RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/715494 / JE RK 26-378
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] ,
geboren op [geboortedatum 3] 2024 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
[minderjarige 4] ,
geboren op [geboortedatum 4] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 4] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. N. Nentjes, kantoorhoudende te Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[vader] ,
hierna te noemen: de vader.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de Raad van 25 februari 2026 met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 25 februari 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
- een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de GI), [vertegenwoordiger 2] .
Bijzondere toegang is verleend aan mr. B.J.M. Decker, advocaat-stagiair bij het kantoor van mr. Nentjes.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige 2] en [minderjarige] naar hun mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven. [minderjarige 2] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] en [minderjarige] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
[minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wonen met de moeder bij de gezinsopvang [gezinsopvang] . [minderjarige] verblijft door de week bij de oom en tante moederszijde (hierna: mz) en in het weekend bij de moeder op de opvanglocatie.
3 Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , in een netwerkpleeggezin, te weten bij oom en tante mz, te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad handhaaft het verzoek en licht het als volgt toe. In het verleden was er sprake van fors huiselijk geweld waardoor de moeder en de kinderen al langere tijd bij de opvanglocatie verblijven. De afgelopen periode gaat het volgens de opvang minder goed. De moeder zorgt onvoldoende voor de kinderen en hun appartement is een puinhoop. De opvang heeft aangegeven dat als de leefsituatie niet verandert, de moeder een officiële waarschuwing krijgt. De kinderen hebben op dit moment geen contact met de vader. De vader woont sinds kort begeleid bij [woongroep] en krijgt ambulante begeleiding voor zijn alcoholverslaving vanuit Fivoor. De moeder wordt aangemeld voor een persoonlijkheidsonderzoek (hierna: PO), nu de resultaten hiervan nodig zijn om een WLZ-indicatie voor het gezin aan te vragen. Ten aanzien van de uithuisplaatsing verexcuseert de Raad zich voor de fout in het verzoek, waarin stond dat voor alle kinderen een uithuisplaatsing werd verzocht. Desgevraagd kan de Raad instemmen met een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] tot 12 juli 2026, omdat het de bedoeling van de Raad is dat [minderjarige] tot aan de zomervakantie door de week bij zijn oom en tante is zodat hij naar school kan.
4 De standpunten
De GI ondersteunt het verzoek van de Raad. Uit het raadsrapport volgen forse zorgen en er is hulpverlening voor het gezin nodig om de situatie te verbeteren. Ook is het zorgelijk dat sinds [minderjarige 2] weer bij de moeder op de opvanglocatie verblijft, er sprake is van schoolverzuim. Nog onbekend is op welke termijn een jeugdbeschermer voor het gezin beschikbaar is, maar gezien de zorgen zal er urgentie aan de zaak worden gegeven.
Door en namens de moeder wordt ter zitting geen verweer gevoerd tegen de ondertoezichtstelling. De moeder begrijpt de zorgen en staat open voor hulpverlening. Wel is het zorgelijk dat nog onbekend is op welke termijn een jeugdbeschermer voor het gezin beschikbaar is. De moeder ontvangt momenteel Intensieve Hulpverlening (hierna: IH), maar zij hebben aangegeven direct te stoppen wanneer de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken. Dit is gezien de zorgen niet wenselijk. Eerder ging het minder goed op de opvang omdat de moeder niet goed in haar vel zit. Inmiddels gaat het beter. De moeder staat op de wachtlijst bij de psycholoog en praat intussen met de praktijkondersteuner (hierna: POH). De kinderen hebben momenteel geen contact met de vader. De moeder heeft aan de vader voorgesteld een vast belmoment tussen hem en de kinderen af te spreken, maar hij heeft hier helaas geen gebruik van gemaakt. Ten aanzien van de uithuisplaatsing van [minderjarige] verzoekt de advocaat deze te verlenen voor een kortere duur, te weten tot 12 juli 2026. De bedoeling is dat [minderjarige] bij de oom en tante mz blijft tot aan de zomervakantie. [minderjarige] kan dan direct naar de moeder terugkeren. [minderjarige] is inmiddels al ingeschreven op een middelbare school in de buurt van de moeder. De advocaat wil benadrukken hoe erg de moeder is geschrokken van het foutieve verzoekschrift van de Raad. Hier moet zorgvuldiger mee worden omgegaan. Desgevraagd is er bij [minderjarige 2] geen sprake van schoolverzuim sinds zij bij de moeder woont.
5 De beoordeling
De ondertoezichtstelling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.1 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Uit de stukken en de mondelinge behandeling volgt dat [minderjarige] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kinderen zijn opgegroeid in een onveilige opvoedsituatie waarbij sprake was van huiselijk geweld, relationele problematiek tussen de ouders en middelengebruik. Ook ontbreekt het hen aan een stabiele woonplek, nu zij in juni 2025 uit huis zijn gezet. Sindsdien hebben de gezinsleden, ook los van elkaar, op meerdere plekken verbleven. Sinds augustus 2025 verblijven de moeder, [minderjarige 3] en [minderjarige 4] bij de opvanglocatie. Sinds januari 2026 verblijft [minderjarige 2] ook op de opvanglocatie nadat zij eerder door de week bij de grootmoeder moederzijde verbleef. Uit het raadsrapport volgt dat [minderjarige 2] het over het algemeen fijn heeft op school en er geen schoolverzuim meer is. De moeder heeft goede intenties, maar het lukt haar onvoldoende om de situatie te verbeteren, ook niet met de huidige intensieve begeleiding. De moeder voelt zich eenzaam en beperkt in haar doen en laten bij de opvanglocatie. De moeder lijkt door de gehele situatie overbelast waardoor zij minder (emotioneel) beschikbaar is voor de kinderen. Daarnaast zijn er zorgen over mogelijk contactverlies tussen de kinderen en de vader, nu zij sinds november 2024 geen contact meer met elkaar hebben. Dit na een incident waarbij de vader zonder toestemming de opvanglocatie binnen is gekomen.
Er zijn al langere tijd meerdere hulpverleningsinstanties in het vrijwillig kader bij het gezin betrokken, maar dit heeft niet tot de gewenste verandering geleid. De kinderrechter ziet een betrokken en liefdevolle moeder die het beste wil voor haar kinderen, maar momenteel overvraagd wordt en extra sturing en begeleiding nodig heeft in het gedwongen kader. Hoewel de moeder deels bereid is mee te werken aan de hulpverlening, is zij onvoldoende in staat om zelfstandig de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen. Belangrijk is dat er een jeugdbeschermer bij het gezin betrokken raakt die naast de moeder staat, de regie voert en de juiste hulpverlening inzet. Van belang is dat de moeder in gesprek blijft met de POH en binnenkort hopelijk kan starten bij de psycholoog zodat zij beter in haar vel komt te zitten en voldoende emotioneel beschikbaar kan zijn voor de kinderen. Ook dient de moeder mee te werken aan de aanvullende hulpverlening die door de jeugdbeschermer noodzakelijk wordt geacht, zoals het afnemen van een PO in het licht van het vinden van een passende woonplek voor de moeder en de kinderen. Verder dient te worden bezien hoe de omgang tussen de vader en de kinderen, voor zover dat veilig is, kan worden opgestart en begeleid.
De kinderrechter acht het van groot belang dat op zeer korte termijn een jeugdbeschermer voor het gezin beschikbaar is, nu door het uitspreken van de ondertoezichtstelling de hulpverlening van IH wegvalt terwijl de zorgen groot zijn.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht voor de duur van een jaar, te weten tot 20 maart 2026.
Machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige]
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.2
[minderjarige] verblijft sinds augustus 2025 doordeweeks bij de oom en tante mz, zodat hij groep acht op zijn huidige basisschool kan afronden. [minderjarige] gaat in de weekenden wel naar de moeder en zijn broertjes en zusje op de opvanglocatie. Nu er een ondertoezichtstelling is uitgesproken en [minderjarige] het merendeel van de tijd niet bij de moeder met gezag verblijft, is een machtiging tot uithuisplaatsing nodig. Met de oom en tante mz is afgesproken dat zij de zorg voor [minderjarige] dragen tot aan de zomervakantie. Gelet op de start van de schoolvakantie van [minderjarige] , zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het netwerkpleeggezin, te weten bij de oom en tante mz, tot 12 juli 2026 verlengen en het verzoek voor het overige afwijzen. De komende periode is het van belang dat de moeder actief meewerkt aan de hulpverlening en zij stappen vooruit maakt, zodat zij ook [minderjarige] bij terugkeer een veilige en stabiele opvoedsituatie kan bieden.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 20 maart 2026 tot 20 maart 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij oom en tante mz, met ingang van 20 maart 2026 tot 12 juli 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026 door mr. J.C.M. Persoon, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.T. van Ringelesteijn als griffier, en op schrift gesteld op 1 april 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.