RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/10094
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. R.P. van der Graaf),
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR
(gemachtigde: mr. J.A. Launspach).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de cursus Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer (EMG) die aan eiser is opgelegd wegens een overtreding van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994). Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van de EMG.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR terecht aan eiser een EMG heeft opgelegd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 17 juni 2025 (het primaire besluit) is aan eiser een EMG opgelegd. Met het bestreden besluit van 4 november 2025 op het bezwaar van eiser is het CBR bij dat besluit gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Het CBR heeft van de politie een zogenoemde Mededeling rijvaardigheid en geschiktheid over eiser ontvangen. Uit dit proces-verbaal van de politie maakt de rechtbank (samengevat) het volgende op. Op 30 mei 2025 om 8:25 uur stond de verbalisanten op de A4 ter hoogte van hectometerpaal 221.2 linker rijbaan. De verbalisanten zagen eiser in een auto vanuit de richting Bergen op Zoom komen rijden. De verbalisanten zagen eiser naar zich toe rijden met een (met een lasersnelheidsmeter gemeten) snelheid van (na correctie) 172 kilometer per uur. De verbalisanten zijn eiser gevolgd. De verbalisanten hebben eiser een stopteken gegeven en hem om 8:30 uur staande gehouden op de Noordlangeweg te Dinteloord.
Het CBR heeft met het primaire besluit aan eiser een EMG opgelegd op basis van de volgende toepasselijk geachte criteria uit artikel 14, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling):
b) ten aanzien van betrokkene als bestuurder van een motorrijtuig een overschrijding is geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid met 60 kilometer per uur of meer op wegen binnen of buiten de bebouwde kom.
Met het bestreden besluit op het bezwaar van eiser heeft het CBR de bezwaren ongegrond verklaard en is het CBR bij het opleggen van de EMG gebleven.
Toetsingskader
4. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Heeft het CBR aannemelijk gemaakt dat eiser de gedragingen heeft begaan?
5. Eiser voert aan dat niet aan de criteria vermeld in artikel 14, eerste lid, onder b, van de regeling is voldaan. Eiser betwist dat hij 172 kilometer per uur heeft gereden. Volgens eiser is er sprake van een administratieve vergissing of een persoonswisseling. Eiser had Flitsmeister geopend en hierin was een flitser aangemeld ter hoogte van hectometerpaal 223.5, niet ter hoogte van hectometerpaal 221.2. Ook heeft eiser op het moment van de staandehouding een telefoongesprek met zijn werkgever beëindigd en dit was om 8:42 terwijl volgens de mededeling van de politie de staandehouding om 8:30 plaatsvond. Eiser betwist niet dat er op 30 mei 2025 een snelheidsovertreding heeft plaatsgevonden, eiser betwist wel dat hij dit was geweest. Eiser vermoed dat sprake is van een voertuigverwisseling. Eiser is vrijgesproken door de politierechter omdat de politierechter het proces-verbaal van de verbalisant onvoldoende betrouwbaar achtte.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) mag een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal.1 Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Indien uit een op ambtseed of ambtsbericht opgemaakt proces-verbaal een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 kan worden afgeleid, vormt dit voldoende grondslag om een bestuursrechtelijke maatregel op te leggen. Vrijspraak door de politierechter van het tenlastegelegde laat dat gegronde vermoeden in beginsel onverlet.
Uit het proces-verbaal volgt dat er een meting heeft plaatsgevonden en dat het voertuig van eiser is gemeten met een snelheid van (na correctie) 172 kilometer per uur. Tussen partijen is niet in geschil dat in het proces-verbaal een verkeerde locatie is genoemd waar de meting zou hebben plaatsgevonden. In een later proces-verbaal is dit gecorrigeerd. Hoewel de gang van zaken en de fout in het proces-verbaal niet getuigt van zorgvuldigheid bij het opstellen van het proces-verbaal, maakt deze onzorgvuldigheid niet dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het juist eiser was die de snelheidsovertreding heeft begaan. Dat volgens eiser het tijdstip van zijn staandehouding niet klopt en dat dit enkele minuten later plaatsvond dan opgenomen in het proces-verbaal volgt niet uit de belgeschiedenis die hij heeft overgelegd. De enkele stelling van eiser dat het telefoongesprek plaatsvond ten tijde van de aanhouding is onvoldoende om de meting van de snelheidsovertreding op zichzelf te betwisten. Ook de stelling van eiser dat hij Flitsmeister gebruikte en dat hij de op de hoogte was van de aanwezigheid van een snelheidsmeting kan niet leiden tot het oordeel dat het CBR niet uit mag gaan van de inhoud van het proces-verbaal. In het proces-verbaal is opgenomen dat de meetafstand tot het voertuig van eiser 779,2 meter bedroeg. Het is niet uitgesloten dat de meting al had plaatsgevonden en dat eiser daarna is afgeremd. De enkele ontkenning van eiser dat hij de overtreding heeft begaan is onvoldoende om de waarneming van de verbalisanten van de snelheidsmeting en de vaststelling dat het juist zijn voertuig was die de snelheidsovertreding heeft begaan te ontkrachten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het CBR voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser de snelheidsovertreding heeft begaan en dat daarmee is voldaan aan de criteria vermeld in artikel 14, eerste lid, onder b, van de regeling. Zo hebben de verbalisanten verklaard dat het op de vrijdag na Hemelvaartsdag op het moment van het waarnemen van het voertuig van eiser op de weg rustig was en een verwisseling van voertuigen niet aannemelijk is. Ook heeft eiser na zijn staandehouding en confrontatie met de gemeten snelheid, een snelheidsovertreding niet ontkend, doch enkel verklaart: “Ik heb niet zo hard gereden bro.”
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat aan eiser terecht een EMG is opgelegd. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.
De rechter is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wegenverkeerswet 1994
Artikel 130
1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.
[…]
Artikel 131
1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:
a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of
b. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid.
Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.
2. Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt:
a. in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde lid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor één of meer categorieën van motorrijtuigen geschorst tot de dag waarop het in artikel 134, vierde of zevende lid, bedoelde besluit van kracht wordt;
b. indien de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene overeenkomstig onderdeel a wordt geschorst, en diens rijbewijs niet overeenkomstig artikel 130, tweede lid, is ingevorderd, bepaald dat betrokkene zijn rijbewijs dient in te leveren bij het CBR;
c. indien de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene niet overeenkomstig onderdeel a, wordt geschorst, doch diens rijbewijs wel overeenkomstig artikel 130, tweede lid, is ingevorderd, bepaald dat het rijbewijs onverwijld aan betrokkene wordt teruggegeven.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid.
4. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
Artikel 14
1. Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel gedrag en verkeer indien:
[…]
b. ten aanzien van betrokkene als bestuurder van een motorrijtuig een overschrijding is geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid met 60 kilometer per uur of meer op wegen binnen of buiten de bebouwde kom;
[…]