RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/716601 / JE RK 26-508
Datum uitspraak: 9 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam oma] ,
hierna te noemen de oma moederszijde (mz), wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J. Oversluizen, kantoorhoudende in Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam tante] ,
hierna te noemen: de tante moederszijde (mz), wonende in [woonplaats] .
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 17 maart 2026, door de rechtbank ontvangen op diezelfde datum.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
-
de oma mz met haar advocaat;
-
de tante mz;
-
een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
-
een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna te noemen: de GI), [naam 2] .
Aangezien de oma mz de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar
wel de Poolse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van
A. Glinka, tolk in de Poolse taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is
beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
2 De feiten
Bij beschikking van 21 januari 2021 is [minderjarige] onder voogdij gesteld van de oma mz.
[minderjarige] verblijft vrijwillig bij Prokino.
3 Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad handhaaft op de zitting het verzoek. [minderjarige] heeft te maken gehad met een onveilige thuissituatie en fysiek geweld. Daarnaast bestaan er forse zorgen over haar complexe problematiek. [minderjarige] verblijft sinds mei 2025 op vrijwillige basis bij Prokino. Daar ontvangt zij onvoldoende passende hulp. Ook gaat zij niet naar school. [minderjarige] is inmiddels aangemeld bij Horses & Co voor dagbesteding. In de tussentijd moet duidelijk worden of een twee- of drie-milieuvoorziening het meest geschikt is. De inzet van een jeugdbeschermer is noodzakelijk om op korte termijn duidelijkheid te krijgen over een passend traject voor [minderjarige] .
4 De standpunten
De GI ondersteunt op de zitting het verzoek van de Raad. De betrokkenheid van een jeugdbeschermer is nodig om de situatie te stabiliseren en om te onderzoeken welke hulp [minderjarige] nodig heeft. Het is belangrijk dat snel duidelijkheid komt over haar perspectief en passende behandeling. 4.2. Door en namens de oma mz wordt op de zitting ingestemd met het verzoek van de Raad. De oma mz maakt zich zorgen over [minderjarige] . [minderjarige] vertoonde al langere tijd zorgelijk gedrag. De oma mz wist niet goed hoe zij hiermee om moest gaan. Eerdere vrijwillige ondersteuning in de thuissituatie is onvoldoende van de grond gekomen en na de plaatsing bij Prokino gestopt. [minderjarige] heeft specialistische hulp nodig. De GI moet zo snel mogelijk onderzoeken welke plek en behandeling het meest passend zijn gelet op haar kwetsbaarheid en belaste voorgeschiedenis.
5 De informant
De tante mz brengt op de zitting naar voren dat zij de oma mz heeft ondersteund bij de opvoeding van [minderjarige] . Ook de tante mz maakt zich zorgen over [minderjarige] . Zowel thuis als op school waren er problemen, waaronder boosheid en conflicten met anderen. De tante mz probeert [minderjarige] nog steeds te ondersteunen en contact met haar te onderhouden.
6 De beoordeling
Op basis van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.1 Ook is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding.2 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
[minderjarige] verblijft sinds mei 2025 vrijwillig op een meidengroep bij Prokino. Daarvoor woonde zij bij de oma mz, tevens haar voogd, en de tante mz. In deze periode was sprake van een instabiele en onveilige opvoedsituatie, waarover [minderjarige] melding heeft gemaakt van mishandeling. Daarnaast bestaan al langere tijd zorgen over haar gedrags- en hechtingsproblematiek, haar sociaal-emotionele ontwikkeling en haar cognitief functioneren. De problematiek van [minderjarige] is complex en overstijgt het vrijwillig kader. De oma mz heeft zich, met hulp van de tante mz, ingespannen om [minderjarige] te ondersteunen. Zij heeft echter aangegeven dat zij momenteel onvoldoende in staat is om [minderjarige] de benodigde hulp en structuur te bieden. Ook de huidige plaatsing bij Prokino sluit onvoldoende aan bij de behoeften van [minderjarige] . De kinderrechter acht het zorgelijk dat [minderjarige] al geruime tijd uit huis is zonder dat duidelijkheid bestaat over een passende plek waar zij de behandeling kan krijgen die ze nodig heeft. Daarnaast gaat [minderjarige] inmiddels al langere tijd niet naar school.Er bestaat te veel onduidelijkheid over het vervolgtraject. [minderjarige] is aangemeld bij Horses & Co, maar verdere stappen zijn blijkbaar nog niet gezet, terwijl [minderjarige] al een jaar bij Prokino woont. Uit het raadsrapport volgt dat de gedragswetenschapper van Prokino een twee-milieuvoorziening met inzet van een coach passend vindt, terwijl de Raad uitgaat van een drie-milieuvoorziening. Het is van belang dat de GI op korte termijn onderzoekt welke verblijfplek en behandeling het meest passend zijn, zodat [minderjarige] kan werken aan haar ontwikkeling en voorbereiding op zelfstandigheid. De kinderrechter verwacht dat binnen de verzochte duur van zes maanden duidelijkheid ontstaat over een passende plek en dat concrete stappen worden gezet in de behandeling en begeleiding van [minderjarige] .
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht stellen van de GI voor de duur van een jaar. Ook zal de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlenen voor de duur van zes maanden.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 9 april 2026 tot 9 april 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 9 april 2026 tot 9 oktober 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026 door mr. A.M.I. van der Does, kinderrechter, in aanwezigheid van A.L.I. Janssens als griffier, en op schrift gesteld op 16 april 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.