vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/445919 / KG ZA 26-123
Vonnis in kort geding van 2 juni 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [plaats 1] (Polen),
eiseres,
advocaat mr. T. Kahya-Ekinci te Rijswijk,
tegen
[de man] ,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de zitting van 13 mei 2026.
Tijdens de zitting zijn verschenen de vrouw (via een videoverbinding), bijgestaan
door haar advocaat en een tolk in de Poolse taal.
Na het uitroepen van de zaak heeft de voorzieningenrechter geconstateerd dat de
man niet is verschenen. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding op de door de wet voorgeschreven wijze aan de man is betekend. Nu ook overigens is voldaan aan de voorgeschreven termijnen en formaliteiten, wordt tegen de man verstek verleend.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Partijen zijn op [datum] 2013 te [plaats 1] (Polen) op [datum] 2013 met elkaar
gehuwd. Zij zijn in 2023 in Polen gescheiden.
Partijen hebben de Poolse nationaliteit.
Partijen zijn, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de woning aan de
[adres] te [plaats 2] .
Bij kort gedingvonnis van 30 april 2025 heeft de voorzieningenrechter, voor zover
hier van belang, het volgende beslist:
“ 5.1. bepaalt dat de man binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan hem opdracht geeft aan [makelaar] te [plaats 3] om de woning, bindend, te laten taxeren tegen de actuele waarde in het economisch verkeer;
bepaalt dat indien [makelaar] te [plaats 3] de opdracht niet aanvaardt, de vrouw schriftelijk drie erkende NVM-makelaars aan de man noemt, waarvan de man er binnen één week daarna schriftelijk één uitkiest en vervolgens binnen één week daarna deze makelaar opdracht geeft om de woning, bindend, te laten taxeren tegen de actuele waarde in het economisch verkeer;
bepaalt dat de kosten van taxatie van de woning tussen partijen bij helfte worden gedeeld;
bepaalt dat de man binnen drie maanden na de datum van het taxatierapport dient aan te tonen dat hij in staat is de toedeling van de echtelijke woning tegen de getaxeerde waarde aan hem te financieren, waarbij hij de hypothecaire geldlening geheel voor zijn eigen rekening zal nemen en deze als eigen schuld zal voldoen, en waarbij de vrouw zal worden ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze geldlening;
veroordeelt de man, indien hij niet binnen genoemde termijn opdracht geeft aan de makelaar om de woning te taxeren dan wel niet binnen genoemde termijn aantoont in staat te zijn de woning onder genoemde voorwaarden te financieren, om medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning gelegen te [plaats 2] , aan de [adres] , waaronder mede begrepen:
1. het verlenen van toegang tot de woning aan een verkopend makelaar en potentiële kopers:
2. het plaatsen van een verkoopbord in de tuin en/of aan het pand;
3. het meewerken aan “open dagen";
4. het meewerken aan het laten maken van foto's van de woning;
5. het tot de datum van verkoop zorg dragen voor het onderhoud en schoonhouden van de woning;
6. het uitvoeren van verkoop bevorderende maatregelen zoals geadviseerd door de verkopend makelaar;
een en ander ter beoordeling van [makelaar] te [plaats 3] , dan wel een andere op hiervoor in 5.2 bepaalde makelaar, aan wie partijen opdracht dienen te geven tot taxatie en bemiddeling bij verkoop van de woning tegen een door deze makelaar te adviseren vraag- en laatprijs; zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,= per keer dat de man, na betekening van het ten dezen te wijzen vonnis, zijn medewerking aan enige voor de verkoop noodzakelijke handeling onthoudt, tot een maximum van € 10.000,=;
veroordeelt de man tot het mede-ondertekenen van de opdracht tot bemiddeling (c.q. verkoopopdracht) aan de makelaar, het ondertekenen van de koopovereenkomst met een koper en het ondertekenen van de leveringsakte;
bepaalt dat dit vonnis de voor de verkoop en eigendomsoverdracht noodzakelijke wilsverklaring van de man zal vervangen als bedoeld in artikel 3:300 BW;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
(…) ”
Bij arrest van 12 augustus 2025 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de man
veroordeeld tegelijk met de levering van de woning aan hem tot uitbetaling van het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de woning, uit te keren op basis van de marktwaarde zoals vastgesteld door de bij vonnis van 30 april 2025 aangewezen makelaar, na aftrek van de nog openstaande hypothecaire schuld.
De man heeft tot op heden aan geen van de in voornoemd vonnis en arrest bepaalde
verplichtingen voldaan dan wel daaraan meegewerkt.
3 Het geschil
De vrouw vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man te veroordelen de woning aan de [adres] te [plaats 2] binnen 7 dagen na betekening van het te wijzen vonnis te verlaten en te ontruimen met al het zijne en de zijnen, en ontruimd te houden tot aan de notariële levering, onder afgifte van alle sleutels aan [makelaar] te [plaats 3] , met bepaling dat dit ontruimingsbevel gedurende één jaar na uitspraak ten uitvoer kan worden gelegd “tegen een ieder die zich daar bevindt” (art. Rv – art. 557a);
II. te bepalen dat de executie zo nodig geschiedt met bijstand van de sterke arm;
III. te bepalen dat de woning aan derden zal worden verkocht onder begeleiding van [makelaar] te [plaats 3] , met bevoegdheid voor de makelaar om de verkoopstrategie te bepalen en de vraag- en laatprijs bindend vast te stellen in overleg met de vrouw binnen de gebruikelijke bandbreedte van de markt;
IV. te bepalen dat dit vonnis - voor zover nodig aanvullend op het vonnis van 30 april 2025 - op de voet van art. 3:300 BW in de plaats treedt van elke (nadere) wilsverklaring/handtekening van de man die noodzakelijk is voor verkoop en levering aan een derde, waaronder (niet limitatief) opdrachtverlening aan de makelaar, ondertekening koopovereenkomst en leveringsakte, en alle daarmee samenhangende verklaringen;
V. te bepalen dat de man een dwangsom verbeurt van € 1.000,= per afzonderlijke overtreding dat hij in strijd handelt met het onder I t/m IV bepaalde, met een maximum van € 50.000, onverminderd eventueel reeds verbeurde dwangsommen uit hoofde van het vonnis van 30 april 2025;
VI. te bepalen dat de notaris die de levering aan een derde passeert, na aflossing van de hypothecaire schuld(en) en betaling van de gebruikelijke verkoopkosten, de netto-opbrengst verdeelt conform de gerechtigdheid van partijen (ieder voor de helft), met dien verstande dat uit het aandeel van de man eerst het bedrag van de door hem verbeurde dwangsommen aan de vrouw wordt voldaan, waarna het aan de vrouw toekomende deel van de overwaarde rechtstreeks aan haar wordt uitgekeerd en het eventuele restant aan de man;
VII. te bepalen dat de man wordt veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
4 De beoordeling
Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat partijen de Poolse nationaliteit hebben en zij in Polen met elkaar zijn gehuwd. Dat betekent dat de rechtbank eerst moet beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om te beslissen op de vorderingen van de vrouw en, wanneer dat zo is, welk recht op de vorderingen van toepassing is.
Rechtsmacht
De Nederlandse rechter is bevoegd van het geschil kennis te nemen op grond van artikel 6 sub b van Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van de Europese Unie van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (Huwelijksvermogensrechtverordening). De laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten was in Nederland en de man verbleef daar op het tijdstip van aanbrengen van deze zaak nog.
Toepasselijk recht
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing. Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht. Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna alleen de Poolse nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag. Zij hebben na de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna hun eerste gewone verblijfplaats op het grondgebied van Nederland gevestigd. Polen is een zogenaamd nationaliteitsland. Polen is voorts niet aangesloten bij het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978. Nederland is wel aangesloten bij voornoemd verdrag en heeft de verklaring van artikel 5 van het Verdrag afgelegd. Op grond van het bepaalde in artikel 4, lid 2 aanhef en sub 2 aanhef en onder a. van het Verdrag is daarom vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het gemeenschappelijke nationale recht van partijen, te weten het recht van Polen, van toepassing op hun huwelijksvermogensregime. Dit recht is daarop nog steeds van toepassing en de voorzieningenrechter zal dit recht dan ook toepassen op de vorderingen van de vrouw.
Spoedeisend belang
Op grond van artikel 254 Rv is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist bevoegd deze te geven. Voordat de voorzieningenrechter toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen dient dan ook allereerst beoordeeld te worden of de vrouw een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorzieningen.
De vrouw stelt een spoedeisend belang te hebben bij haar vorderingen, omdat zij onnodig en voortgaan aansprakelijk blijft richting de geldverstrekker zolang de hypothecaire verbondenheid voortduurt, terwijl zij reeds jarenlang geen gebruik maakt van de woning en feitelijk ook geen toegang tot de woning heeft. Zij kan derhalve niet beschikken over haar vermogenspositie, te weten haar aandeel in de woning, terwijl de verkoop feitelijk wordt geblokkeerd door het ontbreken van toegang.
De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van het spoedeisend belang van de
vrouw bij haar vorderingen dat het belang reeds is gelegen in de aard van deze vordering. Er is sprake van een vonnis van de voorzieningenrechter van 30 april 2025 en een arrest van het hof van 12 augustus 2025 waarin de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke woning is gelast, aan welke verdeling tot op heden geen uitvoering is gegeven door de man. Dit betekent dat de woning nog altijd onverdeeld is, terwijl als uitgangspunt heeft te gelden dat niemand gedwongen kan worden in een onverdeelde gemeenschap te blijven. Voldoende aannemelijk is dat de vrouw ook een financieel belang heeft bij de verdeling van de woning. Daarnaast is zij aansprakelijk voor de woning, terwijl zij hier geen zicht op heeft en krijgt.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft de vorderingen ingesteld zoals opgenomen in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. Er is geen verweer gevoerd. De vorderingen zijn daarom toewijsbaar, tenzij deze de voorzieningenrechter ongegrond of onrechtmatig voorkomen. Daarbij zal de voorzieningenrechter haar beslissing baseren op de bij dagvaarding gestelde en hiervoor onder 2.1. t/m. 2.6. weergegeven feiten, omdat deze niet zijn weersproken. Gelet hierop oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.
Vorderingen I., II., V. en VI.
Het door de vrouw onder I., II., V. en VI. gevorderde komt de rechtbank niet
onrechtmatig of ongegrond en zal op onderstaande wijze worden toegewezen.
Vorderingen III. en IV.
Het door de vrouw onder III. en IV. gevorderde zal worden afgewezen bij gebrek aan de belang. Bij kort gedingvonnis van 30 april 2025 heeft de voorzieningenrechter immers al de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke woning bepaald in die zin dat dat de woning moet worden verkocht aan derden als de man niet binnen de in dat vonnis genoemde termijn opdracht geeft aan de makelaar om de woning te taxeren dan wel niet binnen de genoemde termijn aantoont in staat te zijn de woning onder de in dat vonnis genoemde voorwaarden over te financieren. Daarbij is tevens bepaald dat dat vonnis de voor de verkoop en eigendomsoverdracht noodzakelijke wilsverklaring van de man zal vervangen als bedoeld in artikel 3: 300 BW. De vrouw beschikt met het vonnis van 30 april 2025 dus al over een executoriale titel.
Proceskosten en wettelijke rente
In afwijking van de tussen ex-partners gebruikelijke kostencompensatie, zal de man worden veroordeeld in de proceskosten van de vrouw, zoals door de vrouw onder VII. gevorderd. Aanleiding daarvoor is dat hij - ondanks eerdere veroordelingen daartoe - niet meewerkt aan de verdeling van de gemeenschap, in het bijzonder waar het ziet op de verkoop van de woning van partijen in [plaats 2] . De man moet daarom de proceskosten
(inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de vrouw worden begroot op:
|
- dagvaarding |
€ |
151,94 |
|
|
- griffierecht |
€ |
93,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
760,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.193,94 |
De gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten wordt als niet weersproken toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing:
De voorzieningenrechter
veroordeelt de man de woning aan de [adres] te [plaats 2] ,
binnen 7 dagen na betekening van het te wijzen vonnis te verlaten en te ontruimen met al het zijne en de zijnen, en ontruimd te houden tot aan de notariële levering, onder afgifte van alle sleutels aan [makelaar] te [plaats 3] , met bepaling dat dit ontruimingsbevel gedurende één jaar na uitspraak ten uitvoer kan worden gelegd “tegen een ieder die zich daar bevindt” (art. Rv – art. 557a);
bepaalt dat de executie zo nodig geschiedt met bijstand van de sterke arm;
bepaalt dat de man een dwangsom verbeurt van € 1.000,= per afzonderlijke
overtreding dat hij in strijd handelt met het onder 5.1. bepaalde, met een maximum van
€ 50.000,=, onverminderd eventueel reeds verbeurde dwangsommen uit hoofde van het vonnis van 30 april 2025;
bepaalt dat de notaris die de levering van de woning aan een derde passeert, na
aflossing van de hypothecaire schuld(en) en betaling van de gebruikelijke verkoopkosten, de netto-opbrengst verdeelt conform de gerechtigdheid van partijen (ieder voor de helft), met dien verstande dat uit het aandeel van de man eerst het bedrag van de door hem verbeurde dwangsommen aan de vrouw wordt voldaan, waarna het aan de vrouw toekomende deel van de overwaarde rechtstreeks aan haar wordt uitgekeerd en het eventuele restant aan de man;
veroordeelt de man in de proceskosten van de vrouw ad € 1.193,94, te betalen
binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,= plus de kosten van betekening als de man niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt de man in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over
de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Hendriks, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. Van ’t Veer-Bax, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.