ECLI:NL:RBROT:2025:2528

Datum uitspraak
07-03-2025
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
11391295 CV EXPL 24-27807
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Na eisvermindering vordert eiseres alleen nog betaling van de bijkomende kosten en rente. Die vordering wordt toegewezen. Gedaagde heeft pas na dagvaarding een bedrag betaald. Het was zijn verantwoordelijkheid om te zorgen voor tijdige betaling van de factuur. Dat hij contant wilde betalen neemt die verantwoordelijkheid niet weg. Gedaagde heeft nog bij dupliek aangevoerd dat eiseres de overeenkomst niet (volledig) is nagekomen, maar de kantonrechter passeert dit verweer omdat hij dit al bij conclusie van antwoord naar voren had kunnen en moeten brengen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 11391295 CV EXPL 24-27807

datum uitspraak: 7 maart 2025

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

[eiser] , h.o.d.n. [handelsnaam 1] , m.h.o.d.n. [handelsnaam 2],

woonplaats: Capelle aan den IJssel,

eiser,

gemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.,

tegen

[gedaagde] , h.o.d.n. [handelsnaam 3],

woonplaats: Rotterdam,

gedaagde,

die zelf procedeert.

De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

  • de dagvaarding van 18 oktober 2024, met bijlagen;

  • het antwoord, met bijlagen;

  • de repliek en eisvermindering, met bijlagen;

  • de dupliek.

2 De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

2.1.

[eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] voor hem bedrijfsvideo's gemaakt en deze na montage aan hem online geleverd. Omdat [gedaagde] ondanks aanmaningen de factuur hiervoor ter hoogte van € 907,50 niet betaalde, heeft [eiser] een incassobureau ingeschakeld met bijkomende kosten en is hij deze rechtszaak gestart. Die bijkomende kosten bestaan uit incassokosten van € 136,13, de wettelijke rente van € 89,95 en de proceskosten.

2.2.

Na het uitbrengen van de dagvaarding heeft [gedaagde] een bedrag van € 907,50 betaald. [eiser] heeft zijn eis daarom met dit bedrag verminderd en vordert nu nog € 226,08 met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

2.3.

[gedaagde] heeft de hoofdsom inmiddels betaald, maar hij is het niet eens met de bijkomende kosten, omdat volgens hem de late betaling te wijten is aan [eiser] . Verder voert [gedaagde] aan dat [eiser] de overeenkomst niet volledig is nagekomen, omdat de bewerkbare videobestanden niet zijn geleverd.

2.4.

Omdat [gedaagde] pas bij dupliek heeft aangevoerd dat [eiser] de overeenkomst niet (volledig) is nagekomen, zal de kantonrechter dit verweer als zijnde in strijd met de goede procesorde passeren. Van [gedaagde] mocht namelijk worden verwacht dat hij dit al bij conclusie van antwoord naar voren bracht. Het gaat in deze zaak daarom alleen nog over de vraag of [eiser] terecht aanspraak heeft gemaakt op rente en incassokosten. Geoordeeld wordt dat dat het geval is. Hierna wordt uitgelegd waarom.

Incassokosten

2.5.

De gevorderde incassokosten van € 136,13 zijn terecht bij [gedaagde] in rekening gebracht. De kantonechter stelt voorop dat het de verantwoordelijkheid van de afnemer van diensten is en blijft om te zorgen voor de betaling van een factuur. [gedaagde] heeft uitgelegd dat hij de factuur contant wilde betalen en dat [eiser] het geld bij hem kon komen ophalen. Uit de overgelegde stukken blijkt echter niet dat partijen met elkaar hebben afgesproken dat de betaling contant zou gaan plaatsvinden en dat [eiser] het geld zou komen ophalen bij [gedaagde] . Partijen hebben weliswaar geprobeerd om samen tot een compromis te komen, maar dat is uiteindelijk niet gelukt. [eiser] wenste namelijk dat de factuur via een bankoverschrijving werd betaald, zoals ook staat vermeld op de factuur. Op het moment dat [gedaagde] de factuur had ontvangen was hij hiervan dus al op de hoogte. Uit de gevoerde correspondentie volgt bovendien dat [gedaagde] aanvankelijk, ook nadat de betalingstermijn reeds was verstreken, voornemens was om via een bankoverschrijving te betalen. Niet valt in te zien waarom [gedaagde] daarna de betaling contant wilde toen, vooral nu hij de factuur na het uitbrengen van de dagvaarding alsnog via een bankoverschrijving heeft betaald. Nu er niet tijdig is betaald maakt [eiser] terecht aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten.

Wettelijke rente

2.6.

De wettelijke rente komt ook voor rekening van [gedaagde] , omdat hij de factuur niet op tijd heeft betaald en dus in verzuim is geraakt. Hij is daarom op grond van artikel 6:119 BW wettelijke rente verschuldigd over de tijd dat hij met de betaling in verzuim was. [eiser] heeft gesteld dat de wettelijke rente € 89,95 is en [gedaagde] heeft dat niet betwist.

Proceskosten

2.7.

[gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten, omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). Deze kosten zijn namelijk niet ten onrechte gemaakt. [gedaagde] wist ruim voor het starten van de procedure dat hij de factuur nog moest betalen en toch heeft hij deze onbetaald gelaten totdat [eiser] deze procedure is begonnen. Dat hij deze procedure is begonnen kan hem niet worden verweten. De kosten daarvan komen daarom voor rekening van [gedaagde] .

2.8.

De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 116,39 aan dagvaardingskosten, € 218,- aan griffierecht, € 270,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 135,-) en € 67,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 671,89. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.

Uitvoerbaar bij voorraad

2.9.

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 226,08 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 21 december 2024 tot de dag dat volledig is betaald;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 671,89;

3.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.

53954

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »