. De ondertoezichtstelling vindt [minderjarige 1] meerwaarde hebben, omdat zij dan bepaalde problemen gemakkelijker kwijt kan en er daadwerkelijk iets mee wordt gedaan.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.1 De kinderrechter overweegt hierbij dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door de ouderstrijd en de gevolgen daarvan nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat een ondertoezichtstelling daarom nog steeds noodzakelijk is.

De noodzaak voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is te betreuren, omdat de kinderrechter in de voorgaande beschikking (van 20 november 2025) nog de hoop uitsprak dat de ontwikkelingsbedreigingen bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de periode daarna dusdanig zouden verminderen dat de zaak rond deze periode overgedragen zou kunnen worden naar het vrijwillige kader. Helaas is het zover nog niet. De ouders dienen ieder bij zichzelf te rade te gaan wat zijzelf kunnen doen om de situatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] blijvend te verbeteren. Het is zeer zorgelijk dat tussen de vader en [minderjarige 1] meer en meer een kloof lijkt te ontstaan. Voorkomen moet worden dat dit contact geheel verbroken zal raken. Het doen van vele verwijten van de vader ten opzichte van de moeder en [minderjarige 1] doet hieraan in elk geval geen goed. Bij [minderjarige 2] lijkt van buitenaf minder te zien hoezeer hij last heeft van de ouderstrijd. In elk geval is wel zichtbaar dat het met hem op school niet goed gaat.

Niet wordt verwacht dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging met vrijwillige hulpverlening kan worden weggenomen. De ouderstrijd is daarvoor nog te zeer aanwezig.

De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van de verzochte negen maanden verlengen. Gezien de doelen waaraan nog moet worden gewerkt, kan niet worden volstaan met een kortere periode.

5.2.

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.3.

De vader heeft ter zitting nog verzocht om een andere jeugdbeschermer aan te stellen. Dit is echter niet aan de kinderrechter. De vader zal zich met dat verzoek rechtstreeks tot de GI moeten wenden.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 17 juni 2026 tot 17 maart 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 22 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »