ECLI:NL:RBROT:2026:13634

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/10/705709 / HA ZA 25-713
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eiseres vordert van gedaagde 1 schadevergoeding als gevolg van door gedaagde 1 gelegde beslagen en opgelegde gerechtelijke verplichtingen, omdat deze beslagen achteraf onterecht zijn gebleken. De overige gedaagden zijn hiervoor volgens eiseres hoofdelijk aansprakelijk, vanwege het frustreren van verhaal. Het beslag is achteraf gezien onrechtmatig gelegd. De gevorderde schadevergoeding wordt grotendeels afgewezen, omdat eiseres deze vorderingen onvoldoende heeft onderbouwd. Ten aanzien van de gestelde renteschade als gevolg van noodzakelijke financiering oordeelt de rechtbank dat eiseres onvoldoende schadebeperkend heeft opgetreden en dat ten aanzien daarvan sprake is van eigen schuld aan de zijde van eiseres.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/705709 / HA ZA 25-713

Vonnis van 7 oktober 2026

in de zaak van

[eiseres] ,

te [plaats 2] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. R. Stekelenburg,

tegen

1 [gedaagde 1] . ,

2. [gedaagde 2],

3. [gedaagde 3],

4. [gedaagde 4],

5. [gedaagde 5],

6. [gedaagde 6],

7. [gedaagde 7],

8. [gedaagde 8],

9. [gedaagde 9],

te [plaats 1] ,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagde 1] c.s.,

advocaat: mr. C.G. Oort.

1 De zaak in het kort

[eiseres] vordert van [gedaagde 1] . (hierna: [gedaagde 1] ) schadevergoeding als gevolg van door [gedaagde 1] gelegde beslagen en opgelegde gerechtelijke verplichtingen, omdat deze beslagen achteraf onterecht zijn gebleken. De overige gedaagden zijn hiervoor volgens [eiseres] hoofdelijk aansprakelijk, vanwege het frustreren van verhaal. Het beslag is achteraf gezien onrechtmatig gelegd. De gevorderde schadevergoeding wordt grotendeels afgewezen, omdat [eiseres] deze vorderingen onvoldoende heeft onderbouwd. Ten aanzien van de gestelde renteschade als gevolg van noodzakelijke financiering oordeelt de rechtbank dat [eiseres] onvoldoende schadebeperkend heeft opgetreden en dat ten aanzien daarvan sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiseres] .

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 9 juli 2025, met producties 1 tot en met 54;- de conclusie van antwoord met productie 1;

- de aan beide partijen gezonden brief van 13 januari 2026 van de rechtbank waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

- de aan beide partijen gezonden e-mail van 4 mei 2026 van de rechtbank met een zittingsagenda voor de mondelinge behandeling;

- de aanvullende producties 55 tot en met 64 van [eiseres] ;

- de aanvullende productie 2 van [gedaagde 1] c.s.;

- de mondelinge behandeling van 20 mei 2026 en de daarbij door partijen overgelegde spreekaantekeningen, die de advocaten van partijen hebben voorgedragen, met dien verstande dat mr. Stekelenburg deze heeft voorgedragen tot en met nr. 18;

- de spreekaantekeningen van de heer [persoon A] , [naam functie] van [eiseres] , zelf.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten

3.1.

[persoon A] (hierna: [persoon A] ) was van 2012 tot 2020 via zijn persoonlijke houdstermaatschappij [eiseres] medeaandeelhouder van [gedaagde 3] . (hierna: [gedaagde 3] ) en van 2012 tot 2019 ook bestuurder van [gedaagde 3] . De overige aandeelhouders waren [gedaagde 4] . (hierna: [gedaagde 4] ) en [gedaagde 5] . (hierna: [gedaagde 5] ). [gedaagde 3] is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 1] .

3.2.

Op 15 november 2019 is tussen [eiseres] en [gedaagde 3] een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin is overeengekomen dat [eiseres] haar aandelen in [gedaagde 3] aan [gedaagde 4] en [gedaagde 5] verkocht voor een bedrag van € 240.000,00, te betalen in termijnen van € 5.500,00 per maand door [gedaagde 4] en [gedaagde 5] .

3.3.

Bij akte van cessie van 31 maart 2020 hebben [gedaagde 3] , [gedaagde 4] ,

[gedaagde 5] , [gedaagde 1] al hun (toekomstige) vorderingen op [eiseres] en [persoon A] die zijn ontstaan en zullen ontstaan door het verbeuren van boetes in verband met

de overtreding van bepalingen uit de aandeelhouders-, management-, en vaststellingsovereenkomst gecedeerd aan [gedaagde 1] .

3.4.

Op 28 mei 2020 heeft [gedaagde 1] conservatoir beslag gelegd op alle privé- en zakelijke rekeningen van [persoon A] . In totaal heeft het beslag een bedrag van € 135.583,06 geraakt. Op 31 mei 2020 heeft [gedaagde 1] daarnaast eigen beslag gelegd op de maandelijkse termijnen van € 5.500,00 die [gedaagde 4] en [gedaagde 5] verschuldigd waren aan [eiseres] . [persoon A] zou volgens [gedaagde 1] in strijd hebben gehandeld met diverse concurrentie-, relatie- en geheimhoudingsbedingen.

3.5.

Vervolgens zijn [persoon A] , [eiseres] , [bedrijf A] ., [holding B] . en [bedrijf C] . door [gedaagde 1] gedagvaard. Bij vonnis van deze rechtbank van 9 juni 2021 met zaak- en rolnummer C/10/596848 / HA ZA 20-492 (aangevuld bij herstelvonnis van 13 oktober 2021) is [persoon A] veroordeeld tot betaling aan [gedaagde 1] van € 259.216,53, te vermeerderen met rente en kosten.

3.6.

[persoon A] heeft op 26 juli 2021 aan dit vonnis gedeeltelijk voldaan door het beslagen bedrag van in totaal € 135.583,06 aan [gedaagde 1] te voldoen.

3.7.

Bij vonnis van deze rechtbank in kort geding van 11 november 2021 met zaak- en rolnummer C/10/625856 / KG ZA 21-821 is [persoon A] veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van € 10.000,00 en de proceskosten. Deze veroordeling volgde op een verzoek van [gedaagde 1] tot nakoming van bepaalde verplichtingen, waaronder het verstrekken van bescheiden. [persoon A] is ook dit vonnis nagekomen.

3.8.

Op 31 maart 2023 heeft [persoon A] het resterende bedrag dat hij volgens het vonnis moest betalen, € 140.789,99, aan [gedaagde 1] voldaan door verrekening met het saldo van de bedragen onder het eigenbeslag op de maandelijkse vergoeding van € 5.500,00 aan [eiseres] . [eiseres] heeft deze bedragen verrekend met de rekeningcourantverhouding met [persoon A] . Hiermee heeft [persoon A] geheel voldaan aan het vonnis van 9 juni 2021.

3.9.

Bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 september 2023 is het vonnis van 9 juni 2021 (en daarmee ook het vonnis van 11 november 2021) vernietigd en zijn de vorderingen van [gedaagde 1] alsnog afgewezen.

3.10.

Bij vonnis van deze rechtbank in kort geding van 16 februari 2024 met zaak- en rolnummer C/10/672617 / KG ZA 24-73 is [gedaagde 1] jegens [persoon A] veroordeeld tot betaling van € 291.424,17, vermeerderd met rente en kosten. Deze veroordeling zag op de terugbetaling van door [persoon A] onverschuldigd aan [gedaagde 1] betaalde bedragen, inclusief de daarop opgebouwde wettelijke rente tot en met 31 december 2023.

3.11.

Omdat [gedaagde 1] niet overging tot betaling heeft [persoon A] op grond van het arrest van 5 september 2023 en het kort geding vonnis van 16 februari 2024 executoriale derdenbeslagen laten leggen op diverse bankrekeningen van [gedaagde 1] , die zijn geraakt voor € 557,59 en € 51,58.

3.12.

Op 30 april 2024 heeft [persoon A] executoriaal derdenbeslag gelegd onder diverse aan [gedaagde 1] gelieerde vennootschappen, waaronder [bedrijf D] . (hierna: [bedrijf D] ) ten laste van [gedaagde 1] . [bedrijf D] heeft een derdenverklaring afgelegd waarin zij stelde geen rechtsverhouding met [gedaagde 1] te hebben en dus niets voor haar onder zich te houden.

3.13.

[persoon A] heeft als gevolg hiervan verlof gevraagd bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank om conservatoir beslag te mogen leggen op de bankrekeningen van [bedrijf D] , welk verzoek is toegewezen. [persoon A] heeft vervolgens tijdig de hoofdzaak – dat wil zeggen de verklaringsprocedure – aanhangig gemaakt.

3.14.

Lopende de verklaringsprocedure tegen [bedrijf D] bij deze rechtbank, met zaak- en rolnummer C/l0/682587 / HA ZA 24-602 heeft [persoon A] in november 2024 ook executoriaal beslag gelegd op een domeinnaam van [gedaagde 1] , te weten subsidycloud.com.

3.15.

Naar aanleiding daarvan zijn [gedaagde 1] en [bedrijf D] gezamenlijk een kort geding gestart tegen [persoon A] strekkende tot opheffing van dit beslag. Tijdens de mondelinge behandeling in deze zaak op 17 december 2024 hebben partijen een regeling bereikt, waarin zij zijn overeengekomen:

“1. [gedaagde 1] . (hierna: [gedaagde 1] ) zal aan [persoon A] voldoen hetgeen zij verschuldigd is op grond van het partijen bekende vonnis van 16 februari 2024 van de voorzieningenrechter.

2. Het verschuldigde zal worden voldaan in 36 maandelijkse termijnen. (…).

3. [gedaagde 1] is over het restant verschuldigde steeds de wettelijke rente verschuldigd ex. art. 6:119 BW. (…).

4. [gedaagde 2] . is naast [gedaagde 1] hoofdelijk aansprakelijk voor het uit hoofde van deze vaststellingsovereenkomst door [gedaagde 1] aan Van den [persoon A] verschuldigde.

5. De op de domeinnamen gelegde beslagen worden per direct opgeheven.

6. De tussen partijen lopende verklaringsprocedure met zaaknummer C/l0/682587/HA ZA 24-602 zal worden doorgehaald.

7. Dit kort geding zal worden ingetrokken.

8. Partijen dragen ieder de eigen kosten van de hiervoor onder 5 en 6 genoemde procedure.”

3.16.

Bij brief van 23 april 2025 heeft [persoon A] [gedaagde 1] gesommeerd tot betaling van € 240.231,98 aan aanvullende schadevergoeding, voortvloeiend uit de onterechte beslagleggingen, boetes en dwangsommen.

3.17.

Op 24 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof verleend aan [persoon A] voor het leggen van conservatoir derdenbeslag onder Rabobank ten laste van [gedaagde 1] en [bedrijf D] . Op 25 juni 2025 heeft de deurwaarder dat beslag gelegd.

3.18.

De schadevorderingen waren oorspronkelijk toekomend aan [persoon A] en diens vennootschappen [eiseres] , [bedrijf A] ., [holding B] . en [bedrijf C] . Op 17 juni 2025 zijn deze vorderingen bij akte van cessie overgedragen aan [eiseres] .

4 Het geschil

4.1.

[eiseres] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 367.553,28, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW en artikel 6:119a BW tot en met 31 mei 2025;

2. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van buitengerechtelijke kosten van € 2.976,16;

3. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de beslagkosten;

4. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijke veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

4.2.

De vorderingen van [eiseres] tegen [gedaagde 1] zijn gebaseerd op onrechtmatige daad. [eiseres] vordert schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de ten onrechte door [gedaagde 1] gelegde beslagen en opgelegde gerechtelijke verplichtingen. [bedrijf D] en de bestuurders van [gedaagde 1] en [bedrijf D] zijn volgens [eiseres] mede verantwoordelijk voor het ontstaan van de schade en het frustreren van verhaal, omdat de operationele activiteiten, activa en inkomensstromen van [gedaagde 1] zijn overgegaan naar [bedrijf D] , die valt onder dezelfde zeggenschap als [gedaagde 1] en uiteindelijk dezelfde belanghebbenden kent, zodat sprake is van juridische vereenzelviging.

4.3.

[gedaagde 1] c.s. voeren verweer. Zij concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang voor de beslissing, nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

De rechtbank stelt voorop dat op de beslaglegger een risicoaansprakelijkheid rust voor de gevolgen van het door hem gelegde beslag indien de vordering waarvoor beslag is gelegd geheel ongegrond is.1 Dat doet zich hier voor. Dit betekent dat [gedaagde 1] in beginsel gehouden is om de als gevolg van het beslag door [eiseres] geleden schade te vergoeden.

Onrechtmatigheid

5.2.

[gedaagde 1] voert aan dat de door [gedaagde 1] gelegde beslagen in de context van het geschil tussen partijen niet als onrechtmatig kunnen worden beschouwd, omdat de gelegde beslagen, althans op zijn minst gedeeltelijk, te wijten zijn aan de eigen schuld van [persoon A] . De uitleg die [gedaagde 1] aan de overeengekomen non-concurrentie en relatiebedingen gaf, in die zin dat het [persoon A] zelf niet vrij stond direct een concurrerende onderneming te beginnen, is immers niet onredelijk en voorstelbaar en ook het toezenden van de bedrijfsgegevens door [persoon A] naar zijn privéadres geeft op zijn minst te denken, aldus [gedaagde 1] .

5.3.

Dit door [gedaagde 1] c.s. aangevoerde gaat niet op. Zoals hiervoor overwogen, handelt degene die een beslag legt, op eigen risico en moet deze, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag geleden schade vergoeden, als het beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd. Dit geldt ook in het geval de beslaglegger op verdedigbare gronden van zijn vorderingsrecht overtuigd is en niet lichtvaardig heeft gehandeld.2

Schade

5.4.

Vervolgens ligt de vraag voor of [gedaagde 1] de door [eiseres] beweerdelijk geleden schade moet vergoeden. Voor vergoeding van schade komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW).

5.5.

Dat het beslag onrechtmatig is gelegd, betekent niet dat [gedaagde 1] als beslaglegger zonder meer aansprakelijk is voor de beweerdelijk geleden schade. Een benadeelde is volgens vaste rechtspraak immers ook in geval van onrechtmatig gelegd beslag binnen redelijke grenzen gehouden tot het nemen van maatregelen ter voorkoming of beperking van schade.

5.6.

De door [eiseres] gestelde schade bestaat volgens haar uit de volgende schadeposten, te vermeerderen met wettelijke rente:

- het renteverlies over geblokkeerde gelden tot aan de betaling aan [gedaagde 1] € 42.695,75;

- financieringskosten wegens noodzakelijke externe leningen € 122.146,05;

- juridische kosten die niet onder het liquidatietarief vallen € 67.580,23;

- kosten van externe expertise € 11.709,21;

- schade als gevolg van ingehuurd personeel € 33.500,00;

- omzet-/winstderving € 135.532,00.

5.7.

De rechtbank licht hierna per gestelde schadepost toe of [gedaagde 1] deze moet vergoeden.

Renteverlies over geblokkeerde gelden tot aan de betaling aan [gedaagde 1] € 42.695,75

5.8.

[eiseres] stelt hiertoe het volgende.

5.9.

[persoon A] heeft tussen 28 mei 2020, de dag waarop het beslag is gelegd op zijn privé- en zakelijke rekeningen, en 26 juli 2021, de dag waarop hij het beslagen bedrag van in totaal € 135.583,06 aan [gedaagde 1] heeft betaald ter voldoening aan het vonnis van 9 juni 2021, geen beschikking gehad over dit bedrag.

5.10.

Het beslag op de privérekeningen van [persoon A] trof een bedrag van in totaal € 7.960,28. De schade als gevolg van dit beslag bestaat uit de kosten die de bank in rekening heeft gebracht voor de verwerking van het beslag plus de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de in 5.9 genoemde periode, te vermeerderen met rente vanaf dat moment. In totaal is dat per 30 april 2026 € 289,41 (zie tabblad 1a van productie 64 van [eiseres] ).

5.11.

Het beslag op de bankrekeningen van [eiseres] , [bedrijf A] ., [holding B] . en [bedrijf C] trof in totaal € 127.622,78. De schade als gevolg van deze beslagen bestaat uit de bankkosten en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de genoemde periode, te vermeerderen met rente vanaf dat moment, In totaal is dat per 30 april 2026 € 17.183,75 (zie tabblad 1b van productie 64 van [eiseres] ) .

5.12.

[persoon A] heeft daarnaast tussen 31 mei 2020 – de dag waarop beslag is gelegd op de maandelijkse uitkeringen van € 5.500,00 aan [eiseres] – en 31 maart 2023 – de dag waarop het tot en met juni 2022 beslagen bedrag van € 140.789,99, is aangewend als betaling ter voldoening aan het vonnis van 9 juni 2021 – geen beschikking gehad over dit bedrag. De schade als gevolg van dit beslag bestaat uit de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW, tot 30 april 2026 een bedrag van € 29.187,23 (zie tabblad 2 van productie 64 van [eiseres] ).

5.13.

De rechtbank oordeelt als volgt. Tussen partijen staat vast dat [persoon A] op grond van het vonnis van 9 juni 2021 op 26 juli 2021 een bedrag van € 135.633,06 aan [gedaagde 1] heeft voldaan en dat het restant van € 140.789,99 door [persoon A] op 31 maart 2023 is afgelost middels verrekening met het saldo van de bedragen onder het eigenbeslag. Ook heeft [eiseres] onweersproken aangevoerd dat dit bedrag niet begrepen is in het vonnis van 16 februari 2024, omdat dat vonnis uitsluitend ziet op rentevergoeding vanaf het moment van betaling aan [gedaagde 1] . Deze vorderingen worden dan ook als onvoldoende betwist toegewezen als volgt.

5.14.

Het bedrag van € 289,41 aan wettelijke rente dat ziet op de beslagen op de privérekeningen van [persoon A] wordt toegewezen. [eiseres] heeft ten aanzien van de beslagen op de zakelijke rekeningen en op de maandelijkse uitkeringen van € 5.500,00, zonder nadere toelichting, de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW gevorderd. De wettelijke handelsrente is niet van toepassing, omdat er geen sprake is van een handelsovereenkomst, maar van een vordering tot schadevergoeding, waarop de gewone wettelijke rente van artikel 6:119 BW van toepassing is. De rechtbank wijst dus de gewone wettelijke rente toe, net als [eiseres] heeft gevorderd ten aanzien van de beslagen op de privérekeningen van [persoon A] . Dat betekent dat de rechtbank ten aanzien van de beslagen op de zakelijke rekeningen een bedrag van € 4.003,07 aan wettelijke rente tot 30 april 2026 toewijst en ten aanzien van de beslagen op de maandelijkse uitkeringen een bedrag van € 6.921,14 aan wettelijke rente tot 30 april 2026. De rechtbank begrijpt het petitum op dit punt zo dat [eiseres] over deze drie bedragen, van in totaal € 11.213,62, wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vordert tot aan de dag van volledige betaling. Dat wordt toegewezen vanaf 30 april 2026.

Financieringskosten wegens noodzakelijke externe leningen € 122.146,05

5.15.

Volgens [eiseres] zag [persoon A] zich genoodzaakt om als direct gevolg van de door [gedaagde 1] gelegde beslagen externe financiering aan te trekken om in zijn basisbehoeften, zakelijke verplichtingen en lopende financiële lasten te kunnen voorzien. Op 25 juni 2020 werd daartoe de eerste lening afgesloten. In de jaren daarna, tot en met juni 2024, zijn door [persoon A] en aan hem gelieerde entiteiten nog elf aanvullende leningen gesloten. Onder meer om oudere financieringen inclusief kosten af te kunnen lossen, aldus [eiseres] .

5.16.

[gedaagde 1] voert aan dat [persoon A] haar destijds niet of onvoldoende heeft gewezen op het feit dat [persoon A] als gevolg van de gelegde beslagen in de door hem gestelde noodsituatie kwam te verkeren en dat [persoon A] daardoor de op hem rustende mededelingsplicht – als onderdeel van zijn schadebeperkingsplicht – heeft geschonden, wat in de weg zou staan aan latere schadeaanspraken. Ook zou [persoon A] destijds niet in rechte tegen de gelegde beslagen zijn opgekomen. Dit verweer slaagt met betrekking tot deze gestelde schadepost. De rechtbank motiveert dat als volgt.

5.17.

Zoals ook in de literatuur verdedigt, kan wanneer de beslagene de beslaglegger in het ongewisse laat over de (ernstige) mate waarin het beslag hem hindert, dit een zodanige schending van de schadebeperkingsplicht opleveren dat de schade voor rekening van de beslagene blijft. Deze plicht kan worden beschouwd als een onderdeel van de schadebeperkingsplicht. Door schending van deze mededelingsplicht wordt de beslaglegger de mogelijkheid ontnomen om te wegen of de (voortdurende) mogelijke schade voor hem aanleiding vormt om het beslag op te heffen, te beperken of met de beslagene in onderhandeling te treden over vervangende zekerheid.

5.18.

Ter zitting heeft de rechtbank aan [persoon A] gevraagd wat hij heeft gedaan om de beslagen opgeheven te krijgen en of [gedaagde 1] bekend was met zijn financiële situatie. [persoon A] heeft daarop geantwoord dat is afgezien van het instellen van een vordering in kort geding tot opheffing van de beslagen, omdat zijn advocaat dat kansloos achtte gelet op het toetsingskader, en vanwege de kosten. De advocaat van [eiseres] heeft daaraan toegevoegd dat in 2020 wel een incident is opgeworpen, waarbij een voorlopige voorziening is gevraagd tot opheffing van de beslagen, wat is afgewezen, en dat in 2021 in kort geding door middel van een eis in reconventie is geprobeerd de beslagen op te heffen, welke vordering ook is afgewezen. Ook heeft de advocaat van [eiseres] toen gezegd dat de voormalig advocaat van [gedaagde 1] tot minstens twee keer toe op de risico’s van onrechtmatige beslaglegging is gewezen in de periode 2020-2021, kort na de beslaglegging.

5.19.

Vervolgens heeft de rechtbank gevraagd of toen ook de leningen ter sprake zijn gekomen. De advocaat van [persoon A] antwoordde daarop: “dat weet ik niet”. [persoon A] antwoordde daarop: “dat weet ik ook niet”. De advocaat van [gedaagde 1] heeft daarop gereageerd: “Dat is niet gebeurd, de beslagen zijn blijven liggen omdat er nooit is aangegeven dat er een noodsituatie is”. Op de vraag van de rechtbank wanneer zij hoorde over de leningen, antwoordde de advocaat van [gedaagde 1] : “Na het arrest. Allemaal achteraf dus en dat is ook de kern van het verwijt. Al die jaren is er niks over leningen gecommuniceerd.”

5.20.

Hoewel de advocaat van [eiseres] de voormalig advocaat van [gedaagde 1] “op de risico’s van onrechtmatige beslaglegging” zou hebben gewezen, is door [eiseres] onvoldoende weersproken dat zij [gedaagde 1] na de beslaglegging niet heeft medegedeeld dat [persoon A] geen andere bron van inkomsten had, dat hij door de beslagen in betalingsproblemen dreigde te komen en dat hij leningen moest aangaan vanwege een financiële noodsituatie. Daarbij geldt dat hoe meer de door de beslagene te lijden schade voor de beslaglegger redelijkerwijs niet is te voorzien, hoe zwaarder de eisen die aan de mededelingsplicht van de beslagene moeten worden gesteld. Het had in dit geval voor de hand gelegen dat [persoon A] [gedaagde 1] over de noodzaak van de leningen had geïnformeerd, mede gelet op de gestelde forse rentepercentages die [persoon A] over deze leningen verschuldigd zou zijn. De rechtbank is van oordeel dat in deze omstandigheden [gedaagde 1] niet wist en ook niet had kunnen weten dat de beslagen bij [persoon A] een acuut liquiditeitsprobleem tot gevolg hadden en dat [persoon A] als gevolg daarvan leningen moest aangaan tegen hoge rentepercentages om in zijn basisbehoeften, zakelijke verplichtingen en lopende financiële lasten te kunnen voorzien.

5.21.

Deze door [gedaagde 1] gestelde en door [eiseres] onvoldoende betwiste ‘passieve houding’ van [persoon A] leidt ertoe dat [eiseres] deze vermeende schade zelf moet dragen. Het is namelijk niet goed in te schatten wat de situatie zou zijn geweest als [eiseres] wel het acute liquiditeitsprobleem als gevolg van de beslagen aan de orde had gesteld. Daar komt bij dat [eiseres] er na het vonnis van 9 juni 2021 ook voor had kunnen kiezen om opheffing te vorderen (in kort geding) van de beslagen die ten laste van de vennootschappen zijn gelegd (op de zakelijke rekeningen en op de maandelijkse termijnbetalingen). De vorderingen van [gedaagde 1] op de vennootschappen werden met dat vonnis immers al afgewezen. De conclusie van het hiervoor overwogene is dat ook al heeft [gedaagde 1] onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld door beslag te leggen ten laste van [persoon A] – en al zou sprake zijn van voldoende causaal verband tussen de beslagen en de door [eiseres] gestelde schade – de gestelde financieringskosten wegens noodzakelijke externe leningen vanwege eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW voor rekening van [eiseres] dienen te komen.

Juridische kosten die niet onder het liquidatietarief vallen € 67.580,23

5.22.

[eiseres] vordert ook vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte juridische kosten die zij in de afgelopen jaren heeft gemaakt in verband met de geschillen met [gedaagde 1] . Het betreft onder meer kosten voor gerechtelijke procedures, beslagmaatregelen, bewijsverrichtingen, het inwinnen van deskundigenadvies, vertalingen en griffierechten. [eiseres] stelt ten aanzien van deze schadepost het volgende.

5.23.

Tijdens een overleg op 2 december 2024 heeft [gedaagde 8] tegen [persoon A] gezegd “Wij waren teveel bezig met juridische procedures” en dat [gedaagde 1] van procederen "een verdienmodel had gemaakt". [persoon A] heeft dat gesprek met [gedaagde 8] opgenomen en een transcript daarvan opgemaakt en in deze procedure overgelegd. Deze uitlatingen bevestigen volgens [eiseres] dat [gedaagde 1] stelselmatig en doelbewust heeft geprocedeerd, met als gevolg dat [persoon A] zich, ter verdediging van zijn belangen, genoodzaakt zag juridische kosten te maken die ver uitstijgen boven wat gebruikelijk is in een gemiddelde civiele procedure. Er is sprake van excessief en verwijtbaar procesgedrag, althans misbruik van recht van de zijde van [gedaagde 1] , aldus nog steeds [eiseres] .

5.24.

De rechtbank wijst deze vordering af en overweegt daartoe als volgt.

5.25.

[eiseres] vordert een bedrag van € 67.580,23 en verwijst daarbij naar productie 45, waarin is vermeld dat dit “het totaal van de betaalde advocaatkosten” bedraagt. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde 1] de proceskosten die zij verschuldigd was op grond van het arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 september 2023 destijds aan [persoon A] heeft voldaan. [gedaagde 1] heeft onweersproken aangevoerd dat dat ging om een bedrag van € 28.227,91. Blijkens het arrest zijn de kosten van het geding in eerste aanleg hiervan onderdeel. Ook heeft [gedaagde 1] onweersproken aangevoerd dat partijen bij proces-verbaal van 17 december 2024 zijn overeengekomen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt in verband met de verklaringsprocedure en het kort geding tot opheffing van het beslag op de domeinnaam van [gedaagde 1] (zie 3.13 tot en met 3.15). Deze vaststellingsovereenkomst tussen partijen is bindend en [eiseres] heeft niet gesteld waarom deze afspraak tussen partijen zou kunnen worden aangetast.

5.26.

Dat betekent dat [eiseres] van het door haar gevorderde bedrag van € 67.580,23 in ieder geval al een bedrag van € 28.227,91 heeft ontvangen en dat zij geen recht heeft op de kosten die zij werkelijk zou hebben gemaakt voor de verklaringsprocedure en het kort geding tot opheffing op de domeinnaam. Van het bedrag dat dan overblijft, heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd gesteld welk deel van de kosten in welke kwestie/procedure is gemaakt. De rechtbank kan dat uit productie 59 niet opmaken.

5.27.

Bovendien kan van vergoeding van de werkelijke proceskosten alleen sprake zijn in buitengewone omstandigheden, waarbij moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van de procedure. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Niet gezegd kan worden dat [gedaagde 1] een op voorhand kansloze vordering tegen [persoon A] , [eiseres] en de overige vennootschappen heeft ingesteld. Dit geldt temeer ten aanzien van [persoon A] , gelet op de verschillende uitkomsten van de procedures in eerste aanleg en hoger beroep. Het feit dat [gedaagde 8] heeft gezegd dat zij van procederen een verdienmodel hadden gemaakt, maakt dat niet anders, want dat betekent niet dat dat ook betrekking heeft op (al) de procedures die tussen partijen zijn gevoerd.

Kosten van externe expertise € 11.709,21

5.28.

[eiseres] stelt ten aanzien van deze schadepost het volgende. In het kader van de procedures tegen [gedaagde 1] en ter voorbereiding van het hoger beroep heeft [persoon A] gespecialiseerde externe expertise moeten inschakelen, teneinde de juistheid en onderbouwing van de claims van [gedaagde 1] te onderzoeken. Deze kosten zijn rechtstreeks voortgevloeid uit de onterechte beschuldigingen, beslagleggingen en gerechtelijke procedures die [gedaagde 1] jegens [persoon A] is gestart, en kwalificeren daarmee als vermijdbare schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Het gaat om een factuur van Invictus Incident Response van 3 januari 2022 van € 6.625,00 en om een factuur van RSM Evaluent B.V. van € 1.820,00. [eiseres] vorderde hierover aanvankelijk wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW, maar heeft er zitting aangegeven dat de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW is bedoeld.

5.29.

De rechtbank wijst deze vordering af, omdat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat deze kosten het gevolg zijn van de onrechtmatige beslagen. De kosten zijn gemaakt om in de procedure bij het gerechtshof Den Haag de juistheid en onderbouwing van de claims van [gedaagde 1] te onderzoeken, zoals door [eiseres] zelf gesteld. De rechtbank is met [eiseres] eens dat deze kosten rechtstreeks zijn voortgevloeid uit de onterechte beschuldigingen en gerechtelijke procedures die [gedaagde 1] jegens [persoon A] is gestart, maar hiervoor (5.27) is al geoordeeld dat van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van de procedure geen sprake is. De stelling dat deze kosten ook rechtstreeks zouden voorvloeien uit de beslagleggingen, zoals door [eiseres] gesteld, is door haar niet verder onderbouwd en de rechtbank ziet overigens ook niet dat dit het geval is.

5.30.

Ook als de rechtbank de onderbouwing van [eiseres] zo opvat dat zij deze schade vordert op grond van artikel 6:96 BW, komt deze schadepost niet voor toewijzing in aanmerking. Artikel 6:96 BW biedt namelijk geen zelfstandige grondslag voor de vergoeding van de in dat artikel bedoelde kosten, maar veronderstelt dat een wettelijke verplichting tot schadevergoeding bestaat. Van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding van [gedaagde 1] was in de procedure bij gerechtshof Den Haag geen sprake. Het enkele feit dat [gedaagde 1] in het ongelijk is gesteld in die procedure (waarop de door [persoon A] gemaakte expertisekosten zien), biedt wel grond voor een veroordeling in de proceskosten van [persoon A] , maar geen grond voor een veroordeling daarnaast tot betaling van de door haar gevorderde kosten als bedoeld in artikel 6:96 BW.

Schade als gevolg van ingehuurd personeel € 33.500,00

5.31.

[eiseres] stelt ten aanzien van deze schadepost het volgende. In februari 2021 is [persoon A] genoodzaakt geweest een externe interim-opdracht aan te nemen, vanwege het structureel wegvallen van inkomsten als gevolg van het eigen beslag dat [gedaagde 1] had gelegd op de maandelijkse aandelenbetalingen van € 5.500,00. Daardoor kon hij tussen maart 2021 en februari 2022 niet zelf de dagelijkse leiding voeren over [bedrijf A] ., waarvan hij bestuurder is. Ter waarborging van de continuïteit van de onderneming heeft [bedrijf A] . gedurende deze periode een werknemer moeten inhuren als vervanger. De betreffende werknemer is formeel in dienst getreden bij [bedrijf C] , een aan [bedrijf A] . gelieerde vennootschap, en is intern doorbelast aan [bedrijf A] . De daarmee gemoeide loonkosten waren € 33.500,00. De werknemer verrichtte hoofdzakelijk uitvoerende taken, gericht op behoud van bestaande klanten en operationele ondersteuning. Zijn inzet diende als tijdelijke oplossing en kon niet het verlies aan strategische en commerciële sturing door [persoon A] zelf compenseren.

5.32.

De rechtbank wijst deze vordering af. [eiseres] heeft deze schadepost onvoldoende onderbouwd en – zoals ook [gedaagde 1] heeft aangevoerd – als al sprake zou zijn van gemaakte loonkosten, heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd dat sprake is van enig causaal verband tussen deze loonkosten en de onrechtmatige beslaglegging. Ook heeft [gedaagde 1] aangevoerd dat voor zover er al loonkosten zijn gemaakt hier arbeid tegenover staat waarvan [bedrijf A] . dan ook heeft geprofiteerd, zodat niet valt in te zien hoe dit (uitsluitend) een schadepost kan opleveren, mede omdat [persoon A] heeft gesteld dat dit hem in staat zou hebben gesteld elders inkomsten te genereren. [eiseres] heeft dit vervolgens niet weersproken.

Omzet-/winstderving € 135.532,00

5.33.

[eiseres] stelt ten aanzien van deze schadepost het volgende. Als direct gevolg van het door [gedaagde 1] gelegde beslag op de privé-inkomsten van [persoon A] en het uitblijven van de overeengekomen aandelenbetalingen, zag [persoon A] zich genoodzaakt om van februari 2021 tot en met maart 2022 een externe interim-opdracht te aanvaarden van 36 uur per week.

Hierdoor kon hij gedurende deze periode niet actief bijdragen aan de commerciële ontwikkeling van [bedrijf C] , terwijl deze onderneming zich nog in een opbouw- en groeifase bevond. In 2020 is intensief geïnvesteerd in voorbereiding, acquisitie en marktpositie wat in 2021 resulteerde in een omzetgroei van € 327.052,00. In 2022 bleef die groei echter sterk achter: slechts € 144.583,00 werd gerealiseerd. Ook in 2023 bleef een deel van de verwachte groei uit.

5.34.

[gedaagde 1] betwist ook deze schadepost. De rechtbank is met [gedaagde 1] eens dat [eiseres] deze vordering onvoldoende heeft onderbouwd. [eiseres] verwijst weliswaar naar het rapport van AAFF Accountants dat zij heeft overgelegd en naar productie 62, maar dit betreft enkel cijfers en de rechtbank kan op basis hiervan niet vaststellen, zoals door [eiseres] gesteld, dat “Deze omzet (en daarmee winst) dippen 100% te wijten [zijn] aan alle acties van [gedaagde 1] .”, laat staan dat de rechtbank kan vaststellen dat deze schade het gevolg is van de onrechtmatig gelegde beslagen.

Vordering tegen de overige gedaagden

5.35.

Volgens [eiseres] zijn [bedrijf D] en de bestuurders van [gedaagde 1] en [bedrijf D] naast [gedaagde 1] hoofdelijk aansprakelijk voor de schade, omdat zij ook onrechtmatig tegenover [eiseres] hebben gehandeld door als feitelijke beleidsbepalers doelbewust mee te werken aan het illusoir maken van de verhaalspositie van [gedaagde 1] . Zij hebben heimelijk waardevolle activa aan een gelieerde vennootschap overgedragen, zonder reële compensatie en zonder reservering voor een voorzienbare verplichting, wat ertoe heeft geleid dat [gedaagde 1] inmiddels feitelijk leeg is, en [eiseres] zich op haar niet meer kan verhalen. Daarmee is haar mogelijkheid om de schade te verhalen die voortvloeit uit de door het hof vernietigde beslagen illusoir geworden.

5.36.

De rechtbank oordeelt als volgt. Het doen eindigen van ondernemingsactiviteiten van de ene rechtspersoon en het doen voortzetten van diezelfde activiteiten door de andere rechtspersoon met geen ander oogmerk dan om een crediteur te benadelen door het verijdelen van verhaal, is onrechtmatig jegens deze crediteur en verplicht tot vergoeding van de schade.3 [gedaagde 1] c.s. betwisten dat gedaagden 2 tot en met 9 intentioneel verhaal van [gedaagde 1] illusoir hebben gemaakt en voeren aan dat van betalingsonwil van [gedaagde 1] geen sprake is. Ter zitting heeft de rechtbank aan [gedaagde 1] c.s. gevraagd of [gedaagde 1] nog operationeel is, waarop [gedaagde 8] antwoordde: “Ja, daar zitten nog activiteiten in.”. Gelet hierop staat naar het oordeel van de rechtbank niet vast dat [gedaagde 1] niet aan haar veroordeling zal voldoen en is de vordering tegen gedaagden 2 tot en met 9 om die reden prematuur. De vordering wordt dan ook afgewezen.

5.37.

De rechtbank merkt daarbij op dat zij ervan uitgaat dat [gedaagde 1] aan de veroordeling van dit vonnis zal voldoen en dat het niet nodig zal zijn dat [eiseres] daar weer (meerdere) procedures over moet voeren.

Buitengerechtelijke kosten

5.38.

[eiseres] maakt aanspraak op vergoeding van € 2.976,16 aan buitengerechtelijke kosten conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De vordering van [eiseres] heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit van toepassing is. De rechtbank zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten door [gedaagde 1] verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld dat zij daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt, dat de kosten waarvan zij vergoeding vordert, dienen te worden beschouwd als buitengerechtelijke kosten en dat de door [eiseres] gestelde werkzaamheden zijn aan te merken als buitengerechtelijk. De vordering is ten aanzien van [gedaagde 1] dan ook toewijsbaar, waarbij op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW aansluiting wordt gezocht bij de wettelijke tarieven. De rechtbank zal de buitengerechtelijke incassokosten op grond daarvan vaststellen op een bedrag van € 887,14, uitgaande van het toegewezen bedrag.

Beslagkosten

5.39.

[eiseres] vordert [gedaagde 1] c.s. te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv (enkel) ten aanzien van [gedaagde 1] toewijsbaar. De beslagkosten worden met betrekking tot [gedaagde 1] vastgesteld op € 333,74 voor kosten deurwaardersexploten, € 320,00 voor griffierecht en € 1.290,00 voor salaris advocaat (1 rekest x tarief IV), totaal € 1.943,74. De gevorderde beslagkosten ten aanzien van gedaagden 2 tot en met 9 worden afgewezen.

Proceskosten

5.40.

[gedaagde 1] is gedeeltelijk in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiseres] betalen. De rechtbank acht het redelijk het gehele griffierecht toe te wijzen gelet op het feit dat het voor [eiseres] nodig was deze procedure te voeren, nadat zij ook al verschillende rechtsmaatregelen heeft moeten treffen, nadat zij in hoger beroep alsnog gelijk kreeg. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding

€

134,15

- griffierecht

€

6.541,00

- salaris advocaat

€

2.580,00

(2 punten × € 1.290,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

9.444,15

5.41.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.42.

Ten opzichte van de gedaagden 2 tot en met 9 is [eiseres] aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. De proceskosten aan de zijde van gedaagden 2 tot en met 9 worden vastgesteld op nihil, omdat zij worden vertegenwoordigd door dezelfde advocaat en zij naast [gedaagde 1] niet of nauwelijks afzonderlijk kosten zullen hebben gemaakt.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

5.43.

Tegen de door [eiseres] verzochte uitvoerbaar bij voorraad verklaring is geen verweer gevoerd, terwijl zij geacht moet worden daarbij belang te hebben, zodat deze wordt toegewezen.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan [eiseres] van € 11.213,62, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 30 april 2026 tot de dag van volledige betaling,

6.2.

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan [eiseres] van de buitengerechtelijke kosten van € 887,14,

6.3.

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan [eiseres] van de beslagkosten van € 1.943,74,

6.4.

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 9.444,15, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde 1] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,

6.5.

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

6.6.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van gedaagden 2 tot en met 9, tot op heden begroot op nihil,

6.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.M.P. Cremers en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

3242/1918

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »