ECLI:NL:RBZWB:2025:9876

Datum uitspraak
19-09-2025
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Zaaknummer
24/8299 WVW
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Onderzoek rijvaardigheid | Rijbewijs ongeldig verklaard.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 24/8299 WVW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. L.P. Kabel),

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR.

Samenvatting

1.1.

Deze uitspraak gaat over het ongeldig verklaren van het rijbewijs van eiseres, omdat zij het door het CBR opgelegde onderzoek naar de rijvaardigheid niet met succes heeft afgelegd. Eiseres is het niet eens met de ongeldigverklaring van haar rijbewijs. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het CBR het rijbewijs van eiseres op goede gronden ongeldig heeft verklaard.

1.2.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR op goede gronden het rijbewijs van eiseres ongeldig heeft verklaard. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 30 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is het CBR bij de ongeldigverklaring van het rijbewijs van eiseres gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het CBR heeft gereageerd op het beroep met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 8 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en namens het CBR mr. S. Sheikchote.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden

2.1.

Op 8 december 2023 reden twee verbalisanten van de eenheid Zeeland-West-Brabant in een politieauto in het teamgebied Bergen op Zoom. Zij reden op de Markiezaatsweg in de richting van het kruispunt met de Van Konijnenburgweg. Aan de rechterzijde van de Markiezaatsweg is het winkelgebied “De Zeeland” gevestigd. Vanaf dit winkelgebied is het mogelijk om vanaf het parkeerterrein rechtsaf de Markiezaatsweg op te rijden. Er wordt ter plaatse een verplichte rijrichting aangegeven middels drie verkeersborden. De verbalisanten zagen een voertuig hun kant op komen. Ze hebben de vrouwelijke bestuurder van het voertuig staande gehouden. Die bestuurder heeft zich geïdentificeerd als eiseres. Eiseres leek de situatie ter plaatse niet te begrijpen. Zij gaf aan de verkeersborden niet te hebben gezien en dat het voor haar niet duidelijk was dat ze enkel rechtsaf mocht afslaan. De verbalisanten zijn met eiseres langs de plaats gereden waar zij de verkeerde richting in reed.

2.2.

Naar aanleiding van het incident heeft de politie op 8 december 2023 een melding gedaan aan het CBR over een vermoeden dat eiseres niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid.

2.3.

Het CBR heeft met het besluit van 15 februari 2024 aan eiseres een onderzoek naar haar rijvaardigheid opgelegd. In afwachting van de uitkomst van het onderzoek is het rijbewijs van eiseres geschorst. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het CBR heeft met het besluit van 25 april 2024 het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingediend.

2.4.

Op 1 mei 2024 heeft het eerste onderzoek naar de rijvaardigheid plaatsgevonden. Daarna heeft er nog een tweede onderzoek plaatsgevonden. In beide onderzoeken is door het CBR geconcludeerd dat eiseres niet over de vereiste rijvaardigheid beschikt.

2.5.

Met het besluit van 17 juli 2024 (primair besluit) heeft het CBR het rijbewijs van eiseres ongeldig verklaard, omdat zij het door het CBR opgelegde onderzoek naar de rijvaardigheid niet met succes heeft afgelegd.

2.6.

Eiseres heeft op 27 augustus 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

2.7.

Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingediend tegen dit besluit.

2.8.

Het beroep van eiseres tegen het besluit van 25 april 2024 is op 8 november 2024 op zitting behandeld door deze rechtbank. Met de uitspraak van 12 december 20241 heeft de rechtbank het beroep van eiseres ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het CBR terecht een onderzoek naar de rijvaardigheid opgelegd en het rijbewijs van eiseres geschorst. Eiseres heeft hoger beroep ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) tegen deze uitspraak. Het hoger beroep moet nog behandeld worden.

Het bestreden besluit

3. Het CBR heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het rijbewijs van eiseres op goede gronden ongeldig is verklaard en het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond is. Eiseres heeft naar aanleiding van de gebeurtenis van 8 december 2023 twee rijvaardigheidsonderzoeken afgelegd. De rijvaardigheidsadviseurs waren van oordeel dat eiseres niet voldoet aan de eisen van rijvaardigheid. Het bestreden besluit is dan ook op juiste gronden genomen. Het dwingendrechtelijke karakter van artikel 27 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (Regeling) staat niet toe dat met het individueel belang van een betrokkene rekening wordt gehouden. Het algemene belang van de verkeersveiligheid staat per definitie boven ieder persoonlijk belang bij behoud van het rijbewijs.

Beroepsgronden

4.1.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat het CBR ten onrechte haar rijbewijs ongeldig heeft verklaard. Ouderen krijgen een intensievere beoordeling voor het rijbewijs wat in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Daarnaast acht eiseres het in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel dat aan ouderen bij het rijexamen hogere eisen worden gesteld dan aan andere kandidaten. Dit geldt temeer tegen de achtergrond dat een rijexamen van maar liefst tweeënhalf uur voor ouderen vanwege hun leeftijd fysiek en mentaal belastend is.

4.2.

Gelet op de opzet van het onderzoek naar de rijvaardigheid bij ouderen en daarmee de impact van dit onderzoek stelt eiseres dat de gevolgen van het bestreden besluit tot ongeldigverklaring onevenredig zijn in verhouding tot het met het besluit te dienen doel. Door de huidige opzet van het onderzoek wordt het onderzoek naar de mening van eiseres voor een ander doel gebruikt dan waarvoor dit bedoeld is.

4.3.

Verder is eiseres vóór het eerste onderzoek ziek geweest wat invloed heeft gehad op het resultaat. Voorafgaand aan het tweede onderzoek was eiseres zeer gespannen, omdat er veel op het spel stond. Ook had zij geen goede klik met de rijvaardigheidsadviseur van het CBR. Na de rijvaardigheidsonderzoeken heeft eiseres rijlessen genomen en op 6 januari 2025 heeft zij op eigen initiatief een rijtest gedaan bij de heer [rijinstructeur] van [rijopleiding] . De heer [rijinstructeur] acht eiseres nog voldoende capabel om op een veilige manier deel te nemen aan het verkeer. Op grond van dit standpunt stelt eiseres dat zij op een veilige manier aan het verkeer kan deelnemen en dat zij derhalve nog voldoende rijvaardig is. Volledigheidshalve merkt eiseres op dat zij een blanco verleden heeft op verkeersgebied.

Oordeel van de rechtbank

Omvang van het geding

5. Dit beroep ziet op het ongeldig verklaren van het rijbewijs van eiseres en niet op het opleggen van een rijvaardigheidsonderzoek of het schorsen van het rijbewijs. De omvang van het geding beperkt zich tot het bestreden besluit.

Gelijkheidsbeginsel

6. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Het CBR heeft in het verweerschrift gemotiveerd dat het rijvaardigheidsonderzoek niet uitsluitend voor ouderen is, maar voor iedere rijbewijshouder die een onderzoek naar de rijvaardigheid krijgt opgelegd. Het rijvaardigheidsonderzoek ziet er voor iedere persoon hetzelfde uit. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet met objectieve en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd dat voor ouderen andere maatstaven gelden ten aanzien van het rijvaardigheidsonderzoek. Dat dit volgens de gemachtigde in de praktijk wel het geval is, is de rechtbank niet gebleken. De beroepsgrond van eiseres slaagt dus niet.

Zorgvuldigheidsbeginsel

7.1.

Eiseres voert aan dat het bestreden besluit in strijd is genomen met het zorgvuldigheidsbeginsel.

7.2.

De rechtbank heeft in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek. Dat het CBR onvoldoende rekening heeft gehouden met de hoogbegaafdheid van eiseres, is niet gebleken en kan bovendien niet leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is genomen met het zorgvuldigheidsbeginsel.

7.3.

Artikel 133 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) en artikel 133 van het Reglement rijbewijzen (Reglement) bepalen de wijze waarop het onderzoek naar de rijvaardigheid dient te worden uitgevoerd. De rechtbank stelt vast dat het onderzoek conform deze artikelen heeft plaatsgevonden. Het is de rechtbank niet gebleken dat het onderzoek door het CBR op een onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

7.4.

Ten slotte heeft eiseres ter zitting nog aangevoerd dat zij tijdens het tweede rijvaardigheidsonderzoek wilde stoppen vanwege haar nervositeit maar toch is doorgereden, omdat er zeer veel van het onderzoek afhing. De rechtbank is van oordeel dat de goede procesorde zich tegen de bespreking van dit laatste argument van eiseres verzet. Zij heeft dit namelijk pas voor het eerst op de zitting inzake haar beroep geuit en het CBR heeft aangegeven dat zij hierop niet inhoudelijk kan reageren.

7.5.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het CBR onzorgvuldig heeft gehandeld.

Rijlessen bij [rijopleiding]

8.1.

De rechtbank stelt voorop dat het CBR de instantie is die oordeelt over de uitslagen van de rijvaardigheidsonderzoeken. De extra rijlessen en rijtest die eiseres bij rijinstructeur [rijinstructeur] heeft gevolgd, doen hier niets aan af. Het CBR is namelijk op grond van artikel 4aa, eerste lid, onder a WVW belast met het beoordelen van de rijvaardigheid. Dat rijinstructeur [rijinstructeur] eiseres nog wel voldoende rijgeschikt acht, kan eiseres in dit geval dus niet baten.

8.2.

Op grond van artikel 134, tweede lid WVW in combinatie met artikel 27, aanhef en onder b, van de Regeling moet het CBR een rijbewijs ongeldig verklaren als de uitslag van het rijvaardigheidsonderzoek onvoldoende is. Nu het CBR op grond van het rijvaardigheidsonderzoek heeft kunnen concluderen dat de rijvaardigheid van eiseres onvoldoende is, heeft het CBR ook terecht het rijbewijs van eiseres ongeldig verklaard.

Evenredigheidsbeginsel

9.1.

Artikel 3:4, tweede lid, van de Awb schrijft voor dat de voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Dit behelst de codificatie van het evenredigheidsbeginsel voor zover het gaat om toepassing van een discretionaire bevoegdheid van een bestuursorgaan bij het nemen van besluiten.

9.2.

Het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs is gegrond op artikel 134, tweede lid, WVW in combinatie met artikel 27, onder b, van de Regeling. De WVW is een wet in formele zin en artikel 134, tweede lid, van de WVW is dwingendrechtelijk geformuleerd. Deze bepaling, waaruit volgt dat het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid daartoe aanleiding geeft, kan daarom niet worden getoetst aan artikel 3:4, tweede lid van de Awb.

9.3.

In rechtsoverweging 9.11 van de uitspraak van 1 maart 20232 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) uiteengezet dat wel aanleiding kan bestaan voor zogenoemde contra-legem toepassing van algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht. Dit is het geval als zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.

9.4.

De rechtbank is van oordeel dat daarvoor in dit geval geen aanleiding is, alleen al omdat van bijzondere onevenredige gevolgen geen sprake is. De situatie waarin eiseres verkeert wijkt onvoldoende af van die van andere personen van wie het rijbewijs ongeldig is verklaard. Dat het volgens eiseres een feit van algemene bekendheid is dat ouderen voorzichtiger zouden rijden, levert ook geen bijzondere omstandigheid op. Bovendien kan eiseres weer in het bezit komen van een geldig rijbewijs door opnieuw een rijexamen af te leggen.

9.5.

De rechtbank heeft begrip voor de lastige situatie waarin eiseres zich bevindt doordat haar rijbewijs ongeldig is verklaard. Zij ziet op grond van het voorgaande echter geen grond of ruimte om artikel 134, tweede lid, WVW buiten toepassing te laten wegens de door eiseres gestelde strijd met het evenredigheidsbeginsel.

9.6.

Voor zover eiseres zich op het standpunt heeft gesteld dat de toepassing van artikel 27, onder b van de Regeling in haar geval onevenredig uitpakt, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank toetst het door eiseres bestreden besluit rechtstreeks aan het evenredigheidsbeginsel. Het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs op grond van voornoemd artikel van de Regeling berust op een gebonden bevoegdheid. In dat geval heeft op het niveau van het algemeen verbindende voorschrift al een belangenafweging in algemene zin plaatsgevonden. De uitkomst daarvan is neergelegd in de voorwaarden voor de uitoefening van die bevoegdheid. Daarmee is in beginsel ook de evenredigheid van het besluit gegeven. Toch kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing ervan voor eiseres zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat deze achterwege moet blijven.3 Zoals de rechtbank hiervoor onder 9.4 al heeft overwogen is in het geval van eiseres geen sprake van bijzondere omstandigheden. De rechtbank acht de toepassing van artikel 27, onder b van de Regeling voor eiseres daarom niet onevenwichtig.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de ongeldigheidsverklaring van het rijbewijs van eiseres in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid vanmr. S.C.J.J. van Roij, griffier op 19 september 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

De rechter is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 4aa, lid 1 onder a

Het CBR is belast met de volgende taken:

a. het beoordelen van de rijvaardigheid;

Artikel 132, tweede lid

Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

Artikel 133

1. In de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, bedoelde gevallen legt het CBR bij het in dat artikel bedoelde besluit betrokkene de verplichting op zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

2. Het CBR bepaalt de aard van het onderzoek en bepaalt door welke deskundige of deskundigen het onderzoek zal worden verricht.

3. Het onderzoek kan in gedeelten plaatsvinden. Tijd en plaats van het onderzoek dan wel de delen daarvan worden overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door het CBR vastgesteld.

4. De kosten verbonden aan het opleggen van een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid komen ten laste van iedereen aan wie overeenkomstig het eerste lid de verplichting tot deelname aan zo’n onderzoek is opgelegd. De hoogte van deze kosten wordt door het CBR vastgesteld. In geval van niet, niet geheel of niet op aangegeven wijze of binnen de aangegeven termijnen betalen van deze kosten vaardigt het CBR een dwangbevel uit aan de nalatige.

5. De kosten verbonden aan de uitvoering van het onderzoek, waarvan de hoogte door het CBR wordt vastgesteld, komen in de bij ministeriële regeling bedoelde gevallen ten laste van betrokkene.

6. Het onderzoek vangt zo spoedig mogelijk aan.

7. De bevindingen van het onderzoek worden door de deskundige of de deskundigen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk acht weken na aanvang van het onderzoek, dan wel van het eerste gedeelte daarvan, schriftelijk meegedeeld aan het CBR.

8. Het CBR kan in bijzondere gevallen toestaan dat door de deskundige of de deskundigen van de in het zesde lid bedoelde termijn wordt afgeweken.

Artikel 134, tweede en derde lid

2. Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

3. Indien het CBR voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, deelt het dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen. De aan dit tweede onderzoek verbonden kosten, waarvan de hoogte door het CBR wordt vastgesteld, komen ten laste van betrokkene. De artikelen 132 en 133 alsmede het eerste en het vierde lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing. De in de eerste volzin bedoelde mededeling wordt niet gedaan, indien het rijbewijs van de houder inmiddels op grond van artikel 123b ongeldig is geworden.

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 27

Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene:

  1. niet de rijvaardigheid bezit voor de desbetreffende categorie of categorieën motorrijtuigen;

  2. niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijk en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »