RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12051897 CV EXPL 26-1434
datum uitspraak: 2 oktober 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] .
gevestigd te [vestigingsplaats 1] , gemeente [gemeente] ,
eiseres,
gemachtigde: In-Kas Intermediair B.V.,
tegen
1. [gedaagde 1] ., die mede handelt onder de namen [handelsnaam 1] en [handelsnaam 2]
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde,
procedure ten aanzien van deze partij van rechtswege geschorst in verband met faillissement,
2 [gedaagde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
vertegenwoordigd door: [persoon A] en [persoon B] .
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd.
1 De zaak in het kort
[gedaagde 1] , waarvan [gedaagde 2] statutair bestuurder is, heeft producten besteld bij [eiseres] , een groothandel in levensmiddelen voor de horeca. [eiseres] heeft [gedaagde 1] daarvoor facturen gestuurd. [gedaagde 1] heeft een groot aantal facturen onbetaald gelaten. [eiseres] vordert bij dagvaarding dat de kantonrechter [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van de in de dagvaarding genoemde facturen met rente en kosten. Volgens [eiseres] is [gedaagde 2] hiervoor ook aansprakelijk, op grond van artikel 6:162 BW (bestuurdersaansprakelijkheid).
De kantonrechter stelt vast dat de procedure tegen [gedaagde 1] is geschorst. Voor zover de vorderingen zijn ingesteld tegen [gedaagde 2] , worden deze afgewezen.
2 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
-
de dagvaarding van 15 januari 2026, met producties;
-
het verslag van de mondelinge reactie op de rolzitting van 15 januari 2026;
-
de brief van 11 augustus 2026 van [eiseres] , met bijlagen;
-
de e-mail van 27 augustus 2026 van mr. M.H.J.A. Wesselink, curator van [gedaagde 1] , met bijlagen.
[gedaagde 1] is op 28 april 2026 failliet verklaard. De tegen [gedaagde 1] ingestelde vorderingen strekken tot betaling van een geldsom door [gedaagde 1] . Dat zijn vorderingen als bedoeld in artikel 26 van de Faillissementswet (hierna Fw). Het gevolg van het faillissement is dat de procedure tegen [gedaagde 1] op grond van artikel 29 Fw is geschorst; deze vorderingen kunnen bij de curator worden ingediend.
Op 1 september 2026 is de zaak – voor zover het gaat om de vorderingen tegen [gedaagde 2] – op de mondelinge behandeling besproken. Daarbij was aanwezig de heer [persoon C] , statutair bestuurder van [eiseres] . [gedaagde 2] is niet verschenen.
3 Het geschil
[eiseres] eist samengevat dat de kantonrechter [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van € 22.288,09, vermeerderd met wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] legt aan de vorderingen ten grondslag dat [gedaagde 1] 26 facturen (met een totaalbedrag van € 22.288,09) onbetaald heeft gelaten. [gedaagde 2] is daar volgens [eiseres] (ook) aansprakelijk voor omdat zij als bestuurder van [gedaagde 1] heeft gehandeld en heeft bewerkstelligd of toegelaten dat [gedaagde 1] haar verplichtingen jegens [eiseres] niet nakomt.
[gedaagde 2] heeft verweer gevoerd, waarop voor zover nodig in de beoordeling zal worden ingegaan.
4 De beoordeling
De vraag ligt voor of [gedaagde 2] aansprakelijk kan worden gehouden voor de (schade die is geleden als gevolg van de) onbetaald gebleven facturen van [eiseres] .
Beoordelingskader bestuurdersaansprakelijkheid (artikel 6:162 BW)
In beginsel is alleen de vennootschap aansprakelijk voor de schade die ontstaat wanneer zij niet aan haar verplichtingen voldoet. Alleen in bijzondere gevallen kan een bestuurder persoonlijk aansprakelijk worden gehouden. Voor bestuurdersaansprakelijkheid is vereist dat de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de benadeling van de schuldeiser. Dat kan volgens vaste rechtspraak, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, aan de orde zijn als de bestuurder bij het aangaan van de overeenkomst wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden (de Beklamel norm1), of als de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar contractuele verplichtingen niet nakomt (de Ontvanger/Roelofsen maatstaf2). De lat voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid ligt hoog. Een bestuurder moet immers ruimte hebben om in het belang van de rechtspersoon beslissingen te nemen voor de rechtspersoon, zonder dat moet worden gevreesd voor aansprakelijkheid.
Voor deze zaak betekent dit dat [eiseres] feiten en/of omstandigheden moet stellen die tot de conclusie kunnen leiden dat [gedaagde 2] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van de schade die [eiseres] lijdt als gevolg van het feit dat de 26 facturen niet zijn betaald.
[eiseres] heeft onvoldoende gesteld
De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] onvoldoende heeft gesteld om tot het oordeel te komen dat [gedaagde 2] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. [eiseres] heeft enkel benoemd dat de facturen niet zijn betaald en dat er niet is gereageerd op betalingsverzoeken. Dat is onvoldoende. Het is niet aan [gedaagde 2] om te bewijzen dat haar géén persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, zoals wordt gesuggereerd in de dagvaarding. De – pas op de mondelinge behandeling naar voren gebrachte – stelling dat [gedaagde 2] verschillende keren automatische incasso’s heeft gestorneerd is onvoldoende concreet om tot een ander oordeel te leiden.
[eiseres] heeft nog gesteld dat [gedaagde 1] slechts € 1,20 aan geplaatst kapitaal heeft en dat niet alle jaarrekeningen zijn gedeponeerd. Voor zover [eiseres] bedoeld heeft een beroep te doen op art. 2:248 BW geldt dat die bepaling ziet op het toetsingskader voor bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement. Daar gaat het in deze procedure niet om. De beperkte hoogte van het geplaatst kapitaal en het niet deponeren van de jaarrekeningen rechtvaardigt zonder nadere onderbouwing – die ontbreekt – niet het oordeel dat sprake is van een persoonlijk ernstig verwijt aan de zijde van [gedaagde 2] in de zin van artikel 6:162 BW.
De conclusie is dat de vordering van [eiseres] tot betaling van de facturen wordt afgewezen. De nevenvorderingen delen in dat lot.
Proceskostenveroordeling
[eiseres] moet de proceskosten van [gedaagde 2] betalen, omdat zij ongelijk krijgt (art. 237 Rv). De vertegenwoordigers van [gedaagde 2] die op 15 januari 2026 bij de rolzitting zijn verschenen, hebben verteld dat zij medewerkers zijn van [gedaagde 1] . De kantonrechter gaat daarom ervan uit dat geen sprake is van professionele gemachtigden. Namens [gedaagde 2] is niemand op de mondelinge behandeling verschenen; er is dus niets aangevoerd wat tot een ander oordeel kan leiden. De kantonrechter stelt tegen deze achtergrond de proceskosten aan de kant van [gedaagde 2] ambtshalve vast op € 50,= aan reis- en verletkosten.
5 De beslissing
De kantonrechter:
verstaat dat de procedure tussen [eiseres] en [gedaagde 1] is geschorst;
wijst de vorderingen van [eiseres] voor zover ingesteld tegen [gedaagde 2] af;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde 2] , tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde 2] begroot op € 50,- aan reis- en verletkosten.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. L.A. Bettonvil en in het openbaar uitgesproken.
70396/145