RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/350536 / KG ZA 26-187
Vonnis in kort geding van 16 oktober 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R. Engwegen,
tegen
[de man] ,
Zonder bekende woon- of verblijfplaats,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
niet verschenen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,- de mondelinge behandeling van 2 oktober 2026.
Het vonnis is bepaald op vandaag.
2 Samenvatting
In dit kort geding, waarin de man niet is verschenen, vordert de vrouw dat de man medewerking verleent aan de verkoop en levering van de woning die gelegen is in Almelo. De zaak heeft een internationaal karakter. De Nederlandse voorzieningenrechter heeft rechtsmacht. Op het huwelijksvermogensrecht is in beginsel het Roemeense recht van toepassing. Partijen zijn nog niet gescheiden, maar het huwelijksgoederenregime is wel beëindigd aangezien onbetwist is gesteld dat er een echtscheidingsverzoek is ingediend in Roemenië. Nu de woning is gelegen in Nederland wordt het goederenrechtelijke regime van de woning beheerst door het Nederlandse recht. Van de man kan worden verlangd dat hij medewerking verleent aan de (onderhandse) verkoop en levering van de woning, nu partijen al geruime tijd niet aan hun hypothecaire verplichtingen voldoen en de bank wil overgaan tot executoriale verkoop van de woning.
3 De feiten
Partijen hebben allebei de Roemeense nationaliteit. In september 2009 zijn zij met elkaar gehuwd in Roemenië. Tot 2017 hebben zij in Roemenië gewoond. In 2017 zijn zij naar Nederland verhuisd. In Nederland hebben zij achtereenvolgens in [plaats 1], [plaats 2] en [plaats 3] gewoond.
In oktober 2022 hebben partijen samen een woning aan de [adres] (hierna ook: de woning) gekocht. Partijen hebben daarvoor een hypothecaire lening afgesloten bij ING.
De woning is op last van de gemeente gesloten omdat er in de woning sprake is geweest van een hennepkwekerij. In oktober 2024 zijn partijen vertrokken naar Roemenië, zonder dat de woning is verkocht.
In 2025 hebben partijen besloten te gaan scheiden en is in Roemenië de echtscheidingsprocedure gestart. De (uitgestelde) behandeling van dat verzoek is bepaald in december 2026.
In februari 2025 is de vrouw weer vertrokken naar Nederland. Zij woont op dit moment in [woonplaats].
Partijen voldoen al enige tijd, in ieder geval sinds februari 2025, niet meer aan hun hypothecaire verplichtingen. ING heeft partijen meerdere brieven gestuurd waarin partijen zijn gesommeerd de betalingsachterstand te voldoen. Dat hebben zij niet gedaan. Bij brief van 11 november 2025 heeft ING partijen meegedeeld dat zij de hypothecaire schuld van totaal € 211.127,50 opeist, dat dit bedrag uiterlijk op 1 december 2025 moet zijn betaald en dat als dit niet lukt de woning executoriaal zal worden verkocht. ING heeft nadien meerdere keren contact opgenomen met de vrouw en haar meegedeeld dat een executoriale verkoop nog kan worden afgewend door de woning onderhands te verkopen. Dit traject moet dan wel spoedig worden gestart.
Bij brief van 24 maart 2026 heeft de vrouw de man de bemiddelingsopdracht op het haar destijds bekende adres, zijnde een penitentiaire inrichting in Slovenië, toegezonden met het verzoek deze opdracht tot dienstverlening ondertekend te retourneren. Deze brief is echter retour gekomen met het vakje “unknown” aangekruist.
4 Het geschil
Het gevorderde door de vrouw strekt er, kort gezegd, dat de man wordt veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan de verkoop en levering van de woning, waarbij de door de vrouw aan te wijzen makelaar de vraag- en laatprijs zal bepalen, en dat als de man niet binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis deze medewerking verleent, het vonnis in de plaats treedt van de handtekening van de man ter zake de verkoopopdracht aan de makelaar, de koopovereenkomst en de notariële leveringsakte.
5 De beoordeling
Rechtsmacht
Het geschil heeft internationale aspecten, zodat moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen.
De Herschikte EEX-Vo1 is ingevolge artikel 1 lid 2 sub a niet van toepassing op het huwelijksvermogensrecht. Nu ook geen andere verdragen of verordeningen van toepassing zijn, dient aan de hand van de commune bevoegdheidsregels, neergelegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) beoordeeld te worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de rechtsmacht voortvloeit uit artikel 6 aanhef en sub f Rv.
Betekening
Voor de man geldt dat woonplaats en/of werkelijke verblijfplaats onbekend zijn. Op grond van artikel 54 lid 2 Rv moet het exploot van de dagvaarding in dat geval worden betekend aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij het gerecht waar de zaak moet dienen (in dit geval de rechtbank in Almelo). Ook moet een uittreksel van het exploot van de dagvaarding in de Staatscourant bekend worden gemaakt. Aan deze vereisten is voldaan. Tegen de man zal daarom verstek worden verleend.
Toepasselijk recht
Partijen zijn in 2009 met elkaar gehuwd, waardoor het Haags Huwelijksvermogens-verdrag 1978 (hierna: HHV 1978) op hun huwelijksvermogensregime van toepassing is. Onweersproken heeft de vrouw gesteld dat partijen voor het huwelijk het toepasselijke recht niet hebben aangewezen. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij ten tijde van de huwelijkssluiting alleen de Roemeense nationaliteit gemeenschappelijk hadden. Roemenië is geen partij bij het verdrag en geldt als een zogenoemd ‘nationaliteitsland’. De vrouw heeft verder onweersproken gesteld dat partijen na het sluiten van het huwelijk ook hun eerste gewone verblijfplaats in Roemenië hadden. Gelet hierop is in beginsel het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen, dus het Roemeense recht.2
Het betoog van de vrouw dat partijen door de ondertekening van de (Nederlandse) koopovereenkomst ter zake de woning in 2022 een rechtskeuze hebben gemaakt voor het Nederlandse recht, faalt. Nu deze gestelde uitgebrachte rechtskeuze is gedaan na 29 januari 2019 gelden op grond van artikel 69 lid 3 van de Huwelijksvermogensrecht Verordening3 de bepalingen uit deze Verordening. Artikel 23 lid 2 van deze Verordening bepaalt aan welke vormvoorschriften een rechtskeuze moet voldoen. Nu beide partijen ten tijde van de gestelde uitgebrachte rechtskeuze (in 2022) hun gewone verblijfsplaats in Nederland hadden en in Nederland een huwelijksvermogensrechtelijke rechtskeuze op grond van artikel 1:115 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bij notariële akte moet geschieden, is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter (reeds daarom) geen sprake van een rechtsgeldige rechtskeuze.4 Dat betekent dat het Roemeense huwelijksvermogensrecht dient te worden toegepast.
Hoewel de huwelijksgoederengemeenschap onder het Roemeense recht valt, geldt dat niet voor het goederenrechtelijke regime van de woning. In artikel 2.613 lid 1 van het Roemeense Burgerlijk Wetboek van 2011 (RBW) is (kort gezegd) bepaald dat het goederenrechtelijke regime van (roerende en onroerende) zaken wordt beheerst door de ‘lex rei sitae’, het recht van de plaats van ligging van de zaak. Daaronder valt (onder meer) de eigendomsovergang van de woning in Nederland (vereisten aan overdracht, de wijze waarop rechten overgaan (levering), inschrijving kadaster et cetera). Op die (rechts)handelingen is Nederlands recht van toepassing.
Spoedeisend belang
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van het gevorderde en de daaraan ten grondslag gelegde onweersproken stellingen van de vrouw.
Inhoudelijke beoordeling
Het huwelijksvermogensrecht wordt geregeld in het RBW. Het Roemeense huwelijksvermogensrecht houdt kort gezegd in dat, indien de echtgenoten geen huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan, er een wettelijk regime van gemeenschap van goederen geldt. Dit stelsel kan worden gezien als een beperkte gemeenschap van goederen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen het gemeenschappelijk vermogen en het privévermogen van iedere echtgenoot. Tot het gemeenschappelijk vermogen behoort in beginsel al het staande het huwelijk verkregen vermogen vanaf het moment van verkrijging (artikel 339 RBW).
De vrouw heeft onbetwist gesteld dat dat zij ten tijde van de ondertekening van de koopovereenkomst aan de makelaar hebben verteld dat zij in gemeenschap van goederen zijn gehuwd en nu dit ook als zodanig staat vermeld in de overgelegde door partijen ondertekende koopovereenkomst, moet het er voor worden gehouden dat partijen geen huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan en dat er naar Roemeens recht sprake is van een beperkte gemeenschap van goederen. Nu de woning staande het huwelijk is verkregen behoort de woning tot het gemeenschappelijk vermogen.
Op grond van artikel 385 RBW eindigt het huwelijksvermogensregime op de datum waarop het echtscheidingsverzoek wordt ingediend. In lid 2 staat dat een van de echtgenoten of beide echtgenoten bij echtscheiding met hun toestemming de echtscheidings-rechtbank kunnen verzoeken te verklaren dat het regime van het huwelijksvermogen is opgeheven sinds de datum van de feitelijke scheiding. Gesteld noch gebleken is dat dit is gebeurd, zodat de voorzieningenrechter uitgaat van de situatie als beschreven in lid 1. Dit betekent dat het er voor moet worden gehouden dat het huwelijksvermogensregime van partijen is geëindigd, ondanks dat de echtscheiding nog niet is uitgesproken.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vrouw in deze procedure niet heeft gevorderd om de woning te verdelen. De vrouw vordert dat de man wordt veroordeeld tot medewerking aan de verkoop en levering van de woning. Volgens vaste rechtspraak kan een dergelijke veroordeling ook in kort geding worden uitgesproken.5
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrouw voldoende spoedeisend belang heeft bij de (onderhandse) verkoop van de woning. Uit de overgelegde stukken blijkt immers duidelijk dat er al geruime tijd een achterstand is ontstaan in de hypothecaire (betalings)verplichtingen van partijen en dat ING om die reden wil overgaan tot executoriale verkoop van de woning. Uit de onweersproken stellingen van de vrouw blijkt voldoende dat ING alleen bereid is om een pas op de plaats te maken in afwachting van de uitkomst van dit kort geding. Daarmee en in aanmerking nemend dat, zoals de vrouw ook onweerspoken heeft gesteld, de verkoopopbrengst bij een executoriale verkoop doorgaans lager is dan de verkoopopbrengst bij onderhandse verkoop, heeft de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt dat de uitkomst van een (bodem)procedure in Roemenië en/of in Nederland niet kan worden afgewacht. In dit verband acht de voorzieningenrechter ook van belang dat de vrouw bij eerdergenoemde brief van 24 maart 2026 heeft geprobeerd de man te informeren en hem heeft verzocht de bemiddelingsovereenkomst te ondertekenen, maar deze brief is geretourneerd. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de man op dit moment voor haar onvindbaar is. De man is ook niet in deze procedure verschenen.
Bij deze stand van zaken kan er niet van uit worden gegaan dat de woning in een (bodem)procedure in Roemenië en/of Nederland zal worden toegedeeld aan de man, als wijze van verdeling. Een belangenafweging leidt de voorzieningenrechter ook niet tot een ander oordeel. Op basis van de zich in het dossier bevindende stukken en de onweersproken stellingen van de vrouw komt het haar voor dat een spoedige (onderhandse) verkoop in het belang van zowel de vrouw als de man is.
De voorzieningenrechter is gelet op het vorenoverwogene van oordeel dat van de man kan worden verlangd dat hij (gedwongen) meewerkt aan de verkoop en levering van de woning. De conclusie is dat het gevorderde door de vrouw dat daarop ziet de voorzieningen-rechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Dit geldt ook voor de op artikel 3:300 BW6 gebaseerde vordering. Het gevorderde wordt dan ook toegewezen met dien verstande dat de voorzieningenrechter voor de duidelijkheid de toegewezen vorderingen enigszins zal herformuleren en enkele bepalingen/voorwaarden – als het mindere van het gevorderde – zal opnemen. Ook zal zij een ruimere termijn, namelijk twee weken, hanteren. Voor zover de vordering inhoudt dat als er maar één bod is gedaan, de man ook zonder meer zijn medewerking aan de verkoop en levering van de woning conform dat bod zou moeten verlenen, wordt deze vordering afgewezen, nu dat in feite een soort carte blanche betreft en mogelijk misbruik (van bevoegdheid) in de hand werkt.
Proceskosten
De voorzieningenrechter bepaalt ambtshalve dat iedere partij de eigen proceskosten draagt zoals dit gebruikelijk is in zaken van familierechtelijke aard.
6 De beslissing
De voorzieningenrechter
verleent verstek tegen de man;
veroordeelt de man om binnen twee weken na betekening van dit vonnis alle medewerking te verlenen aan de onderhandse verkoop van de woning aan de [adres] (hierna ook: de woning), via een door de kopende partij(en) aan te wijzen notaris, waarbij een door de vrouw aangewezen NVM-, VBO- of Vastgoed Pro-makelaar (hierna: de makelaar) de verkoop van de woning ter hand zal nemen;
bepaalt dat de vraagprijs, laatprijs, verkoopstrategie en eventuele prijsaanpassingen zullen worden vastgesteld door de makelaar;
veroordeelt de man om alle medewerking te verlenen aan het verkooptraject, waaronder in ieder geval wordt verstaan:
-
het ondertekenen van de verkoopoverdracht (de bemiddelingsovereenkomst);
-
het ondertekenen van een koopovereenkomst met (een) derde(n), mits tegen marktconforme condities, naar beoordeling van de makelaar;
-
het ondertekenen van alle notariële stukken die nodig zijn voor levering;
bepaalt dat indien de man weigert of nalaat binnen twee weken na een daartoe strekkend (eerste) verzoek van de makelaar respectievelijk de notaris (waarbij indien er sprake is van een onbekende woon- of verblijfplaats een daartoe strekkend verzoek in de Staatscourant moet worden gepubliceerd) zijn (volledige) medewerking te verlenen aan:
-
het ondertekenen van de verkoopoverdracht (de bemiddelingsovereenkomst);
-
het ondertekenen van een koopovereenkomst met (een) derde(n), mits tegen marktconforme condities, naar beoordeling van de makelaar;
-
het ondertekenen van alle notariële stukken die nodig zijn voor levering;
dit vonnis op grond van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man die nodig is voor het op advies van de makelaar accepteren van een bod op de woning, de verkoop-overeenkomst en de notariële leveringsakte, mits die verkoopovereenkomst en/of notariële akte geen bepalingen inhoudt/inhouden die afwijken van wat in de gegeven omstandigheden gebruikelijk is, zulks ter beoordeling van de betreffende makelaar en/of de notaris ten overstaan van wie de betreffende akte gepasseerd wordt;
verklaart de dictumonderdelen 6.2. tot en met 6.5 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026.