RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11587645 CV EXPL 25-5521
datum uitspraak: 17 april 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
1 [eiser 1] ,en
2. [eiser 2] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
eisers,
gemachtigde: mr. R.D.G. de Grave,
tegen
1 [gedaagde 1] B.V.,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , en2. [gedaagde 2] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagden,
gemachtigde: mr. M.R. de Kok.
Eisers worden hierna ‘ [eiser 1] ’, ‘ [eiser 2] ’ en gezamenlijk ‘ [eisers] ’ genoemd. Gedaagden worden hierna ‘ [gedaagde 1] ’, ‘ [gedaagde 2] ’ en gezamenlijk ‘ [gedaagden] ’ genoemd.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
-
de dagvaarding van 4 maart 2025, met bijlagen 1 tot en met 18;
-
het antwoord, met bijlagen 1 tot en met 15;
-
de akte met aanvullende producties, met bijlagen 19 tot en met 22;
-
de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eisers]
Op 16 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [eiser 2] mede namens [eiser 1] met hun gemachtigde en mevrouw [naam] (beheerder van de woningen) en [gedaagde 2] mede namens [gedaagde 1] met de gemachtigde.
2 De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
[gedaagde 2] huurt vanaf 1 oktober 2019 een woning aan de [adres 1] te [woonplaats] van [eisers] en [gedaagde 1] , het bedrijf van [gedaagde 2] , huurt vanaf 1 september 2020 een woning aan de [adres 2] te [woonplaats] van [eisers] .
[gedaagden] gebruiken de woningen (met name) om onder te verhuren aan derden.
In artikel 2.1 van de Algemene Bepalingen die volgens [eisers] van toepassing zijn op de huurovereenkomsten, is opgenomen dat de huurder schriftelijk toestemming dient te vragen aan de verhuurder indien hij wenst dat het gehuurde door derden wordt bewoond. [eisers] eisen dat dat de kantonrechter de huurovereenkomsten ontbindt, omdat [gedaagden] de woningen onderverhuren zonder toestemming. [gedaagden] zijn het met de eis niet eens, omdat er volgens hen wel toestemming is voor onderhuur.
De kantonrechter ontbindt de huurovereenkomsten niet en [gedaagden] hoeven van de kantonrechter de woningen niet te ontruimen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Toestemming voor onderhuur
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagden] de twee woningen onderverhuren. Uit de tussen partijen gevoerde (whatsapp) correspondentie1 blijkt dat [eisers] reeds voor de aanvang van de huurovereenkomsten bekend waren met het voornemen van [gedaagde 2] (en later [gedaagde 1] ) om de woningen onder te verhuren aan derden. [eisers] hebben hiertegen niet geprotesteerd. Integendeel, partijen zijn overgegaan tot het sluiten van de huurovereenkomsten. Bovendien hebben [eisers] na het sluiten van de huurovereenkomsten meerdere keren expliciet toestemming verleend voor onderverhuur aan (nieuwe) huurders door desgevraagd aan [gedaagden] verhuurdersverklaringen te verstrekken ten behoeve van de inschrijving van deze derden. Een beroep op het onderverhuurverbod in de Algemene Bepalingen, wat ook zij van de toepasselijkheid van die bepalingen, komt aan [eisers] in deze omstandigheden niet toe.
[eisers] hebben op de mondelinge behandeling nog betoogd dat zij nooit toestemming hebben verleend voor onbeperkte en onbegrensde onderverhuur aan derden. Ook dit betoog slaagt niet. [eisers] hebben weliswaar aangevoerd dat voor hen eind 2021 een “kantelpunt” kwam, omdat [gedaagden] vanaf dat moment geen personalia van de onderhuurders meer deelden, maar daar kan niet uit worden afgeleid dat [gedaagden] hebben gehandeld in strijd met hun verplichtingen uit de huurovereenkomsten. Uit de in het geding gebrachte correspondentie tussen partijen blijkt niet dat [eisers] bij het sluiten van de huurovereenkomsten dan wel op het moment dat voor hen duidelijk werd dat [gedaagden] wilden onderverhuren, kenbaar hebben gemaakt dat zij enkel toestemming verleenden voor onderhuur als de personalia van onderhuurders werden gedeeld. Dat [gedaagden] handelen in strijd met hun verplichtingen als huurder door geen gegevens van hun onderhuurders te willen verstrekken, is ook overigens niet gebleken. [eisers] hebben in dit verband weliswaar een beroep gedaan op artikel 2.2 van de Algemene Bepalingen, maar dit artikel lid, wat ook zij van de toepasselijkheid ervan, zou alleen gelden bij onderverhuur zonder toestemming van [eisers] en daarvan is, zoals hiervoor overwogen, geen sprake.
De conclusie
De conclusie is dat [eisers] voor beide woningen aan [gedaagden] toestemming hebben verleend tot onderverhuur aan derden en dat deze toestemming onderdeel uitmaakt van de tussen partijen geldende afspraken. [eisers] kunnen deze afspraken zonder instemming van [gedaagden] niet eenzijdig wijzigen. Er is dan ook geen sprake van een tekortkoming aan de kant van [gedaagden] en daarom worden de vorderingen van [eisers] afgewezen.
[eisers] moeten de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [eisers] , omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eisers] aan [gedaagden] moeten betalen op € 434,- aan salaris voor de gemachtigde (twee punten x € 217,-) en € 108,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 542,50. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. Voor het toekennen van een hogere proceskostenveroordeling, zoals door [gedaagden] betoogd met een beroep op de schending van de waarheidsplicht door [eisers] , bestaat onvoldoende aanleiding, nu van misbruik van procesrecht niet is gebleken.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagden] dat eisen en [eisers] daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt (artikel 233 Rv).
3 De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vordering van [eisers] af;
veroordeelt [eisers] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagden] worden begroot op € 542,50;
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
62574