RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3403
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats],
hierna: [eiser]
(gemachtigde: mr. J.J. Douwes),
en
de minister van Justitie en Veiligheid,
hierna: de minister
(gemachtigde: mr. I.M. Touwen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit. [eiser] is het met de intrekking niet eens. Hij vindt dat de minister ten onrechte heeft besloten dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer aan hem kan worden toevertrouwd. De rechtbank behandelt de intrekking aan de hand van de beroepsgronden van [eiser].
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister in administratief beroep bij de intrekking van de omgevingsvergunning kon blijven. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 14 oktober 2025 op het administratief beroep van [eiser] heeft de minister de intrekking van de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit door de korpschef van politie in stand gelaten.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] met zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 29 februari 2024 is aan [eiser] een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit1 (hierna: jachtakte) afgegeven voor de periode van 1 april 2024 tot en met 31 maart 2025.
De korpschef heeft op 6 januari 2025 een voornemen tot het intrekken van de jachtakte verstuurd. Op 8 december 2024 is namelijk bij de politie een melding over [eiser] binnengekomen waarin stond vermeld dat hij onder invloed van alcohol verkeerde. Verbalisanten van de politie hebben [eiser] die dag thuis dronken aangetroffen. Verbalisanten hebben van zijn partner vernomen dat hij haar had uitgescholden en vernederd en ook tegen zijn kinderen tekeer is gegaan.
Op 9 februari 2025 heeft [eiser] een zienswijze ingediend. Op 31 maart 2025 heeft de korpschef van politie de jachtakte van [eiser] ingetrokken omdat er sprake is van vrees voor misbruik. Met de beslissing van 14 oktober 2025 op het administratief beroep heeft de minister de intrekking van de jachtakte in stand gelaten.
Toetsingskader
4. De korpschef van politie trekt de jachtakte in als de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of als er andere aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd.2 Wanneer sprake is van ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ in die zin is verder uitgewerkt in artikel 1.2 van het Bijzonder deel (B) van de Circulaire wapens en munitie 2019 (hierna: Cwm). Volgens de Cwm zijn “het niet langer kunnen toevertrouwen” en “vrees voor misbruik” twee verschillende omschrijvingen voor dezelfde situatie.
Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bevindt degene aan wie een jachtakte is verleend zich in een uitzonderingspositie ten opzichte van andere burgers, voor wie het algemene verbod op het voorhanden hebben en dragen van wapens en munitie geldt. Deze uitzonderingspositie brengt mee dat in de houder van een jachtakte het vertrouwen moet kunnen worden gesteld dat hij zich strikt aan de toepasselijke regels zal houden en zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van het beschikken over een jachtakte is voldoende reden om een jachtakte in te trekken of te weigeren, mits deze twijfel objectief toetsbaar is.3
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Waarover gaat het geschil?
5. [eiser] betoogt dat er geen aanwijzingen zijn dat het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer aan hem kan worden toevertrouwd. Volgens hem heeft hij geen drankprobleem en drinkt hij hoogstens enkele biertjes nadat hij heeft gesport. Ook is geen sprake van huiselijk geweld. Het incident dat op 8 december 2024 is voorgevallen is door de politie overschat en de weergave die in het mutatierapport is opgenomen klopt niet. Er zou volgens hem geen enkel moment een situatie zijn geweest van bedreiging of gevaar daarvoor. Hij zou zijn partner niet hebben uitgescholden of vernederd en ook zou hij niet tegen zijn kinderen uitgevallen of bedreigend zijn geweest. Het mutatierapport klopt verder niet omdat hij die bewuste dag niet naar bed is gebracht door een agent. Zijn partner is teruggekomen van haar verklaring dat [eiser] al 16 jaar lang een drankprobleem heeft en hij een paar keer per maand stomdronken is. Zij verklaart achteraf dat zij de politie op 8 december 2024 om verkeerde redenen heeft gebeld, waarvan zij nu spijt heeft. Haar schriftelijke verklaring en de afhandeling van de melding die bij Veilig Thuis Twente (VTT) na het incident is binnengekomen, heeft [eiser] bij zijn zienswijze en in administratief beroep overgelegd. [eiser] heeft verder erkend dat er mogelijk op 29 juni 2023 een woordenwisseling tussen hem en zijn partner heeft plaatsgevonden, maar dat dit niet veel betekende en zij zeker niet regelmatig ruzie hebben. Verder stelt [eiser] dat hij en zijn partner luider tegen elkaar praten vanwege de doofheid aan zijn oor en dat de melder een verkeerde interpretatie heeft gegeven aan het stemgeluid dat hij of zij heeft gehoord.
Volgens de minister zijn er aanwijzingen dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer aan [eiser] kan worden toevertrouwd, omdat er sprake is van meldingen over alcoholmisbruik en huiselijk geweld. De minister baseert zich daarvoor op het mutatierapport (met kenmerknummer: PL0600-2024575786-1) waaruit volgens hem is gebleken dat [eiser] op 8 december 2024 stomdronken thuis aan de keukentafel heeft gezeten en door het overmatig alcoholgebruik de verbalisanten geen fatsoenlijk gesprek met hem konden voeren. Ook zou zijn partner aan de verbalisanten hebben verteld dat [eiser] haar had uitgescholden en vernederd en ook tegen zijn kinderen tekeer is gegaan, waaruit kan worden afgeleid dat er problemen zijn in de relationele sfeer. Verder stelt de minister dat [eiser] zich ervan bewust was dat zijn toestand gevolgen kon hebben voor zijn jachtakte omdat hij meerdere keren tegen zijn partner heeft gezegd: ‘wat heb je nu gedaan door de politie te bellen, hierdoor raak ik straks nog alles kwijt voor de jacht’. Daarnaast betrekt de minister dat in juni 2023 een melding is geregistreerd over huiselijk geweld bestaande uit ruzies waarbij door [eiser] en zijn partner wordt geschreeuwd. Ook ziet de minister bevestiging van alcoholmisbruik in de omstandigheid dat [eiser] in 2005 een boete heeft gekregen voor rijden onder invloed.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Heeft de minister kunnen concluderen dat sprake is van vrees voor misbruik?
6. Of sprake is van vrees voor misbruik kan volgens paragraaf B1/1.2. van de Cwm onder meer worden aangenomen op basis van veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken of andere omtrent de aanvrager (of houder) bekende feiten. Onder dit laatste valt ook de psychische gesteldheid van de houder, wat de minister in het geval van [eiser] aan zijn beslissing ten grondslag legt.
Over de psychische gesteldheid staat in de Cwm – voor zover hier van belang – dat het in beginsel niet verantwoord is om aan iemand die – door oorzaken van zowel interne, als externe aard – onder sterke psychische druk staat, wat tot uitdrukking komt in een onvoorspelbaar gedragspatroon of (bijvoorbeeld) alcohol- en drugsmisbruik en waarbij de indruk bestaat dat de vergunninghouder zichzelf niet in de hand heeft, het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie toe te vertrouwen. Als risicofactor ten aanzien van de psychische gesteldheid van houders wordt onder meer genoemd: stressvolle omstandigheden door problemen in relationele sfeer.
[eiser] stelt in beroep dat het mutatierapport inhoudelijk op verschillende onderdelen niet klopt.
Het is vaste rechtspraak dat de minister in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de op ambtseed of -belofte opgemaakte processen-verbaal tenzij tegenbewijs ertoe noopt om van dit uitgangspunt af te wijken.4 Mutatierapporten zijn geen op ambtseed of -belofte opgemaakte processen-verbaal. Toch mag een bestuursorgaan in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een mutatierapport. Wel kan de bewijskracht daarvan door gemotiveerde betwisting worden aangetast.5
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] niet heeft aangetoond of aannemelijk heeft gemaakt dat de inhoud van het mutatierapport onjuist is. Hij heeft dit niet daadwerkelijk weerlegd met tegenbewijs. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat uit het mutatierapport het beeld naar voren komt dat [eiser], als gevolg van alcoholmisbruik, zichzelf niet in de hand heeft gehad gelet op het gedrag naar zijn vrouw en kinderen. De rechtbank ziet hiervoor steun in de schriftelijke verklaring van zijn partner waarin wordt beschreven dat zij op 8 december 2024 in een verhitte discussie zijn gekomen en [eiser] zich zodanig (verbaal) heeft gedragen dat zijn partner uit een daad van wanhoop en ter voorkoming van verdere escalatie de politie heeft gebeld. Naar het oordeel van de rechtbank geeft dit samenstel van feiten, dat in zoverre ook niet door [eiser] worden ontkend, geen aanleiding om het beeld dat in het mutatierapport is geschetst in twijfel te trekken.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich naar aanleiding van de informatie in het mutatierapport op het standpunt mocht stellen dat sprake is van twijfel om aan [eiser] het voorhanden hebben van wapens en munitie langer toe te vertrouwen. De minister heeft bij zijn beoordeling mogen betrekken dat bij de politie op 29 juni 2023 een melding is gedaan van huiselijk geweld op het adres van [eiser] in de vorm van schreeuwen en dat [eiser] in 2005 een boete heeft gekregen voor rijden onder invloed. De rechtbank is van oordeel dat de minister op basis van deze informatie kon aannemen dat sprake is van een structurele mate van stressvolle omstandigheden waarin [eiser] verkeert. Op basis van de psychische gesteldheid van [eiser] heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat er ten tijde van het bestreden besluit sprake was van vrees voor misbruik, omdat het voorhanden hebben van wapens (of munitie) [eiser] niet kon worden toevertrouwd.
Op de ochtend van de zitting heeft de gemachtigde van [eiser] aan de rechtbank een rapport van een medisch-psychiatrisch onderzoek van 16 januari 2026 (hierna: het onderzoek) toegestuurd. De minister heeft op de zitting voor het eerst kennis kunnen nemen van dit document. In het onderzoek wordt – voor zover hier van belang – geconcludeerd dat er bij [eiser] geen aanwijzingen zijn voor alcoholmisbruik, alcoholafhankelijkheid of problematisch alcoholgebruik en ook geen sprake is van een psychiatrische stoornis in engere of brede zin. De rechtbank overweegt echter dat met dit onderzoek niet wordt weersproken dat [eiser] op 8 december 2024 onder invloed verkeerde van alcohol. Dat er in het algemeen geen aanwijzingen zijn voor alcoholmisbruik, alcoholafhankelijkheid of problematisch alcoholgebruik bij [eiser], betekent niet dat de minister zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat [eiser] op voornoemde datum en ten tijde van het bestreden besluit onder dusdanig psychische druk verkeerde dat hij zichzelf niet in de hand had en hem daarom het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie niet kan worden toevertrouwd. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
[eiser] stelt dat de intrekking zonder waarschuwing niet proportioneel is. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Uit de Cwm volgt dat ‘lichtere onregelmatigheden’ met een waarschuwing kunnen worden afgedaan en niet direct leiden tot intrekking van de jachtakte. Naar het oordeel van de rechtbank kan de reden voor het intrekken van de jachtakte van [eiser] niet worden aangemerkt als een lichte onregelmatigheid zoals bedoeld in de Cwm. De rechtbank merkt daarbij op dat [eiser] verder geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit blijkt welk belang hij heeft bij het behouden van de jachtakte en waarom deze beslissing in dit geval onevenredige gevolgen heeft. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
Psychiatrisch onderzoek en horen getuigen
7. [eiser] voert in beroep aan dat hij eerst door de minister onderzocht moest worden naar zijn psychische gesteldheid en zijn alcoholgebruik, voordat de minister kon overgaan tot het intrekken van zijn jachtakte. Verder heeft hij aangegeven getuigen en deskundigen te willen horen die zijn in beroep ingenomen stellingen kunnen bevestigen.
De rechtbank volgt de minister in zijn betoog dat [eiser] zelf een psychiatrisch onderzoek kan laten uitvoeren om zijn stellingen te onderbouwen. Zoals onder punt 6.6 overwogen heeft [eiser] dit onderzoek ook laten uitvoeren maar is dit stuk pas op de dag van de zitting aan de rechtbank toegestuurd. Voor het oordeel dat de minister zelf een psychiatrisch onderzoek moest laten uitvoeren bestaat geen aanleiding. De informatie waarop de minister zijn besluit heeft gebaseerd is afdoende om dat besluit te kunnen dragen. Het betoog slaagt niet.
De rechtbank stelt vast dat [eiser] geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om zelf getuigen op te roepen of mee te nemen naar de zitting zoals volgt uit artikel 8:60, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de huisarts van [eiser] of andere, niet nader door [eiser] genoemde, getuigen op te roepen of een deskundige te benoemen. De rechtbank acht het oproepen van getuigen niet noodzakelijk voor de vaststelling van de relevante en in geschil zijnde feiten. Alle op 8 december 2024 aanwezige personen hebben een beschrijving gegeven van hetgeen op die dag is voorgevallen. Omdat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd welke voor deze procedure van belang zijnde feiten de huisarts zou kunnen bevestigen, ziet de rechtbank ook geen aanleiding om tot het horen van hem over te gaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. van Heijningen, griffier, en uitgesproken in het openbaar op
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Omgevingswet
Artikel 5.1. (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: [.]
f. een jachtgeweeractiviteit, [.]
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. [.]
Artikel 5.39. (verplichting tot wijziging voorschriften omgevingsvergunning en intrekking omgevingsvergunning)
Het bevoegd gezag wijzigt de voorschriften van een omgevingsvergunning of trekt een omgevingsvergunning in:
-
in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald,
-
voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.3 of 5.4: in gevallen of op gronden die in de waterschapsverordening respectievelijk de omgevingsverordening zijn bepaald.
Artikel 5.42. (invulling algemene maatregel van bestuur artikelen 5.39 en 5.40)
[.]
3. Als geval als bedoeld in artikel 5.39, onder a, waarin het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit intrekt, wordt in ieder geval aangewezen het geval waarin de vergunninghouder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid die voorhanden te hebben, of waarin er andere aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Artikel 8.104. (specifieke gronden intrekking omgevingsvergunning voor jachtgeweeractiviteiten en valkeniersactiviteiten)
1. Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit trekt die omgevingsvergunning in ieder geval in, als:
[.]
c. de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of als er andere aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd;
Circulaire Wapens en Munitie 2019, Bijzonder deel (B)
1. Geen vrees voor misbruik
Algemeen
Artikel 7, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (WWM), stelt dat de in de WWM genoemde vergunningen (erkenningen, consenten, verloven en ontheffingen), onverminderd de bijzondere gronden tot weigering daarvan, worden geweigerd indien (onder meer) er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd of er reden is om te vrezen dat daarvan dan wel van wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt.
Het tweede lid van artikel 7 stelt dat de in de WWM genoemde vergunningen, onverminderd de bijzondere gronden tot wijziging of intrekking daarvan, door het bestuursorgaan of de Minister van Justitie en Veiligheid kunnen worden gewijzigd of ingetrokken indien (onder meer) er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd of in geval van misbruik daarvan dan wel van wapens of munitie.
Voor verloven tot het voorhanden hebben van wapens en munitie van categorie III bepaalt artikel 28, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWM, dat een verlof slechts wordt verleend indien de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen. Omdat het begrip ‘vrees voor misbruik’ reeds een ruime uitleg kent worden die gevallen waarin iemand anderszins een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen, niet in dit hoofdstuk nader uitgewerkt.
‘Vrees voor misbruik’ en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ zijn twee verschillende omschrijvingen voor in feite dezelfde situatie. Hetgeen hierna wordt opgemerkt met betrekking tot de invulling van het ‘vrees voor misbruik-criterium’ kan daarom analoog worden toegepast indien het de intrekking of weigering van een vergunning betreft om reden dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet (langer) kan worden toevertrouwd.
Invulling van het ‘vrees voor misbruik’
Wapens en munitie vormen een potentieel ernstige bedreiging voor de veiligheid in de samenleving indien zij in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben. Derhalve wordt er een restrictief beleid gevoerd waar het de toepassing van het criterium ‘geen vrees voor misbruik’ betreft.
Degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie komt in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt met zich mee dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde.
Het weigeren dan wel intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van het eerdergenoemde maatschappelijke belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken (of gemaakte) uitzondering – ook naar de vaste jurisprudentie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State – voldoende reden om een verlof niet te verlenen respectievelijk in te trekken. Het spreekt voor zich dat die twijfel gebaseerd moet zijn op een objectief toetsbare motivering (zie hierna).
Voor de beoordeling van de vraag of in een bepaald geval vrees voor misbruik bestaat worden in dit onderdeel een aantal concrete criteria gegeven. De korpschef zal aan de hand van deze criteria in elk geval afzonderlijk moeten bezien of er sprake is van ‘vrees voor misbruik’.
Bij het onderzoek in verband met de vraag of er vrees voor misbruik bestaat kan gebruik worden gemaakt van informatie afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere, politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit verschillende bronnen.
Bij dergelijk onderzoek kan blijken van:
-
a.veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;
-
b.andere omtrent de aanvrager bekende feiten.
[.]
Ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten) Algemeen
Vrees voor misbruik kan ook worden aangenomen op basis van andere, niet uit veroordelingen of transacties gebleken, omtrent betrokkene bekende feiten.
In zijn algemeenheid geldt dat tegen een aanvrager (houder) bestaande bezwaren, voor zover daarvan niet reeds blijkt uit veroordelingen of opgemaakte processen-verbaal, alsnog in een rapport dienen te worden vastgelegd.
[.]
Psychische gesteldheid
In beginsel is het niet verantwoord om aan iemand die – door oorzaken van zowel interne, als externe aard – onder sterke psychische druk staat, wat tot uitdrukking komt in een onvoorspelbaar gedragspatroon of (bijvoorbeeld) alcohol- en drugsmisbruik en waarbij de indruk bestaat dat de vergunninghouder zichzelf niet in de hand heeft, het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie toe te vertrouwen. In het bezit van een vuurwapen zou de vergunninghouder een gevaar zijn voor zichzelf en voor de openbare orde en veiligheid. Indien de aanvrager of vergunninghouder – in tegenstelling tot de korpschef – van mening is dat het voorhanden hebben van wapens en munitie wel aan hem kan worden toevertrouwd dan dient hij dit aan te tonen middels een schriftelijke verklaring van een arts/psychiater. Uit deze verklaring moet duidelijk blijken dat de arts/psychiater bekend is met de problemen van betrokkene en dat deze niet (langer) een belemmering vormen om aan betrokkene een vergunning te verlenen voor het voorhanden hebben van (vuur)wapens. Een dergelijke verklaring wordt dan in de beoordeling betrokken, maar daaraan hoeft niet altijd doorslaggevende betekenis te worden toegekend. Dat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zo mag van iemand die recent nog onder behandeling was in verband met zijn psychische gesteldheid, worden verwacht dat hij over een langere periode aantoont dat zijn psychische gesteldheid niet meer aan het bezit van wapens en munitie in de weg staat.
Risicofactoren betreffende de psychische gesteldheid van aanvragers of houders van een wapenverlof met het oog op potentieel misbruik van een (legaal) vuurwapen zijn:
•Klinische factoren (psychische stoornis, verslaving, gedwongen opname, forensische zorg en suïcidale gedachten);
•Stressvolle omstandigheden (problemen in relationele sfeer, problemen in de arbeidssfeer of opleiding, gebrekkig sociaal steunsysteem en stressvolle levensomstandigheden);
•Specifieke kenmerken van de aanvrager (agressie, crimineel gedrag, impulsiviteit en zelfregulatie, zelfstandige handelingsbekwaamheid, fascinatie voor geweld, extreme uitingen en/of uitingen van radicalisering).
Deze risicofactoren worden in het aanvraagproces in ieder geval meegewogen. Daarbij gaat het niet zozeer om de klinische kant van de psychische aandoening, maar veel meer om het risico dat de aandoening inhoudt voor risicovol gedrag.