RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 8481320 CV EXPL 20-12866
uitspraak: 18 december 2020
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats eiser] ,
eiser,
gemachtigde: M. Hennen,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats gedaagde] ,
gedaagde,
die procedeert in persoon.
Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’.
1. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het tussenvonnis van 23 oktober 2020 en de daarin genoemde stukken;
-
de akte van de zijde van [eiser] .
Het vonnis is bepaald op heden.
2. De verdere beoordeling
Naar aanleiding het tussenvonnis van 23 oktober 2020 heeft [eiser] bij akte bevestigd dat de vordering niet tegen [gedaagde] ingesteld had moeten worden en dat de vordering ter verificatie bij de curator ingediend had moeten worden (artikel 26 Fw). Dat betekent dat [eiser] in zijn vordering niet-ontvankelijk is.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten zullen voor [gedaagde] worden vastgesteld op nihil nu hij zich niet heeft laten bijstaan door een gemachtigde.
3. De beslissing
De kantonrechter:
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. van Boven en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
43416