RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/727154 / KG ZA 26-1031
Vonnis in kort geding van 7 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. P.H.J. Körver,
tegen
STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID, RAAD VOOR DE RECHTSPRAAK),
zetelend te Den Haag,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Staat
advocaten: mr. M.T. Beumers en mr. M. Moret.
1 De zaak in het kort
[eiser] vordert inzage in gegevens die zich bevinden bij de Staat. De Staat verzet zich tegen het verlenen van inzage, onder meer omdat de gegevens volgens haar vallen onder een wettelijk verschoningsrecht. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiser] af.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 oktober 2026 met producties 1 tot en met 6;
- de akte wijziging eis van [eiser] ;
- de akte overlegging producties van de Staat met producties 1 tot en met 7;- de mondelinge behandeling van 6 oktober 2026;- de pleitnota van [eiser] ;- de pleitnota van de Staat.
3 De feiten
[eiser] is bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 juni 2017 in staat van faillissement verklaard. Gedurende het faillissement is [eiser] enkele maanden gegijzeld. Op 29 maart 2021 is het faillissement van [eiser] opgeheven wegens gebrek aan baten.
Tijdens het faillissement werd [eiser] onder meer bijgestaan door de advocaat mr. P.C. Rijken, die toen werkzaam was bij het advocatenkantoor Buren. Buren heeft eind 2019 haar werkzaamheden voor [eiser] gestaakt en de cliëntrelatie met hem beëindigd.
De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 10 februari 2026 op verzoek van [eiser] een voorlopig getuigenverhoor bevolen. Daarin heeft de rechtbank overwogen:
“(…) 2.7. [eiser] wil met het horen van getuigen het volgende bewijzen dan wel verduidelijken:
(1) wie [persoon A] is;
(2) wie aan het gesprek hebben deelgenomen ofanderszins bij de totstandkoming van
dit gesprek betrokken zijn geweest;
(3) wat de aanleiding voor en de inhoud van het gesprek zijn geweest; en
(4) wie op de hoogte van de uitkomst van dit gesprek waren en wanneer zij dat waren. (…)
[eiser] heeft gesteld dat mr. Rijken hem heeft verteld dat mr. Rijken “in het tweede
semester” van 2019 in een gesprek bij de Rechtbank Den Haag van leden van de rechtbank
de boodschap heeft gekregen dat hij minder faillissementen toebedeeld zou krijgen als
Buren of hijzelf [eiser] zouden blijven bijstaan. (…)”
Op 1 en 20 april, 12 juni en 15 september 2026 hebben vier zittingen plaatsgevonden waarbij getuigen zijn gehoord in het kader van het in 3.3. bedoelde voorlopig getuigenverhoor.
Bij vonnis van 2 juni 2026 is de Staat veroordeeld om [eiser] inzage te geven in zijn faillissementsdossier. De Staat heeft bij brief van 3 september 2026 stukken uit het faillissementsdossier aan [eiser] doen toekomen.
Bij e-mail van 24 september 2026 heeft de advocaat van [eiser] de advocaat van de Staat het volgende geschreven:
“(…) Bij randnummer 2.16 van het verweerschrift van de Staat van 4 december 2025 (zie bijlage) heeft de Staat het navolgende geponeerd::
De Staat heeft geconstateerd dat in de betreffende periode slechts één gesprek heeft plaatsgevonden tussen advocaten van Buren en twee leden van Team Insolventies van de rechtbank Den Haag. Het gesprek vond plaats op 12 december 2019 en daaraan namen mrs. Vermeeren en Rijken deel aan de zijde van Buren, en mrs. R.G.C. Veneman en D. Nobel aan de zijde van de rechtbank. Destijds waren mrs. Veneman en Nobel werkzaam binnen het Team Insolventies van de rechtbank Den Haag. Dit gesprek had uitsluitend betrekking op het nieuwe beloningsbeleid voor curatoren, dat in 2020 ingevoerd zou worden, en maakte deel uit van een serie gesprekken die met verschillende curatoren daarover zijn gevoerd. Het gesprek stond los van de door Buren verleende rechtsbijstand aan [eiser] en ging evenmin over de mogelijke gevolgen daarvan voor toekomstige benoemingen in faillissementsprocedures.
Gaarne ontvang ik van U een afschrift van het bericht dat de Staat van de rechtbank Den Haag moet hebben ontvangen om de stelling in te kunnen nemen dat het onderwerp van gesprek van 12 december 2019 uitsluitend het nieuwe beloningsbeleid voor curatoren was en dat het gesprek los stond van de door Buren verleende rechtsbijstand aan [eiser] .”
Bij e-mail van 1 oktober 2026 heeft de advocaat van de Staat aan de advocaat van [eiser] geschreven dat de informatie enkel mondeling was verstrekt.
Bij e-mail van 1 oktober 2026 heeft de advocaat van [eiser] de advocaat van de Staat geschreven:
“(…) Als het daadwerkelijk om een mondeling bericht zou gaan dan verzoek ik U de navolgende informatie met de Heer [eiser] te delen:
(1) Van welke medewerker (naam en functie) is het mondelinge bericht van de rechtbank afkomstig en wie heeft het mondelinge bericht van de medewerker van de rechtbank in ontvangst genomen?;
(2) Waar heeft de medewerker van de rechtbank dit mondelinge bericht op gebaseerd i.e. op welke bron heeft de medewerker zich gebaseerd toen deze aan de Staat mededeelde dat er een gesprek op 12 december 2019 heeft plaatsgevonden tussen Mrs Vermeeren, Rijken, Nobel en Veneman dat uitsluitend over het nieuwe beloningsbeleid zou zijn gegaan.
(3) Een afschrift van de interne vastlegging van het bedoelde mondeling bericht van de
medewerker van de rechtbank (…)”
Bij e-mail van 2 oktober 2026 heeft de advocaat van de Staat aan de advocaat van [eiser] geschreven dat informatie over de totstandkoming van het verweerschrift onder het verschoningsrecht van de betrokken advocaten valt en dat de gevraagde gegevens geen betrekking hebben op het onderwerp van de getuigenverhoren.
4 Het geschil
[eiser] vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
1. de Staat veroordeelt om te verstrekken aan [eiser] : primair, het bericht dat de Staat had ontvangen van de rechtbank Den Haag zoals genoemd onder 3.6., subsidiair, de bron waarop de Staat de stelling in haar verweerschrift onder 3.6. heeft gebaseerd, en meer subsidiair, de naam en functie van de medewerker van de verzender en de ontvanger van het mondelinge bericht zoals genoemd onder 3.8., op straffe van verbeurte van een dwangsom,
2. de Staat te veroordelen in de kosten van het geding.
De Staat der Nederlanden voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
5 De beoordeling
Wijziging van eis is niet in strijd met de goede procesorde
De Staat voert aan dat de wijziging van eis door [eiser] in strijd is met de goede procesorde en daarom niet moet worden toegelaten. Uit het door de Staat gevoerde verweer volgt dat zij voldoende tijd heeft gehad om het verweer tegen de gewijzigde eis voor te bereiden. Gelet daarop is de wijziging van eis niet in strijd met de goede procesorde, ook al is de akte waarin deze is opgenomen minder dan 24 uur voor de zitting toegestuurd.
Toetsingskader inzagevordering in kort geding
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Een partij bij een rechtsbetrekking heeft tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft (artikel 194 Rv). Indien degene die beschikt over de bepaalde gegevens medewerking weigert, kan een rechter voordat een zaak aanhangig is op verzoek van een belanghebbende inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens bevelen (artikel 196 Rv). In spoedeisende gevallen kan het verzoek ook worden gedaan aan de voorzieningenrechter (artikel 197 Rv), zonder dat gezegd kan worden dat een inzagevordering per definitie een spoedeisend belang oplevert. Het uitgangspunt van de wetgever is dat de onder het oude recht bestaande mogelijkheid tot het voeren van een kort geding procedure om inzage te vragen blijft bestaan. Inzage kan daarom ook gevorderd worden in een dagvaardingsprocedure in kort geding. De rechter wijst een verzoek tot inzage toe, tenzij hij van oordeel is dat:
a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is;
b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;
d. sprake is van misbruik van bevoegdheid; of
e. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
Onvoldoende (spoedeisend) belang en bestaan gewichtige redenen tegen verstrekking
Voor vorderingen tot inzage in kort geding geldt dat een partij daarbij een voldoende spoedeisend belang moet hebben. Anders dan de Staat aanvoert, gelden er voor vorderingen tot inzage in het geval van voorlopige bewijsverrichtingen echter geen bijzondere of andere eisen aan het spoedeisend belang dan die in het algemeen voor kort geding procedures gelden. De door de Staat aangehaalde jurisprudentie heeft – anders dan het onderhavige geval – betrekking op een vordering tot inzage in kort geding wanneer er reeds een bodemprocedure aanhangig is gemaakt.
Volgens [eiser] volgt zijn spoedeisend belang uit de omstandigheid dat de rechtbank Rotterdam de voorzetting van het voorlopig getuigenverhoor heeft bevolen op 12 oktober 2026 en dat hij het gevraagde stuk nodig heeft om getuigen met de inhoud daarvan te kunnen confronteren. Dit levert onvoldoende (spoedeisend) belang op bij de vordering tot inzage.
[eiser] heeft niet toegelicht op welke wijze de verzochte gegevens bijdragen aan het probandum voor de getuigenverhoren (zie 3.3.). De door hem gevorderde inzage heeft immers betrekking op gegevens over de totstandkoming van het verweerschrift van de Staat in 2025 en niet op het gesprek dat heeft plaatsgevonden op 12 december 2019. Onder die omstandigheden mocht worden verwacht van [eiser] dat hij nader zou toelichten waarom het relevant zou zijn om de getuigen te horen over de omstandigheid dat de Staat het standpunt heeft ingenomen dat het gesprek van 12 december 2019 enkel betrekking had op het beloningsbeleid voor curatoren, althans waarom het niet volstaat om de betreffende getuigen te vragen naar de inhoud van het gesprek van 12 december 2019. Het belang van [eiser] bij de verstrekking van deze informatie is daarmee onvoldoende duidelijk geworden. Dit heeft ook een weerslag op de spoedeisendheid. Het is immers onvoldoende duidelijk geworden waarom de gevorderde gegevens nu juist voor het getuigenverhoor van 12 oktober 2026 nodig zijn. Dat brengt met zich dat [eiser] onvoldoende spoedeisend belang heeft bij het op korte termijn, althans voor het voorafgaand aan dat getuigenverhoor verkrijgen van de gegevens.
Daarnaast staan ook gewichtige redenen in de weg aan toewijzing van de gevorderde inzage. Het begrip gewichtige redenen omvat het bestaan van een geheimhoudingsplicht die door toekenning van een verschoningsrecht is erkend. Ook als geen wettelijk verschoningsrecht bestaat, kan het vertrouwelijke karakter van gegevens zich ertegen verzetten dat deze informatie voorafgaand aan een procedure met de wederpartij wordt gedeeld.1
[eiser] wenst in de kern genomen inzage in de interne beraadslagingen van de Staat over (het opstellen van) het verweerschrift, waaronder de wijze waarop intern feitenonderzoek is verricht en de wijze waarop en door welke personen daarover intern is gerapporteerd, voorafgaand aan het moment dat deze informatie is gedeeld met de advocaat van de Staat.
Er geldt – in het algemeen – geen wettelijk verschoningsrecht voor medewerkers van de Staat. Een verschoningsrecht staat daarom niet rechtstreeks aan de gevorderde inzage in de weg. Het inzagerecht strekt echter niet zo ver dat de Staat gegevens over de wijze waarop zij intern informatie heeft ingewonnen om verweer te kunnen (laten) voeren in een procedure dient te delen met de processuele wederpartij, als die daar aanspraak op maakt. Het recht op een eerlijk proces brengt mee dat een procespartij, ook de Staat, in het kader van de voorbereiding van in een juridische procedure te voeren verweer vertrouwelijk intern overleg moet kunnen voeren en informatie moet kunnen vergaren en vastleggen, bijvoorbeeld ten behoeve van een op te stellen processtuk, zoals een verweerschrift. Dat zou in de praktijk niet goed mogelijk zijn als een procespartij er steeds beducht voor zou moeten zijn dat in dat kader gegenereerde gegevens met betrekking tot de voorbereiding van het te voeren verweer (door een ander dan een advocaat) mogelijk zullen moeten worden verstrekt aan de processuele wederpartij. De gegevens waarin [eiser] inzage wenst – voor zover deze zouden bestaan – hoeven ook daarom niet te worden verstrekt.
Een belangenafweging leidt niet tot een ander resultaat.
Gelet op het voorgaande worden de vorderingen van [eiser] afgewezen.
Proceskosten
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
De proceskosten van de Staat worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
341,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.177,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.707,00 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6 De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026. 4049 / 1729 |
||