Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-113172-26
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
Datum zitting: 22 juli 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2000 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , [locatie] .
Advocaat van de verdachte: mr. K.C. van de Wijngaart
Officier van justitie: mr. W.A.J.A. Welten
Benadeelde partijen: [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en Politie Eenheid Rotterdam
Kern van het vonnis
De verdachte heeft bijgedragen aan meerdere diefstallen door middel van “babbeltrucs”, ook wel (bank)helpdeskfraude genoemd. De hoogbejaarde of geestelijk beperkte slachtoffers werden gebeld met een nepverhaal over hun bankrekening en gaven om die reden bankpassen met pincodes, sieraden en andere waardevolle spullen mee aan de verdachte. Vervolgens heeft de verdachte die bankpassen gebruikt om bedragen op te nemen en goederen te kopen. Dit zijn zeer ernstige feiten met grote gevolgen voor de slachtoffers. De verdachte heeft ter terechtzitting zijn betrokkenheid bekend. Daarnaast heeft hij een in de politiecel een telefoon vernield. Omdat de verdachte op veel leefgebieden hulp nodig heeft, wordt een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd met bijzondere voorwaarden.
1 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – meerdere diefstallen heeft gepleegd door middel van babbeltrucs en een telefoon vernield heeft.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
Feit 1hij op/in of omstreeks de periode van 16 januari 2026 tot en met 30 januari 2026 te Huissen, Oud-Beijerland, Numansdorp, Dordrecht, Westervoort en/of Didam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een of meerdere (contante) geldbedragen, bankpassen met bijbehorende pincodes en/of sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan- [slachtoffer 3] ,- [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] ,- [slachtoffer 1] ,- [slachtoffer 2] ,- [slachtoffer 6] en/of- [slachtoffer 7] ,in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeftweggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel en/of het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels, door- telefonisch contact op te nemen met voornoemde personen en zich voor te doen als politieagent of bankmedewerker,- voornoemde personen te waarschuwen voor virussen op hun bankrekening en/of verdachtesituaties,
- voornoemde personen te vragen naar hun pincodes en/of waardevolle goederen,- voornoemde personen mede te delen dat er een (politie)collega langskomt om waardevolle goederen veilig te stellen en/of bankpassen op te halen,- bij de woning van voornoemde personen langs te gaan, zich voor te doen als politieagent en bankpassen, contant geld en/of juwelen weg te nemen,- onbevoegd gebruik te maken van de bankpassen en/of pincodes van voornoemde personenen/of- meerdere malen, althans eenmaal, met de bankpassen van die voornoemde personen geld op te nemen en/of betalingen te verrichten.
Feit 2hij op of omstreeks 16 april 2026 te Dordrecht, opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Politie Eenheid Rotterdam, toebehoorde heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.
2 Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor beide feiten.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank nu de verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd. Zij geeft ter overweging mee dat het handelen van de verdachte op een onjuiste manier ten laste is gelegd. Er is volgens de verdediging sprake van oplichting, in plaats van diefstal: de aangevers werden door het aannemen van een valse hoedanigheid bewogen de spullen af te geven.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere diefstallen door middel van het aannemen van een valse naam, een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen of door een samenweefsel van verdichtsels en vernieling van een telefoon. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3..
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd, maar niet uitgeschreven1.
1. Verklaring van de verdachte 2
2. Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer 4]3
3. Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer 1] 4
4. Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer 2]5
5. Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer 6] 6
6. Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer 7] 7
7. Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer 8]8
8. Proces-verbaal van de politie9
Wegneming
Uit het dossier blijkt dat de verdachte (en zijn medeverdachte) de slachtoffers opzettelijk hebben misleid door zich voor te doen als bankmedewerker en/of wijkagent. Deze misleiding was gericht op het winnen van vertrouwen van de slachtoffers, het binnenkomen van de woning, het verkrijgen van toegang tot bankrekeningen en het in bezit krijgen van waardevolle goederen. Deze misleiding is in de tenlastegelegde gevallen, met één uitzondering in het geval van [slachtoffer 3] , steeds gevolgd door een wegnemingshandeling. Immers zijn de fysieke goederen, zonder dat daarvoor expliciete toestemming was verleend en zonder dat deze goederen zelf door de slachtoffers waren overhandigd, door de verdachte feitelijk weggenomen. Dit volgt uit de verklaringen van de aangevers. Uit de aangifte van [slachtoffer 3] blijkt dat zij alle spullen zelf heeft gepakt, klaargelegd en overhandigd aan de verdachte. Hier is dus geen sprake van een wegnemingshandeling. Het handelen van de verdachte zou oplichting kunnen opleveren, maar dit is niet ten laste gelegd. Dit deel van de tenlastelegging zal daarom niet bewezen worden verklaard en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
Ten aanzien van de overige slachtoffers is wel steeds sprake van diefstal door middel van het aannemen van een valse naam, een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen of door een samenweefsel van verdichtsels, zoals ten laste gelegd.
Volledige bewezenverklaring
Feit 1hij in de periode van 16 januari 2026 tot en met 30 januari 2026 te Oud-Beijerland, Numansdorp, Dordrecht, Westervoort en Didam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, meerdere (contante) geldbedragen, bankpassen met bijbehorende pincodes en sieraden, in elk geval enig goed, die aan
- [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] ,- [slachtoffer 1] ,- [slachtoffer 2] ,- [slachtoffer 6] en- [slachtoffer 7] ,in elk geval aan een ander dan aan verdachte of zijn mededaders toebehoorden heeftweggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels, door- telefonisch contact op te nemen met voornoemde personen en zich voor te doen als politieagent,- voornoemde personen te waarschuwen voor virussen op hun bankrekening of verdachtesituaties,
- voornoemde personen te vragen naar hun pincodes en waardevolle goederen,- voornoemde personen mede te delen dat er een (politie)collega langskomt om waardevolle goederen veilig te stellen en bankpassen op te halen,- bij de woning van voornoemde personen langs te gaan, zich voor te doen als politieagent en bankpassen, contant geld en juwelen weg te nemen,- onbevoegd gebruik te maken van de bankpassen en pincodes van voornoemde personenen- meerdere malen, met de bankpassen van die voornoemde personen geld op te nemen en betalingen te verrichten.
Feit 2hij op 16 april 2026 te Dordrecht, opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon, die aan een ander, te weten aan de Politie Eenheid Rotterdam, toebehoorde heeft vernield.
3 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
medeplegen van diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels, meermalen gepleegd
Feit 2
vernieling
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4 Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met bijzondere voorwaarden. De officier van justitie heeft hierbij gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarbij heeft hij het oriëntatiepunt bij een woninginbraak met recidive tot uitgangspunt genomen en vermenigvuldigd met het aantal diefstallen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht meer dan de officier van justitie rekening te houden met de relatief kleine rol van de verdachte in het geheel en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals omschreven in het reclasseringsrapport. De verdachte staat open voor hulp en begeleiding. Bovendien heeft de verdachte openheid van zaken gegeven.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich vijf keer schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal door middel van een babbeltruc, in dit geval zogeheten (bank)helpdeskfraude. De babbeltrucs die de verdachte en zijn medeverdachten gebruikten, vormen een steeds vaker ingezette en lucratieve methode om op onbeschaamde wijze geld af te troggelen, vaak van kwetsbare mensen, zoals ook in deze zaak het geval was. Door zich voor te doen als een (wijk)agent of andere (bank)medewerker zijn van meerdere slachtoffers op geraffineerde wijze bankpassen, pincodes, contant geld, sieraden en andere waardevolle goederen bemachtigd. Met de weggenomen bankpassen heeft de verdachte vervolgens gepind of betalingen verricht. De slachtoffers waren allen ofwel hoogbejaard of geestelijk beperkt. Deze slachtoffers behoren tot een zeer kwetsbare groep mensen die in toenemende mate afhankelijk is van hun medemensen. De verdachte heeft daar op laffe en slinkse wijze misbruik van gemaakt en het vertrouwen in het maatschappelijk verkeer daarmee gekrenkt. Dit zijn ernstige feiten die, naast financiële schade, veel overlast en gevoelens van onmacht, schaamte en onveiligheid bij de slachtoffers teweeg hebben gebracht. Daarnaast leiden dergelijke feiten tot maatschappelijke onrust. Niet alleen onder ouderen in het algemeen, maar bij de betrokken slachtoffers en hun naasten in het bijzonder. Van de slachtoffers zijn sieraden weggenomen die voor hen van onvervangbare emotionele waarde waren, bijvoorbeeld sieraden van overleden naasten. De rechtbank is het niet eens met de stelling van de verdediging dat de verdachte een relatief kleine rol in het geheel had. Het was de verdachte die steeds bij de slachtoffers thuis kwam en, eenmaal binnen, enkel op zoek was naar kostbare spullen. Bij een slachtoffer ging dat zelfs zo ver dat hij de ringen met zeep van de vingers van het slachtoffer heeft gehaald. De verdachte heeft daarmee geen relatief kleine rol in het geheel gehad, maar daaraan juist een aanzienlijke bijdrage geleverd. Uit de chatberichten blijkt dat de verdachte gemotiveerd was deze handelingen te verrichten en juist om meer “werk” vroeg. De verdachte heeft kennelijk enkel en alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin en zich niet bekommerd om de slachtoffers. De rechtbank neemt dit de verdachte zeer kwalijk.
Daarnaast heeft de verdachte een telefoon van de politie stuk gegooid. Daarmee heeft de verdachte schade berokkend en overlast bezorgd.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 23 juni 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten en vernieling. Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 20 juli 2026 staat het volgende. Er is sprake van instabiliteit op nagenoeg alle leefgebieden van de verdachte. Zo beschikt hij niet over een vaste woon- of verblijfplaats, heeft hij geen dagbesteding, beschikt hij niet over een startkwalificatie en heeft hij geen werkervaring. Tot zijn detentie ontving hij een Wajong-uitkering die weer geactiveerd kan worden zodra hij een postadres heeft. De verdachte heeft daarnaast schulden van ongeveer €12.000,-. De verdachte rookt dagelijks cannabis. Tot slot is er sprake van psychische problemen: uit eerdere diagnostiek komen antisociale kenmerken en agressieproblemen naar voren. Gelet op deze omstandigheden schat de reclassering de kans op herhaling hoog in. Een reclasseringstoezicht is nodig om de verdachte te begeleiden bij het stabiliseren van de leefgebieden. Daarnaast biedt het toezicht mogelijkheden om de onderliggende
psychosociale problematiek en de aanwezige risicofactoren voor recidive aan te pakken. De reclassering adviseert daarom een deels voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden:
• Meldplicht bij reclassering
• Ambulante behandeling
• Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
• Contactverbod
• Dagbesteding
• Aflossing schulden
• Beheersing middelengebruik
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het LOVS. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank zoekt aansluiting bij het oriëntatiepunt voor het insluipen van een woning. De rechtbank weegt verder mee dat de verdachte vijf slachtoffers heeft gemaakt en daarnaast ook nog een vernieling heeft gepleegd. In het voordeel van de verdachte weegt mee dat hij openheid van zaken heeft gegeven, inzicht en berouw heeft getoond, zijn leven wil beteren en open staat voor hulp.
Dit alles afwegend wordt een gevangenisstraf van 18 maanden opgelegd.
De gevangenisstraf wordt gedeeltelijk voorwaardelijk opgelegd, omdat uit het reclasseringsrapport blijkt dat de verdachte dringend hulp nodig heeft om zijn leven op de rit te krijgen en te voorkomen dat hij nogmaals strafbare feiten pleegt. De rechtbank heeft op basis van de terechtzitting en het reclasseringsrapport het idee dat de verdachte kwetsbaar en naïef kan zijn, waardoor hij zich gemakkelijk laat gebruiken.
Van de gevangenisstraf worden daarom 6 maanden voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. Gelet op de problematiek van de verdachte wordt een proeftijd opgelegd van 3 jaren.
5 Vordering van de benadeelde partijen
Vordering [slachtoffer 1]
heeft als benadeelde partij ten aanzien van feit 1 € 400,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd, bestaande uit het bedrag dat met de pinpas van de benadeelde partij gepind is. De benadeelde partij wenst ook een vergoeding voor immateriële schade wegens verlies van diverse sieraden met emotionele waarde, maar heeft daar geen bedrag aan gekoppeld.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 400,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het overige deel van de vordering is niet onderbouwd. In dit deel van de vordering kan de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 400,-.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte
€ 400,- als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen. De benadeelde partij is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk, omdat dit deel niet is gespecificeerd en onderbouwd.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 23 januari 2026.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 4 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Vordering [benadeelde partij 1]
[slachtoffer 2] heeft als benadeelde partij ten aanzien van feit 1 € 820,50 als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze kosten zien op “veiligheid huis” en een bedrag van € 260,50 dat is gepind door de verdachte met de pinpas van de benadeelde partij.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 260,50, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het overige deel van de vordering is niet onderbouwd. In dit deel van de vordering kan de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 260,50. Het overige deel van de vordering is niet onderbouwd. De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in dat deel van de vordering.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit, namelijk het gepinde bedrag van € 260,50. Het overige deel van de vordering is niet nader onderbouwd. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering, waarvoor in deze strafprocedure geen ruimte is. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De vordering wordt tot een bedrag van € 260,50 toegewezen. Dit betekent dat de verdachte
€ 260,50 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Hoofdelijke veroordeling
De verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader gepleegd. Zij zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededader de schadevergoeding (voor een deel) heeft betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 30 januari 2026.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 2 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Vordering Politie Eenheid Rotterdam
Politie Eenheid Rotterdam heeft als benadeelde partij voor feit 2 € 353,27 als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 302,27, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen. De factuur die ter onderbouwing is overgelegd dateert van 2022. Als dit al de factuur is van de vernielde telefoon, had deze niet de nieuwwaarde meer. De vordering is niet ondertekend en een machtiging ontbreekt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat deze niet is onderbouwd. De factuur komt niet overeen met de vordering.
6 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf en maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
7 Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte [een van] de onderstaande voorwaarde[n] niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
-
zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
-
zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek en/of andere problematiek;
-
gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft bij Humane Zorg of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zo spoedig mogelijk. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
-
gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of
heeft met de medeverdachte in deze strafzaak, te weten [medeverdachte] geboren [geboortedatum 2] 1998;
5. zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of
vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
6. meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
7. gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik
en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
-
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
-
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
Vorderingen benadeelde partijen
[benadeelde partij 2]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1), te betalen een bedrag van € 400,-, bestaande uit materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 23 januari 2026 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de staat € 400,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 23 januari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 4 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;
[benadeelde partij 1]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, aan [benadeelde partij 1] (feit 1), te betalen een bedrag van € 260,50, bestaande uit materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 30 januari 2026 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de staat € 260,50 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 30 januari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 2 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft/hebben vergoed;
Politie Eenheid Rotterdam
verklaart de benadeelde partij Politie Eenheid Rotterdam niet-ontvankelijk in de vordering (feit 2).
8 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,
en mrs. J.L. Luiten en L.B. Esser, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Hoebe, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 5 augustus 2026.
Mrs. Esser en Hoebe zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.