ECLI:NL:RBROT:2026:9582

Datum uitspraak
10-07-2026
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
11960019 CV EXPL 25-24252
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Veroordeling in werkelijke proceskosten na onnodig starten tweede procedure.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 11960019 CV EXPL 25-24252

datum uitspraak: 10 juli 2026

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

[eiser], die handelt onder de naam

[handelsnaam],

woonplaats: [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: [gemachtigde] ([bedrijf] B.V.),

tegen:

[gedaagde] B.V.,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. L.R. Ridderbroek.

De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende stukken:

  • de dagvaarding van 27 oktober 2025, met bijlagen;

  • het antwoord, met bijlagen;

  • de repliek, met bijlagen;

  • de akte van [gedaagde], met bijlagen;

  • de mail van [eiser] van 7 maart 2026, met bijlagen.

1.2.

Op 19 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting met partijen en hun gemachtigden besproken.

2 De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

2.1.

[gedaagde] heeft incassowerkzaamheden verricht in opdracht van [eiser]. Hiervoor moest hij een factuur betalen, maar dat heeft hij niet gedaan. Wel is hij in 2024 een procedure gestart tegen [gedaagde]. [eiser] eiste daarin betaling van een schadevergoeding, omdat [gedaagde] zou zijn tekortgeschoten in de nakoming van de incasso-opdracht. [gedaagde] was het hier niet mee eens en eiste naast betaling van haar factuur, een vergoeding van de werkelijke proceskosten. [eiser] en [gedaagde] hebben toen op zitting afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in een pv. Deze afspraken zijn volgens [gedaagde] niet nagekomen en daarom heeft zij beslag gelegd op het loon van [eiser] en het verschuldigde op die manier geïncasseerd. [eiser] is opnieuw een procedure gestart, omdat hij vindt dat [gedaagde] disproportioneel en onzorgvuldig heeft gehandeld. Hij eist rectificatie van onjuiste verklaringen, excuses, opheffing van het beslag en een verbod op herhaling van onrechtmatig handelen. [gedaagde] is het daar niet mee eens en eist weer vergoeding van de werkelijke proceskosten. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af. Hierna wordt uitgelegd waarom.

Vorderingen [eiser]

2.2.

De dagvaarding en de aanvullende stukken van [eiser] zijn zodanig onduidelijk dat daaruit niet goed kan worden opgemaakt om welke reden de procedure is gestart. Het lijkt erop dat hij het er niet mee eens is dat en hoe [gedaagde] de vordering van de vorige procedure heeft geïncasseerd. Hierin kan hij niet worden gevolgd.

2.3.

In de eerdere procedure hebben [eiser] en zijn gemachtigde met [gedaagde] op de zitting van 9 januari 2025 de volgende afspraken gemaakt:

‘1. [eiser] betaalt aan [gedaagde] een bedrag van € 1,000.00.

2. [bedrijf] B.V. betaalt aan [gedaagde] een bedrag van € 1.500.00.

3. Betaling van beide bedragen dient plaats te vinden uiterlijk op 8 maart 2025 door

overmaking op rekeningnummer van [rekeningnummer] ten name van [gedaagde]

onder vermelding van ‘[kenmerk]’.

4. Bij gebreke van de volledige betaling van het bedrag van € 2.500.00 verplichten [eiser]

en [bedrijf] B.V. zich tot hoofdelijke betaling van het totale

bedrag van € 6.415,49 conform de specificatie die aan dit proces-verbaal is gehecht.

5. Partijen verplichten zich over en weer om geen negatieve uitlatingen over elkaar te doen

tegenover derden en of op sociale media.

6. Partijen verlenen elkaar na afwikkeling van het vorenstaande finale kwijting. Dat

betekent dat zij niets anders van elkaar te vorderen hebben dat te maken heeft met deze

zaak.’

2.4.

Afgesproken was dus dat [eiser] en zijn gemachtigde voor 8 maart 2025 € 2.500,- aan [gedaagde] moesten betalen, bij gebreke waarvan het totale bedrag van € 6.415,49 verschuldigd werd. [eiser] heeft zijn deel op tijd betaald, maar de gemachtigde haar deel niet. Omdat de betaling van de gemachtigde niet op de afgesproken datum was ontvangen, heeft [gedaagde] op 10 maart 2025 een brief gestuurd en aanspraak gemaakt op het totale bedrag. Niet valt in te zien dat en waarom zij daartoe niet op goede gronden mocht overgaan. De afspraak tussen partijen was duidelijk. Dat de gemachtigde in het ziekenhuis lag en daardoor niet op tijd kon betalen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Onduidelijk is gebleven waarom de betaling niet in haar opdracht door een ander had kunnen worden gedaan. Zij was namelijk wel in de gelegenheid om op 8 maart 2025 de rechtbank te mailen met een verzoek om uitstel. Hierbij is zij bovendien uit het oog verloren dat zij dit verzoek aan [gedaagde] had moeten sturen en dat de zaak vanwege de afspraken op 9 januari 2025 bij de rechtbank was doorgehaald. Dat zij als gemachtigde daaraan niet heeft gedacht, moet voor haar rekening en risico komen. Uiteindelijk heeft zij op 26 maart 2026 haar deel betaald, maar toen was inmiddels het totale bedrag verschuldigd geworden. [gedaagde] heeft dat vervolgens geïncasseerd door middel van het leggen van loonbeslag ten laste van [eiser]. Gelet op dat wat hiervoor staat, mocht zij dit doen. Er is dan ook geen sprake van disproportioneel of onzorgvuldig handelen. Daarom worden de vorderingen van [eiser] afgewezen. De vordering tot het opheffen van het beslag wordt ook afgewezen bij gebrek aan belang, omdat het totaal verschuldigde al is geïncasseerd.

Proceskosten

2.5.

De proceskosten komen voor rekening van [eiser], omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). [gedaagde] heeft betoogd dat haar volledige proceskosten moeten worden vergoed, omdat sprake is van misbruik van procesrecht dan wel onrechtmatig procederen van [eiser] door voor de tweede keer een onzinprocedure te starten. Daarbij verwijst zij onder andere naar de kwaliteit van de processtukken die volgens haar AI-gegeneerd zijn en zodanig onsamenhangend dat het voeren van passend verweer onnodig werd bemoeilijkt.

2.6.

Hoewel de lat voor toekenning van de daadwerkelijke proceskosten (terecht) hoog ligt, wordt geoordeeld dat die lat hier wordt gehaald. Uit de afspraken die in de eerste procedure zijn gemaakt, blijkt duidelijk dat dat ook in die zaak het geval was. Toch kiest (de gemachtigde van) [eiser] ervoor een nieuwe procedure te starten waarvan de grondslag onduidelijk is gebleven, maar de aanleiding direct lijkt samen te hangen met het zelf niet nakomen van de gemaakte afspraken in de andere zaak. Dat [gedaagde] daaraan vervolgens de gevolgen verbindt die ook waren afgesproken, maken de keuze voor het starten van de procedure alleen maar moeilijker te begrijpen. Hierbij komt dat de gemachtigde van [eiser] op basis van dezelfde omstandigheden een tuchtrechtelijke klacht tegen [gedaagde] had ingediend, die de Raad van Discipline in een uitspraak van 15 december 2025 op alle punten ongegrond heeft verklaard. Dit was tenminste een aanwijzing dat ernstig getwijfeld had moeten worden aan de haalbaarheid van de vorderingen in deze procedure. De gemachtigde van [eiser] had er toen nog voor kunnen kiezen die te beëindigen, maar dat heeft zij dus niet gedaan. Een en ander leidt tot de conclusie dat sprake is van een situatie die een veroordeling tot betaling van de volledige proceskosten rechtvaardigt.

2.7.

[gedaagde] maakt aanspraak op een bedrag van € 11.124,-. Zij heeft dit onderbouwd met een specificatie. Volgens [eiser] is de hoogte van deze kosten disproportioneel. Zonder daarin mee te gaan en afbreuk te willen doen aan de tijdsbesteding die uit de specificatie blijkt, wordt wel aanleiding gezien de gevraagde vergoeding te matigen tot een redelijk geacht bedrag van € 7.500,-. Hierbij is meegenomen dat [gedaagde] het procederen in eigen hand heeft gehouden. Zij voert terecht aan dat ook dan aanspraak bestaat op een vergoeding van proceskosten, maar dat ziet meer op een afdoening op basis van het liquidatietarief. Dat is hier dus niet aan de orde. Verder is de positie van [eiser] meegenomen. Het is zijn gemachtigde die verantwoordelijk is voor de gemaakte keuzes en of [eiser] daarvan de gevolgen heeft (kunnen) overzien, moet ernstig worden betwijfeld. De procedure wordt echter wel op zijn naam gevoerd en dat betekent dus ook dat hij wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De omstandigheden die hebben geleid tot die veroordeling liggen echter vooral in de sfeer van zijn gemachtigde.

Uitvoerbaar bij voorraad

2.8.

Dit vonnis mag meteen worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen (uitvoerbaar bij voorraad, artikel 233 Rv).

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

wijst de vorderingen af;

3.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden vastgesteld op € 7.500,-;

3.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskostenveroordeling.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.

49196

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »