RECHTBANK ROTTERDAM
Team jeugd
Zaaknummer: C/10/723993 / JE RK 26-1489
Datum uitspraak: 1 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[naam vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. V.K.S. Deetman, kantoorhoudende in Dordrecht.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de Raad van 28 juli 2026, ontvangen op 28 juli 2026;
- de nagekomen stukken van de Raad behorend bij het verzoekschrift van de Raad, ontvangen op 20 augustus 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
-
de moeder;
-
de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [persoon A];
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [persoon B].
De advocaat van de vader is met bericht van afwezigheid niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de advocaat wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft op de groep de [instelling].
Bij beschikking van 2 juni 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 2 juni 2026 tot 2 september 2026, is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 2 juni 2026 tot 30 juni 2026 en is de beslissing op het resterende deel van het verzoek aangehouden.
Bij beschikking van 11 juni 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 2 september 2026.
3 Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
De Raad heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht.
[minderjarige] is een beïnvloedbaar en kwetsbaar meisje, dat zelfbepalend gedrag laat zien. Zij heeft veel wisselingen in haar leven meegemaakt. De ouders zijn betrokken en hebben veel zorgen. [minderjarige] lijkt zich echter alleen te voelen. Er is sprake van een probleem in het gezinssysteem. [minderjarige] ervaart rust op de groep. Door middel van diagnostiek dient duidelijk te worden wat nodig is om ervoor te zorgen dat [minderjarige] naar huis gaat.
De GI heeft ter zitting het verzoek van de Raad ondersteund en het volgende meegedeeld. [minderjarige] kan soms boos worden en brutaal zijn tegen de groepsleiding en kan wegloopgedrag laten zien. Zij verzet zich tegen regels. [minderjarige] zal binnenkort bij [zorg instelling] worden geplaatst. In oktober 2026 zal MDFT (Multidimensionele Familietherapie) starten. [minderjarige] heeft hulp nodig om haar emoties te reguleren en is aangemeld voor individuele therapie. De komende periode moet duidelijk worden of [minderjarige] naar een fasehuis of naar huis kan.
De ouders hebben ter zitting verklaard dat zij het eens zijn met het verzoek en hebben hun zorgen over (het gedrag van) [minderjarige] en de plaatsing op de groep geuit en dat hulpverlening noodzakelijk is.
5 De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.1 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig wordt bedreigd. Al jaren is sprake van een complexe echtscheiding tussen de ouders. De ouders communiceren niet met elkaar en zitten niet op één lijn. Het lukt de ouders niet om [minderjarige] uit de scheidingsproblematiek te houden en op trauma-sensitieve wijze de opvoeding vorm te geven. Daardoor hebben de ouders moeite om bij [minderjarige] aan te sluiten. [minderjarige] heeft last van deze situatie en lijkt daardoor gedragsproblemen te laten zien. Zo laat [minderjarige] zelfbepalend en agressief gedrag zien.
De kinderrechter stelt vast dat de vader deels bereid is, maar onvoldoende in staat om de zorgen zelf weg te nemen. Hij lijkt overbelast en kan mede daardoor onvoldoende aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] . De moeder is bereid, maar ook onvoldoende in staat om de zorgen weg te nemen. [minderjarige] wil op dit moment geen contact met de moeder, maar het lukt de moeder ook niet om adequaat aan te sluiten bij [minderjarige] . Beide ouders hebben bovendien onvoldoende inzicht in hun eigen aandeel. Daardoor heeft hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende kans van slagen en de situatie tot op heden ook onvoldoende verbeterd. De komende periode dient (systemische) hulpverlening te worden ingezet om de dynamiek tussen de ouders en tussen [minderjarige] en de ouders te verbeteren. Daarnaast moet [minderjarige] individuele hulp krijgen om mogelijke trauma’s uit het verleden te verwerken. Tegelijkertijd is het ook van belang dat zij leert om met haar boosheid en emoties om te gaan en leert om zich te houden aan de regels, van bijvoorbeeld school, de woongroep en haar ouders.
Gelet op al het voorgaande kan de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar. Ook is de kinderrechter gelet op al het voorgaande van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.2 [minderjarige] wil ook niet terug naar huis.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, gevestigd te Dordrecht, met ingang van 1 september 2026 tot 1 september 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 2 maart 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026 door mr. J. Groot, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 11 september 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.