ECLI:NL:RBROT:2026:8102

Datum uitspraak
11-06-2026
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
11685697 CV EXPL 25-1901
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eindvonnis. Overeenkomst van opdracht voor chauffeurswerkzaamheden. Opdrachtnemer is dan wel tekortgeschoten, maar de schade van opdrachtgever is niet door deze tekortkoming ontstaan. Opdrachtgever heeft de schade zelf veroorzaakt, door geen andere chauffeur aan haar klant aan te bieden. Van opdrachtgever mocht worden verwacht dat zij oplossingen nastreeft en geen ruzie maakt met toch al boze klanten.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht

zaaknummer: 11685697 CV EXPL 25-1901

datum uitspraak: 11 juni 2026

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

[persoon A] , die handelt onder de naam [handelsnaam A],

woonplaats: [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

gemachtigde: [naam gemachtigde] (Van Houwelingen & Partners),

tegen

[bedrijf B] ,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. I.C.M.C. Henriquez-van de Wetering.

De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’ en ‘ [bedrijf B] ’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

  • de dagvaarding van 25 april 2025, met bijlagen;

  • het antwoord met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;

  • het antwoord in reconventie.

1.2.

Op 17 april 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [persoon A] en zijn gemachtigde en de heer [persoon B] namens [bedrijf B] en haar gemachtigde.

2 De beoordeling

Wat is de kern?

2.1.

[persoon A] heeft in opdracht van [bedrijf B] als chauffeur gewerkt. [persoon A] heeft daarvoor aan [bedrijf B] facturen gestuurd voor een totaalbedrag van € 4.215,88. [bedrijf B] betaalt de facturen niet. Zij stelt dat zij € 27.632,25 aan schade heeft geleden, omdat zij door [persoon A] een grote klant is kwijtgeraakt.

2.2.

De kantonrechter wijst de eis van [persoon A] toe. De eis van [bedrijf B] wordt afgewezen. Deze beslissingen worden hierna uitgelegd.

[bedrijf B] moet € 4.215,88 betalen

2.3.

[persoon A] stelt dat hij in de weken 44 tot en met 50 van 2024 in opdracht van [bedrijf B] als chauffeur heeft gewerkt voor een uurloon van € 26,50 exclusief btw. Het aantal gewerkte uren en het uurloon heeft [bedrijf B] niet betwist. [bedrijf B] moet daarom de facturen van in totaal € 4.215,88 inclusief btw aan [persoon A] betalen, tenzij haar verweer slaagt.

[persoon A] hoeft geen € 27.632,25 te betalen

2.4.

[persoon A] heeft een belangrijke en veeleisende klant van [bedrijf B] op 12 december 2024 niet op tijd afgezet en naar een verkeerd adres gebracht. Dat waren tekortkomingen die de klant hoog opnam. De secretaresse van de klant heeft [persoon B] gebeld en gevraagd om per direct een andere chauffeur ter beschikking te stellen. [persoon B] is de directeur van [bedrijf B] . Dat gesprek ‘liep het uit de hand’ tussen [persoon B] en de secretaresse. Daarna heeft de klant telefonisch opgezegd.

2.5.

[persoon A] is weliswaar tekortgeschoten jegens [bedrijf B] omdat hij de rit van 12 december 2024 niet goed heeft uitgevoerd, maar de schade is niet door deze tekortkoming ontstaan.

2.6.

[bedrijf B] heeft de schade zelf veroorzaakt, omdat haar directeur [persoon B] de zaak niet heeft opgelost door een andere chauffeur aan te bieden. Hij had bijvoorbeeld zijn dienst met [persoon A] kunnen ruilen, of reserve (zzp)personeel achter de hand kunnen houden. Van een directeur van een dergelijk bedrijf mag verwacht worden, dat zij oplossingen nastreeft en géén ruzie maakt met toch al boze klanten. Omdat het probleem door hem niet is opgelost heeft de klant opgezegd en is schade ontstaan. Dat betekent dat de vordering van [bedrijf B] wordt afgewezen.

[bedrijf B] moet incassokosten van € 546,59 betalen

2.7.

Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 546,59 toegewezen. Dit is het bedrag waarop [persoon A] recht heeft volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.

[bedrijf B] moet rente van € 145,24 betalen

2.8.

Het gaat in deze zaak om een handelsovereenkomst, zodat artikel 6:119a BW van toepassing is. [persoon A] heeft op de zitting gezegd dat de betalingstermijn van zijn facturen 30 dagen is. Dat is door [bedrijf B] niet betwist. Niet in geschil is dat de vervaltermijnen van de facturen van [persoon A] zijn verstreken. [persoon A] heeft daarom voldoende gesteld en de rente van € 145,24 wordt toegewezen.

2.9.

Dat betekent dat [bedrijf B] € 4.907,71 (€ 4.215,88 + € 546,59 + € 145,24) aan [persoon A] moet betalen.

[bedrijf B] moet de proceskosten betalen

2.9.

De proceskosten komen voor rekening van [bedrijf B] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [bedrijf B] aan [persoon A] moet betalen op:

In conventie:

  • € 122,35 aan dagvaardingskosten;

  • € 257,00 aan griffierecht;

  • € 542,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 271,00); en

  • € 135,00 aan nakosten.

In reconventie:

- € 203,00 € 203,00 aan salaris voor de gemachtigde (1/2e punt x € 406,00).

Dat is in totaal € 1.056,35 in conventie en in totaal € 203,00 in reconventie. Hier kan nog een bedrag bij komen als het vonnis wordt betekend.

Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad

2.10.

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [persoon A] dat eist en [bedrijf B] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

In conventie

3.1.

veroordeelt [bedrijf B] om aan [persoon A] te betalen € 4.907,71 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 4.215,88 vanaf 25 april 2025 tot de dag dat volledig is betaald;

3.2.

veroordeelt [bedrijf B] in de proceskosten, die aan de kant van [persoon A] worden vastgesteld op € 1.056,35;

3.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst al het andere af;

In reconventie

3.5.

wijst de vorderingen van [bedrijf B] af;

3.6.

veroordeelt [bedrijf B] in de proceskosten, die aan de kant van [persoon A] worden vastgesteld op € 203,00.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. D. Greve en in het openbaar uitgesproken.

67379

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »