RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/725846 / JE RK 26-1745
Datum uitspraak: 11 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
bijgestaan door advocaat mr. J. Dekker, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam vader] ,
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2] .
1 Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 3 september 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- het gezinsplan van de GI van 1 juni 2026, ingekomen op 8 september 2026.
Op 11 september 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A].
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft op een open groep van [zorg instelling] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 augustus 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 13 juli 2027 en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 11 februari 2027.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 september 2026 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend voor een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken. De belanghebbenden moeten nog op deze beslissing worden gehoord.
3 Het (aangehouden) verzoek van de GI
De GI heeft verzocht een de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier weken. Dit deel van het verzoek is reeds toegewezen. Aansluitend verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 13 juli 2027. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. De zorgen over de [minderjarige] zijn onverminderd groot. De plek waar [minderjarige] voorheen verbleef, bij Gloeizorg, was niet langer passend en een plek binnen een gesloten setting is niet gevonden. Door [zorg instelling] wordt [minderjarige] nu een hele mooie kans geboden, binnen een open en kleinschalige setting op een locatie in de bossen. Zij krijgt hier een-op-een-begeleiding. Ook kan zij vanaf volgende week paardrijlessen gaan volgen. De GI ziet dat [minderjarige] het goed doet sinds haar plaatsing bij [zorg instelling] . De komende periode zal nodig zijn om te werken aan onderwijs, diagnostiek en behandeling om duurzaam resultaat te boeken.
4 Het standpunt van de moeder
Door en namens de moeder is ter zitting ingestemd met het verzoek van de GI. De moeder staat positief tegenover de nieuwe plek bij [zorg instelling] . Hoewel het geen gesloten plaatsing is, verblijft zij door de plek midden in het bos, feitelijk afgezonderd. Het is goed dat [minderjarige] uit de stad is. Hopelijk krijgt [minderjarige] bij [zorg instelling] de rust en stabiliteit die zij nodig heeft. Daarna kan dan ook ingezet worden op diagnostiek en behandeling. Erg positief is dat [minderjarige] zelf nu ook hiervoor gemotiveerd is.
5 De beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.1 De kinderrechter legt hierna uit waarom.
Al langere tijd bestaan ernstige zorgen over [minderjarige] fysieke en emotionele veiligheid en haar ontwikkeling. Zij heeft moeite met emotie- en gedragsregulatie, het accepteren van grenzen en het aangaan van begeleiding en behandeling. [minderjarige] heeft zich in het verleden regelmatig aan hulpverlening onttrokken en is herhaaldelijk weggelopen. Tijdens deze momenten bestaat het risico dat [minderjarige] in contact komt met oudere mannen, waarbij zij mogelijk wordt beïnvloed of uitgebuit. Daarnaast zijn er zorgen over middelengebruik, zelfbeschadiging en haar psychische gesteldheid. De noodzakelijke diagnostiek en behandeling zijn tot op heden onvoldoende van de grond gekomen. De eerdere hulpverlening en plaatsingen hebben niet geleid tot duurzame stabilisatie. De plaatsing bij Gloeizorg, waar [minderjarige] voorheen verbleef, was niet langer passend. De hoeveelheid mensen en prikkels op die locatie leidde tot onrust bij [minderjarige] . Ook is gebleken dat de noodzakelijke begeleiding daar onvoldoende kon worden geboden. Een alternatieve passende plek binnen een gesloten accommodatie is vervolgens niet gevonden.
[zorg instelling] biedt [minderjarige] op dit moment een meer passende omgeving. Zij verblijft daar in een kleinschalige groep in een bosrijke en prikkelarme omgeving, zonder de aanwezigheid van jongens. Daarnaast kan intensieve begeleiding worden geboden, waaronder maximaal twaalf uur per dag één-op-één-begeleiding. De eerste signalen sinds de plaatsing bij [zorg instelling] zijn positief. [minderjarige] is daar tot op heden niet weggelopen. Ook lijkt [minderjarige] gemotiveerd om op deze plek aan haar situatie te werken. De GI, de moeder en haar advocaat hebben zich ter zitting positief uitgelaten over deze plaatsing. De kinderrechter acht het van belang dat [minderjarige] deze kans krijgt en dat vanuit deze stabielere omgeving wordt gewerkt aan onderwijs, diagnostiek en behandeling. Bovendien vindt de kinderrechter het positief dat [minderjarige] hier haar oude hobby, paardrijden, weer op kan pakken.
[minderjarige] heeft tijd nodig om bij [zorg instelling] een vertrouwensband met de begeleiding op te bouwen en tot rust te komen. Vervolgens moet worden gewerkt aan duurzame stabilisatie, passende diagnostiek en behandeling. De kinderrechter benadrukt daarbij dat de GI de komende periode niet alleen moet benutten voor de uitvoering van de hulpverlening, maar ook tijdig moet blijven kijken naar het toekomstperspectief van [minderjarige] en de vraag of een plaatsing in een vrijwillig kader op termijn mogelijk is.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 13 juli 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026 door mr. J. Groot, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos en mr. A. Pereira Horta als griffiers, en op schrift gesteld op 21 september 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.