ECLI:NL:RBROT:2026:13740

Datum uitspraak
10-09-2026
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/10/724126 / JE RK 26-1521
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beschikking van de meervoudige kamer

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/724126 / JE RK 26-1521

Datum uitspraak: 10 september 2026

Beschikking van de meervoudige kamer

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. W.R. Arema uit Rotterdam,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. L.A. Middelkoop uit Rotterdam,

[de pleegvader] en [de pleegmoeder] ,

wonende in [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: de pleegvader en de pleegmoeder,

gezamenlijk aangeduid als: de pleegouders,

advocaat: mr. K. Walburg uit Hoorn.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 29 juli 2026, ontvangen op diezelfde datum;

  • de toetsing van de Raad voor de Kinderbescherming van 7 september 2026, ontvangen op 8 september 2026;

  • de brief van de pleegouders van 8 september 2026, ontvangen op diezelfde datum;

  • de pleitaantekeningen die de advocaat van de moeder tijdens de zitting heeft overgelegd.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader met zijn advocaat;

- de moeder met haar advocaat;

- twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] ;

- de advocaat van de pleegouders.

1.3.

De pleegouders zijn met berichtgeving van afwezigheid niet ter zitting verschenen. De rechtbank stelt vast dat de pleegouders juist zijn opgeroepen.

1.4.

De rechtbank heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] is niet voor het kindgesprek verschenen.

1.5.

De rechtbank heeft ter zitting bijzondere toegang verleend aan [persoon A] , collega van mr. L.A. Middelkoop.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder (hierna gezamenlijk aangeduid als: de ouders) zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.

[minderjarige] verblijft bij de pleegouders.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 14 september 2026.

2.4.

De meervoudige kamer in deze rechtbank heeft bij beschikking van 31 maart 2026 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 14 september 2026.

3 Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

De GI heeft het verzoek ter zitting als volgt toegelicht. De GI maakt zich ernstige zorgen over [minderjarige] . De situatie tussen ouders en pleegouders is de afgelopen periode verder verslechterd en heeft inmiddels een dieptepunt bereikt. Het lukt de ouders en pleegouders onvoldoende om in het belang van [minderjarige] praktische afspraken te maken over de omgang. Hierdoor ontstaat vrijwel ieder weekend spanning en discussie over onder andere het halen en brengen van [minderjarige] en de invulling van de omgang. [minderjarige] raakt hierdoor verder klem tussen de ouders en de pleegouders. De GI heeft geprobeerd de omgang praktisch anders vorm te geven, onder andere door de omgang van vrijdag na school tot maandagochtend voor school te laten plaatsvinden, zodat ouders en pleegouders elkaar niet tegenkomen. Ook rondom de momenten van halen en brengen zijn verschillende mogelijkheden onderzocht. In de praktijk blijkt het echter moeilijk om tot afspraken te komen die voor beide partijen uitvoerbaar zijn. Recente gebeurtenissen rondom het te laat ophalen van [minderjarige] illustreren volgens de GI hoe moeizaam de situatie inmiddels is geworden. De GI vindt het belangrijk om de omgang tussen [minderjarige] en zijn ouders zoveel mogelijk te blijven faciliteren, maar de voortdurende strijd tussen de ouders en de pleegouders maakt dit steeds moeilijker. De GI ziet dat de strijd tussen ouders en pleegouders een wisselwerking is. Beide ouders geven aan contact en samenwerking met het pleeggezin te willen, maar uit de onderlinge communicatie blijkt ook dat over en weer verwijten worden gemaakt. Desgevraagd geeft de GI aan dat de pleegouders bereid zijn om mee te werken, maar dat de samenwerking in de praktijk zeer moeizaam verloopt. De overgelegde stukken geven hier volgens de GI een duidelijk beeld van. Desgevraagd geeft de GI aan dat er op dit moment geen nieuwe signalen zijn die maken dat de weekenden of de vakantie bij de moeder als onveilig moeten worden beschouwd. Tegelijkertijd geven korte huisbezoeken onvoldoende zicht op de momenten waarop de spanning met name ontstaat. Zo was er ook recent sprake van een stressvolle situatie tijdens een gesprek met de moeder, waarbij de spanning opliep en er werd geschreeuwd. Daarbij blijven er zorgen bestaan over de emotieregulatie van de moeder en het voortzetten van de therapie. De GI krijgt vooral de strijd rondom de samenwerking mee en heeft op dit moment onvoldoende zicht op wat er in beide thuissituaties precies gebeurt en in hoeverre [minderjarige] daarmee wordt belast. Er is inmiddels een intake geweest bij [zorgorganisatie 1] voor ambulante hulpverlening bij de moeder thuis en er wordt gekeken naar een start op korte termijn. Daarnaast wordt aanvullende ambulante opvoedondersteuning ingezet bij de moeder thuis. De GI wil hiermee versneld meer zicht krijgen op de situatie en wat [minderjarige] nodig heeft. De huidige situatie – waarin de ouders en pleegouders niet goed tot afspraken kunnen komen, waardoor [minderjarige] steeds verder klem raakt tussen hen – is volgens de GI niet houdbaar. Er moet snel meer duidelijkheid komen voor [minderjarige] . Hoewel de GI oorspronkelijk een machtiging tot verlenging van de uithuisplaatsing voor één jaar heeft verzocht, is de GI inmiddels van mening dat zes maanden verlengen mogelijk al te lang is. De GI acht het van belang om met spoed intensieve hulpverlening in te zetten en vervolgens zo snel mogelijk te beoordelen in hoeverre thuisplaatsing op korte termijn verantwoord en haalbaar is. De huidige spanningen zijn voor [minderjarige] te veel. De GI ziet de herfstvakantie als een mogelijk belangrijk moment om opnieuw te beoordelen of een thuisplaatsing van [minderjarige] aan de orde kan zijn.

4.2.

Door en namens de moeder is ter zitting ingestemd met de verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij realiseert zich dat de betrokkenheid van jeugdbescherming bij en voor [minderjarige] nog noodzakelijk is. Door en namens de moeder is ter zitting wel verweer gevoerd tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De moeder wil dat [minderjarige] zo snel mogelijk bij haar wordt teruggeplaatst, zodat hij groep 8 thuis bij haar en met ondersteuning van [zorgorganisatie 1] kan volgen, zoals in maart 2026 al is besproken. De wens van [minderjarige] om thuis te komen is niet verminderd en de wens van de moeder voor hem evenmin. De moeder vindt het verschrikkelijk dat [minderjarige] tussen alle volwassenen in zit en alles meekrijgt. De moeder ziet dat [minderjarige] gespannen is wanneer hij thuis is, maar ook wanneer hij weer terug moet naar de pleegouders. Hij presteert minder op school en maakt zich zorgen over zijn toekomst. [minderjarige] kan op deze manier onvoldoende kind zijn en is steeds bezig met de vraag hoe hij zich moet gedragen en hoe hij niemand kan kwetsen. Hij zit klem tussen de grote mensen. Er is inmiddels een intake bij [zorgorganisatie 1] geweest en de moeder stelt dat er de afgelopen periode meerdere momenten zijn geweest waarbinnen de hulpverlening zicht heeft kunnen krijgen op de situatie. Na vijf jaar van hulpverlening en therapie vindt de moeder het moeilijk dat er nog steeds geen duidelijkheid is over de vraag of [minderjarige] naar huis mag. De moeder stelt dat zij en de vader steeds hebben meegewerkt aan de ingezette hulpverlening, waaronder [zorgorganisatie 2] , [zorgorganisatie 3] en [zorgorganisatie 4] . Het was niet altijd gemakkelijk, onder andere vanwege werk en de zorg voor het broertje van [minderjarige] , maar de ouders hebben altijd geprobeerd afspraken na te komen. Ook heeft de moeder haar therapie afgerond en hebben de ouders gezamenlijk systeemtherapie gevolgd, hoewel hun relatie al langere tijd is beëindigd. Deze therapie is afgerond en de informatie hierover is aan de GI verstrekt. De moeder benadrukt dat er de afgelopen periode sprake is geweest van ingrijpende gebeurtenissen en rouw binnen haar familie. Dat zij daardoor verdriet en stress heeft ervaren en het soms moeilijk heeft (gehad), betekent volgens haar niet dat zij niet in staat is om [minderjarige] goed op te voeden De moeder stelt dat de ouder-kindrelatie is verbeterd en dat zowel [traject zorgorganisatie 4] als [traject zorgorganisatie 2] positief zijn afgerond. Volgens de moeder ervaart [minderjarige] geen spanning in de relatie met haar; de spanning zit vooral tussen de ouders en pleegouders en rondom de afstand en het voortdurende gedoe. De moeder vindt dat zij en de vader voldoende hebben laten zien dat zij [minderjarige] een veilige en liefdevolle opvoedomgeving kunnen bieden. De moeder is van mening dat daarmee aan de voorwaarden voor een thuisplaatsing is voldaan. Desgevraagd geeft de moeder aan dat zij graag goed contact met de pleegouders zou willen hebben. Als [minderjarige] weer bij haar terug zou komen dan zal hij zijn vriendjes bij de pleegouders en de pleegouders missen. De moeder vindt het daarom belangrijk dat het contact met de pleegouders behouden blijft. Voor haar hoeft het niet het één of het ander te zijn: zij wil dat [minderjarige] beide werelden kan behouden. De moeder vraagt zich af waarom er bijvoorbeeld niet wordt gekeken naar een gefaseerde terugplaatsing, bijvoorbeeld doordeweeks bij haar en in het weekend of om het weekend bij de pleegouders, als tijdelijke tussenstap. De moeder wil vooral dat [minderjarige] niet langer belast wordt. De moeder heeft verder haar visie overeenkomstig de pleitnota van haar advocaat naar voren gebracht.

4.3.

Door en namens de vader is ter zitting bij het pleidooi van de advocaat van de moeder aangesloten. De vader is van mening dat [minderjarige] het beste weer bij de moeder kan gaan wonen. Volgens de vader is aan de voorwaarden voor terugplaatsing voldaan. De eerder ingezette hulpverlening vanuit [zorgorganisatie 3] en [zorgorganisatie 4] heeft geen zorgen geuit over de opvoedvaardigheden van de moeder en de thuissituatie. De grootste problemen en onrust lagen volgens de vader in het verleden bij de relatie tussen de ouders. Rond de scheiding is sprake geweest van een periode van onrust, waarna beide ouders individuele therapie en systeemtherapie hebben gevolgd. Deze therapie was erop gericht om als ouders goed met elkaar om te kunnen gaan. De vader stelt dat er op dit moment sprake is van voldoende goed ouderschap bij de moeder. Volgens de vader is de rek er bij [minderjarige] volledig uit. De vader maakt zich enorme zorgen over de voortdurende strijd en merkt dat deze inmiddels ook de samenwerking tussen de pleegouders en de GI raakt. De vader heeft de indruk dat er weinig beweging meer mogelijk is en dat dit voor [minderjarige] zeer schadelijk is. De vader benadrukt verder dat er de afgelopen periode geen nieuwe zorgen naar voren zijn gekomen over de situatie van [minderjarige] bij de moeder. De twee periodes van tien dagen, in de vakantie bij de moeder, zijn goed verlopen en hij is blij met de inzet van de GI om deze omgang mogelijk te maken. De vader geeft aan dat zij hierdoor een fijne zomer met [minderjarige] hebben gehad en dat dit de eerste keer in lange tijd was dat zij zo lang samen konden zijn. [minderjarige] heeft hiervan genoten. De vader vindt dat het tijd is dat [minderjarige] thuiskomt bij de moeder. De vader wil hier volledig aan meewerken en staat open voor de inzet van [zorgorganisatie 1] . De vader vindt dat het loyaliteitsconflict van [minderjarige] moet worden doorbroken en dat hij duidelijkheid nodig heeft over zijn toekomst. De vader geeft aan dat er veel sprake is van miscommunicatie tussen de ouders en de pleegouders, onder andere via appcontact, waarbij berichten of de toon daarvan snel verkeerd worden opgevat. Hij wil de pleegouders tegelijkertijd bedanken voor de zorg voor [minderjarige] en voor hun inzet.

Primair verzoekt de vader om het verzoek tot verlenging van de machtiging af te wijzen. Subsidiair kan hij instemmen met slechts een zeer korte verlenging, zodat rust en voorbereiding kan zijn voor een terugplaatsing. De vader benadrukt dat hij aan alles wil meewerken wat nodig is om de terugplaatsing van [minderjarige] naar moeder thuis zorgvuldig te laten verlopen.

4.4.

Namens de pleegouders is ter zitting aangegeven dat zij de samenwerking met de GI en de ouders als moeizaam ervaren. Zij willen daarbij benadrukken dat er geen sprake is van onwil of een gebrek aan medewerking aan hun zijde. Zij willen juist dat er duidelijke afspraken worden gemaakt en dat deze tijdig en zorgvuldig worden gecommuniceerd en nagekomen. De beslissingen rondom de omgang en het vervoer worden soms pas op het laatste moment genomen door de GI, waardoor er onduidelijkheid en onrust ontstaat. Dit is niet in het belang van [minderjarige] . De pleegouders geven verder aan dat zij zich met liefde voor [minderjarige] inzetten en er voor hem willen zijn. Naast de zorg voor [minderjarige] , moeten zij echter ook rekening houden met de andere kinderen binnen het pleeggezin en dat zorgt ervoor dat niet iedere aangedragen praktische oplossing voor hen uitvoerbaar is. De pleegouders zouden graag zien dat hierin meer rust en duidelijkheid komt, waarbij de GI eerder en daadkrachtiger regie voert en afspraken over de omgang en het vervoer niet op het laatste moment worden gewijzigd. De pleegouders blijven bereid om mee te werken en zich voor [minderjarige] in te zetten. Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing kunnen de pleegouders instemmen met een verlenging, maar niet voor de duur van een jaar. Zij achten een verlenging van drie maanden passend bij de huidige situatie en in het belang van [minderjarige] . De pleegouders vinden het belangrijk dat de komende periode wordt gebruikt om duidelijkheid te krijgen over het toekomstperspectief van [minderjarige] en de vraag of een thuisplaatsing bij moeder verantwoord en haalbaar is. Zij zien hierin een belangrijke rol voor [zorgorganisatie 1] .

5 De beoordeling

5.1.

[minderjarige] heeft in zijn jonge leven al veel meegemaakt. Sinds november 2021 woont hij niet meer bij zijn ouders en sinds mei 2023 verblijft hij in het huidige pleeggezin. Tussen de ouders, die destijds samenwoonden, was sprake van huiselijk geweld en daarnaast bestonden er al langere tijd zorgen over hun persoonlijke problematiek. Deze situatie en de forse zorgen daarover vormden de reden voor de uithuisplaatsing.

Sinds de uithuisplaatsing van [minderjarige] zijn er vele vormen van hulpverlening ingezet en is meerdere malen onderzocht of terugplaatsing bij een van de ouders mogelijk was. Dit heeft tot op heden niet tot een terugplaatsing geleid.

5.2.

Eerder dit jaar heeft de GI bepaald dat het opgroeiperspectief van [minderjarige] niet langer bij de moeder ligt. Bij beschikking van 13 maart 2026 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank echter geoordeeld dat de GI te vroeg heeft bepaald dat een terugplaatsing bij de moeder niet langer aan de orde was en aangegeven dat opnieuw moest worden onderzocht of terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder alsnog mogelijk was. Daarbij was het aan de GI om samen met de ouders scherpe(re) veiligheidsafspraken te maken en te monitoren of het de ouders lukt om de veiligheid van [minderjarige] tijdens de omgangsmomenten te waarborgen. Verder moest het [zorgorganisatie 4] traject, of een vergelijkbaar traject, zo snel mogelijk worden hervat en de ouders moesten inzicht bieden in het verloop van hun individuele behandeltrajecten. Tot slot moesten ook de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de moeder weer worden opgebouwd.

5.3.

Sinds de vorige zitting is de omgang tussen de moeder en [minderjarige] stapsgewijs uitgebreid naar een weekendregeling. In de zomervakantie heeft [minderjarige] tweemaal tien dagen achtereen bij de moeder verbleven. Deze periodes zijn, onweersproken, goed verlopen en er wordt warm en liefdevol contact tussen de ouders en [minderjarige] gezien. Het [zorgorganisatie 4] -traject is na de vorige zitting volledig stil komen te liggen, maar dit was niet aan de ouders te wijten. Inmiddels is er wel een aanmelding gedaan bij [zorgorganisatie 1] en de ouders hebben zich opnieuw bereid verklaard de geboden hulp en begeleiding te accepteren.

5.4.

De rechtbank stelt vast dat de samenwerking tussen de ouders en de pleegouders de afgelopen periode niet is verbeterd en nog altijd zeer moeizaam verloopt. De spanningen rondom de omgang, het halen en brengen en de onderlinge communicatie tussen de ouders en de pleegouders zijn nog onverminderd aanwezig en zijn zelfs verergerd. Het lukt de ouders en de pleegouders daarin onvoldoende om [minderjarige] hierin te ontzien. Dit zorgt ervoor dat [minderjarige] nog altijd klem zit tussen de ouders en de pleegouders.

5.5.

Gelet op artikel 7, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) geldt als uitgangspunt dat een kind door zijn eigen ouders wordt verzorgd en opgevoed. In het verlengde daarvan is het uitgangspunt bij een machtiging tot uithuisplaatsing dat er wordt teruggewerkt naar huis. De belangrijkste voorwaarden voor een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder zijn, zoals reeds in de beschikking van 13 maart 2026 genoemd, dat de ouders meewerken aan en profiteren van noodzakelijke hulpverlening, adequaat opvoeden en begrenzen, hun emoties in stressvolle situaties kunnen reguleren, emotioneel beschikbaar zijn en aansluiten bij [minderjarige] ’s behoeften. Daarnaast moet de ouder-kindrelatie verbeteren, dient [minderjarige] geen spanning meer te ervaren en dient de relatie tussen ouders stabiel en vrij van ruzie en huiselijk geweld te zijn.

5.6.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de ouders aan bovengenoemde voorwaarden hebben gewerkt. De zorgen en aandachtspunten die er op dit moment nog zijn, zijn naar oordeel van de rechtbank niet dusdanig groot dat daaraan niet in de thuissituatie bij de moeder gewerkt kan worden. De moeder staat open voor de benodigde hulpverlening en heeft de afgelopen jaren gewerkt aan zichzelf. De rechtbank acht het daarom van belang dat de komende periode wordt gebruikt om [minderjarige] voor te bereiden op de terugplaatsing bij de moeder en om de praktische en emotionele overgang zo goed mogelijk te laten verlopen. Daarbij moet [minderjarige] worden ondersteund in het behouden van het voor hem belangrijke contact met de pleegouders en zijn omgeving aldaar, voor zover dat in zijn belang is. De rechtbank gaat ervan uit dat alle betrokkenen zich hiervoor zullen inzetten. [minderjarige] moet de ruimte krijgen om nog van zijn tijd bij de pleegouders te genieten en afscheid van hen te nemen zonder het gevoel te krijgen dat hij tussen zijn moeder en de pleegouders moet kiezen. De rechtbank benadrukt dat de inzet van de pleegouders voor [minderjarige] daarbij uiteraard ook moet worden gerespecteerd. Zij hebben gedurende een lange periode voor [minderjarige] gezorgd en hebben daarmee een belangrijke plaats in zijn leven gekregen.

5.7.

Gelet op al het voorgaande wordt de betrokkenheid van de GI door de rechtbank nog steeds noodzakelijk geacht om de terugplaatsing zorgvuldig te begeleiden en zicht te houden op de ontwikkeling van [minderjarige] , de opvoedsituatie bij de moeder en de contacten met de vader. Ook de inzet van [zorgorganisatie 1] is daarbij nadrukkelijk van belang. De rechtbank zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar, te weten tot 14 september 2027.1 Hiertegen is geen verweer gevoerd.

5.8.

De rechtbank is ook van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing op dit moment nog noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .2 Deze noodzaak bestaat echter slechts voor een beperkte periode. De rechtbank zal de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen tot en met 16 oktober 2026, te weten tot het begin van de herfstvakantie, en het verzoek voor het overige afwijzen.

5.9.

In de komende periode kan [minderjarige] zijn verblijf bij de pleegouders op een rustige manier afronden, afscheid nemen op school en kunnen de noodzakelijke voorbereidingen voor de terugplaatsing worden getroffen. De rechtbank heeft vertrouwen in de moeder en verwacht van haar dat zij de verantwoordelijkheid die met deze terugplaatsing gepaard gaat neemt en de komende periode benut om samen met de GI, de pleegouders, [zorgorganisatie 1] , de vader en [minderjarige] te werken aan een stabiele en veilige thuissituatie. [minderjarige] heeft behoefte aan rust, duidelijkheid en de ruimte om kind te zijn. Hij verdient het om te weten waar hij zal wonen en om zonder schuldgevoel van de grote mensen om hem heen te kunnen houden. [minderjarige] is dit schooljaar gestart in groep 8. De rechtbank hoopt van harte dat het hem lukt dit schooljaar goed af te ronden en een mooie toekomst tegemoet te gaan.

5.10.

De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 14 september 2027;

6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 16 oktober 2026;

6.3.

wijst het meer of anders verzochte af;

6.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, mr. S. Riege en mr. S. Putting, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. S.L. Bulte als griffier, en op schrift gesteld op 25 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »