ECLI:NL:RBZWB:2026:5924

Datum uitspraak
02-06-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/447924 / JE RK 26-794
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling. Verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing afgewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/447924 / JE RK 26-794

Datum uitspraak: 2 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT, locatie Breda,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. B.P.A. van Beers uit Roosendaal,

gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Etten-Leur.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 mei 2026;

  • het op 21 mei 2026 van de Raad ontvangen gewijzigd verzoekschrift;

  • de op 21 mei 2026 van de Raad ontvangen rapportage, gedateerd 18 mei 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- een vertegenwoordigster van de Raad;

- een vertegenwoordigster van de GI.

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

Bij beschikking van 6 maart 2026 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht

gesteld van de GI met ingang van 6 maart 2026 tot 20 maart 2026. Het overige deel van het

verzoek is aangehouden. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij opvolgende beschikking van 13 maart 2026 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 20 maart 2026 tot 6 juni 2026. Ten tijde van voormelde beslissingen waren de vader en de moeder belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 1] en [minderjarige 2] woonden op het moment van indiening van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling bij de vader. Op [datum] 2026 is de vader overleden te [plaats] . De moeder is thans belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

3 Het (gewijzigd) verzoek

De Raad heeft oorspronkelijk verzocht om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van zes maanden. Ook heeft de Raad verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, te weten een netwerkpleeggezin bij de familie [pleeggezin] te verlenen voor de duur van drie maanden. Ter zitting heeft de Raad het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gehandhaafd en verzocht de beslissing op dat verzoek uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing ingetrokken.

4 Het standpunt van de Raad

4.1.

Ter onderbouwing van het aldus gewijzigde verzoek is door de Raad schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - het navolgende aangevoerd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in het verleden langdurig blootgesteld aan de ex-partnerstrijd van de ouders, waarbij er sprake was van wisselend contact met hun moeder. Ook werden zij belast met (volwassen) niet bij hun leeftijd passende zaken. Daardoor kenmerkte de opvoedomgeving van de beide kinderen zich door een patroon van instabiliteit, ouderlijke conflicten en onveiligheid. De momenten waarop er van verbetering sprake was, waren steeds van korte duur. Ook lukte het de ouders niet om met hulpverlening en regievoering in een vrijwillig kader tot overeenstemming en afspraken te komen omdat zij beiden een andere visie hadden over het belang en perspectief van de kinderen. Daarbij kwam dat vorig jaar de oma vaderszijde is overleden aan kanker, wat op de kinderen een grote impact heeft gehad. De vader was toen al ziek en de kinderen leken zich door het overlijden van oma te realiseren dat zij ook hun vader konden en zouden gaan verliezen aan een ongeneeslijke ziekte. Vervolgens is de vader op [datum] 2026 overleden.

De hiervóór beschreven omstandigheden hebben ertoe geleid dat het contact tussen de kinderen en de moeder in mei 2025 is gestopt en beide kinderen expliciet aangaven geen herstel van het contact te willen. Ook werd door de moeder ervaren dat er na het overlijden van de vader door de familie vaderszijde aan de kinderen werd getrokken. Een bijkomende zorg was dat de kinderen door [persoon 1] , de oudste dochter van de moeder met wie zij geen contact meer heeft, in negatieve zin werden beïnvloed. Over het functioneren van de kinderen in het netwerkpleeggezin gaf de pleegmoeder aan dat [minderjarige 2] zich veilig voelde en positief gedrag liet zien. Dit lag anders bij [minderjarige 1] , die soms spullen vernielde en last had van woede-uitbarstingen.

4.2.

Op 25 april 2026 heeft een eerste fysiek contact tussen de kinderen en de moeder plaatsgevonden met ook een logeernacht. Bij de moeder thuis wonen tevens drie kinderen, te weten de minderjarige halfbroer en -zussen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Waar de beide kinderen aanvankelijk stellig waren in hun standpunt dat zij niet terug wilden naar hun moeder heeft zich daarin onverwacht een kentering voorgedaan sinds er een onverwachte ontmoeting van [minderjarige 1] en de netwerkpleegvader met de moeder heeft plaatsgevonden. Daarop is het contact tussen [minderjarige 1] en de moeder hersteld en heeft de moeder voor hem een fatbike aangeschaft. [minderjarige 1] en ook [minderjarige 2] gaven vervolgens nadrukkelijk aan bij de moeder te willen gaan wonen. Beide kinderen wonen feitelijk sinds 29 mei 2026 bij de moeder. Dit is een plotselinge ommekeer, die niemand van de direct betrokkenen had zien aankomen. Gezien wordt dat de moeder op een positieve wijze de samenwerking zoekt zowel met de al langer betrokken hulpverlening vanuit Centrum voor Jeugd en Gezin (hierna: CJG) als met Stichting Inzet voor Zorg (hierna: SIVZ). Voor de beide kinderen is ondersteuning voorhanden middels gesprekken met een vertrouwenspersoon op school. Daarnaast heeft de moeder zelf als mogelijke optie hulpverlening door [praktijk] genoemd, onder meer omdat deze instantie over expertise op het gebied van rouwverwerking beschikt.

4.3.

Op grond van de aldus gewijzigde omstandigheden is de Raad van mening dat er geen noodzaak meer is voor een machtiging tot uithuisplaatsing. Wel ziet de Raad, ondanks dat een aantal doelen ofwel inmiddels zijn behaald ofwel niet langer relevant zijn, nog steeds voldoende gronden voor een ondertoezichtstelling. In dat verband wijst de Raad erop dat beide kinderen een belaste en turbulente voorgeschiedenis kennen met veel instabiliteit, onrust en onveiligheid. Daarbij hebben de kinderen ingrijpende levensgebeurtenissen meegemaakt, verblijven zij nog maar relatief kort bij de moeder en is er op dit moment nog onvoldoende zicht op de relatie tussen de kinderen en de familie vaderszijde en hoe die zich zal (gaan) ontwikkelen. Hoewel de Raad het verzoek tot ondertoezichtstelling voor de oorspronkelijk verzochte duur van zes maanden handhaaft acht de Raad niet uitgesloten dat een periode van circa vier maanden voldoende zal zijn voor een warme overdracht naar de hulpverlening in een vrijwillig kader.

5 De standpunten van de kinderen

5.1.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben ter gelegenheid van het kindgesprek aangegeven dat zij sinds 29 mei 2026 bij hun moeder wonen samen met de tweeling [persoon 2] en [persoon 3] .

5.2.

[minderjarige 1] heeft opgemerkt dat hij bij zijn moeder wil blijven wonen. Hulpverlening in het kader van een (voorlopige) ondertoezichtstelling is wat hem betreft niet nodig, maar mogelijk kan zijn moeder die wel gebruiken. Als zijn familie vaderszijde contact met hem mocht zoeken vindt hij dat geen probleem. Momenteel is dit echter niet het geval. Het gaat verder goed op school, hij heeft daar veel vriendjes. Verder is hij graag buiten. Zijn huidige leven geeft hij het cijfer 8.

5.3.

[minderjarige 2] heeft aangegeven dat zij het wonen bij haar moeder leuk vindt en dat zij zich echt kind voelt. Ook heeft zij al vriendinnen gemaakt met wie zij afspreekt. Daarnaast kan zij, als zij dat wil, afspraken maken om contact met haar netwerkpleegouders te hebben. Zij heeft geen behoefte aan hulpverlening in het kader van een (voorlopige) ondertoezicht-stelling. Verder zou zij willen dat er niet meer op vaste dagen door familie van vaderszijde met haar contact wordt gezocht. Dit omdat er wel door deze familie afspraken worden gemaakt voor belmomenten, maar die afspraken vervolgens niet worden nagekomen. Zij doet haar best op school en het loopt goed. Zij is ook graag buiten en zij heeft als zij tekent heel graag. Haar huidige leven geeft zij het cijfer 7,5. Als zij niet meer verplicht contact met haar familie vaderszijde zou hoeven te hebben dan geeft zij haar leven een 9.

6 De standpunten van de belanghebbenden

6.1

Namens de GI is - samengevat - naar voren gebracht dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] pas nadat aan hen duidelijk was gemaakt dat de GI niet achter een plaatsing van hen in het netwerk van de vader kon staan, zich meer zijn gaan openstellen voor contactherstel met de moeder. Inmiddels is sinds de kinderen bij de moeder wonen de relatie met de familie vaderszijde verbeterd en lijkt er meer rust te zijn gekomen voor alle betrokkenen. Wel ziet de GI nog steeds zorgaspecten, zoals door de Raad benoemd en toegelicht, waar in het kader van de ondertoezichtstelling voorlopig aan gewerkt dient te blijven worden. Om een warme overdracht naar het vrijwillige kader mogelijk te maken, lijkt in haar visie een periode van drie maanden voldoende. Ten slotte wijst zij erop dat, indien er een ondertoezichtstelling volgend op de huidige voorlopige maatregel wordt uitgesproken, de kans aanwezig is dat bij gebrek aan een op dit moment beschikbare jeugdbeschermer de zaak op een wacht/monitoringslijst komt te staan.

6.2.

De moeder heeft opgemerkt dat, hoewel de beide kinderen nog aan de gezinssituatie bij haar moeten wennen, zij daar positief op reageren. Zij verwacht wel dat zij nog een tijd lang hulp en ondersteuning nodig zal hebben, rekening houdend met hetgeen de kinderen hebben meegemaakt, zodat zij zich verder evenwichtig zullen kunnen ontwikkelen. In dat opzicht blijft zij van mening dat naast de al beschikbare professionele hulpverlening [praktijk] voor de kinderen een extra ondersteunende rol zou kunnen vervullen. Ook zou zij graag zien dat ondertoezichtstelling blijft doorlopen, vooral voor die situaties waarin er beslissingen moeten worden genomen welke therapeutische hulpverlening er voor de kinderen nodig is en er daarover regie gevoerd zal (blijven) worden.

6.3.

De advocaat van de moeder heeft naar voren gebracht dat, kijkend naar de voorgeschiedenis, hij ook met enige verbazing moet vaststellen dat de situatie voor de kinderen uiteindelijk een positieve wending heeft genomen. Verder stelt hij vast dat, nu er hulpverlening is in het gezin van de moeder en zij zich daarvoor openstelt, het in het belang van de kinderen is dat er op de voorlopige ondertoezichtstelling een definitieve ondertoezichtstelling volgt, temeer nu er nog een aantal zaken ook in de familiesfeer dienen te worden besproken en geregeld, opdat er nog enige tijd van regievoering sprake zal zijn en er vervolgens een warme overdracht naar hulpverlening in een vrijwillig kader kan plaatsvinden. In het geval dat de zaak eerst op een wacht/monitoringslijst wordt geplaatst zal de moeder voorlopig gebruik kunnen maken van een crisistelefoonnummer. Wel stelt hij zich met deze toelichting namens de moeder op het standpunt dat de ondertoezichtstelling in duur beperkt kan blijven tot een periode van bijvoorbeeld drie maanden, met mogelijk enige uitloop van de voorlopige ondertoezichtstelling. Het resterende deel van het verzoek dient te worden afgewezen.

7 De beoordeling

7.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.1 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

7.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gedurende een aantal jaren bloot gesteld aan de ex-partnerstrijd tussen de ouders. Een wezenlijk onderdeel van die strijd vormde het aanzienlijke verschil in visie bij beide ouders afzonderlijk over het belang en perspectief van deze kinderen. Ook ontbrak het bij de vader aan emotionele toestemming voor contact tussen de kinderen en de moeder. Bovendien slaagden de ouders er niet in, ook niet met hulpverlening en ondersteuning in een vrijwillig kader, nader tot elkaar of anderszins in het belang van de kinderen tot duurzame overeenstemming en afspraken te komen. Deze situatie had tot gevolg dat de kinderen kampten met een loyaliteitsconflict en dat er wisselend contact was tussen hen en de moeder. Uiteindelijk stopte het contact volledig per mei 2025. Ook gaven de beide kinderen nadrukkelijk aan de moeder niet meer te willen zien.

7.3.

De vader is overleden op [datum] 2026. De kinderen zijn vervolgens geplaatst in een netwerkpleeggezin moederszijde. De zorg en opvoeding bleek voor de netwerk-pleegouders een zware en ingewikkelde opgave, nu met name [minderjarige 1] problematisch gedrag liet zien. Een extra zorg was dat de beide kinderen door [persoon 1] , de oudste dochter van de moeder, in negatieve zin werden beïnvloed en er door de familie vaderszijde aan de kinderen werd getrokken. Daarbij komt dat, waar er aanvankelijk grote weerstand was bij de kinderen tegen herstel van het contact met de moeder, sinds een ontmoeting tussen [minderjarige 1] , de netwerkpleegvader en de moeder beide kinderen radicaal van standpunt zijn veranderd en dit tot gevolg heeft gehad dat zij feitelijk per 29 mei 2026 in het gezin van de moeder wonen. De moeder laat zien daar volledig achter te staan en zich open te stellen en bereid te zijn daarbij hulpverlening te accepteren.

7.4.

Naar het oordeel van de kinderrechter strekt deze situatie, naar het zich nu laat aanzien, ten voordele van de ontwikkeling van beide kinderen. Echter neemt dit niet weg dat er meerdere factoren zijn die maken dat de situatie nog instabiel en daarmee kwetsbaar is. Immers hebben de kinderen in het verleden veel instabiliteit en onveiligheid gekend. Zij maken nu deel uit van de gezinssituatie van de moeder, waar zij zich prettig voelen. Zij verblijven daar echter relatief kort, wat ook betekent dat zij met veranderingen worden geconfronteerd, waaraan zij zullen moeten wennen. Ook in die zin is de situatie nog fragiel, waarbij komt dat er betrekkelijk kort geleden nog door de familie vaderszijde aan de kinderen getrokken werd en de kinderen zich in een rouw- en verwerkingsproces bevinden wegens het overlijden van respectievelijk hun oma vaderszijde en hun vader in een relatief korte periode. Alle hiervóór beschreven factoren en omstandigheden maken naar het oordeel van de kinderrechter dat er (nog) gronden zijn voor een ondertoezichtstelling volgend op de eerder uitgesproken voorlopige beschermingsmaatregel.

7.5.

In het kader daarvan zal (verder) gewerkt dienen te worden aan de navolgende doelstellingen:

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op onbelaste en veilige wijze contact met hun

familie vaderszijde;

- er komt zicht op de belevings- en gevoelswereld van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en

op het gedrag van [minderjarige 1] zodat de moeder hierop haar benadering kan

afstemmen; er dient zicht te worden gehouden op de kinderen en op hun situatie;

hierbij dient er ook ruimte te komen voor het rouwproces van de kinderen

aangaande het verlies van hun vader.

De kinderrechter ziet aanleiding om de ondertoezichtstelling in duur te beperken tot drie maanden, welke periode voor een adequate warme overdracht van de hulpverlening van het verplichte naar het vrijwillige kader toereikend zal zijn. Dit betekent dat het resterende deel van het verzoek van de Raad zal worden afgewezen.

7.6.

De kinderrechter verklaart de beslissing tot ondertoezichtstelling uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.7.

Nu de Raad het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing heeft ingetrokken, behoeft dit geen beoordeling meer. De kinderrechter zal dit verzoek daarom afwijzen.

8 De beslissing

De kinderrechter:

8.1.

stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 2 juni 2026 tot 2 september 2026;

8.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

8.3.

wijst het door de Raad meer dan wel anders verzochte af.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 11 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »