RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/3411
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2026
in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. W.J. Liebrand),
en
de minister van Justitie en Veiligheid, de minister
(gemachtigde: mr. M.H. Kazem).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van het wapenverlof en de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit van eiser. Eiser is het hier niet mee eens en voert hiertoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking van het wapenverlof en de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser gegrond is omdat de minister niet alle relevante kennis heeft vergaard over de relevante feiten en omstandigheden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 6 maart 2025 heeft de korpschef van politie (de korpschef) het wapenverlof en de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit van eiser ingetrokken (het primaire besluit).
Met de beslissing van 23 juni 2025 op het administratief beroep is de minister bij de intrekking van de omgevingsvergunning en het wapenverlof gebleven (het bestreden besluit).
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser heeft op 7 maart 2024 een verlof verkregen op grond van de Wet wapens en munitie (Wwm) voor een enkelloops kogelgeweer voor het doden van losgebroken en/of gewond vee/wild (het wapenverlof).1 Dit wapenverlof was geldig tot en met 31 maart 2025. Daarnaast heeft eiser op 7 maart 2024 een omgevingsvergunning verkregen voor een jachtgeweeractiviteit (de omgevingsvergunning).2 Deze omgevingsvergunning was ook geldig tot en met 31 maart 2025.
Op 13 oktober 2024 kregen agenten een melding dat er in Winterswijk een ree was aangereden. Eiser is in zijn hoedanigheid als valwildafhandelaar3 opgeroepen om naar de locatie van de aanrijding toe te komen. Toen eiser ter plekke kwam heeft hij geconstateerd dat het ree ernstig gewond was en dat het ree uit zijn lijden verlost moest worden. Vervolgens heeft eiser zijn geweer uit zijn auto gehaald. Daarna heeft eiser ervoor gekozen, in samenspraak met de aanwezige agenten, om het ree vast te binden aan een klein hekwerk. Vervolgens is eiser, nadat het ree weer was losgelaten door de agenten, met een voet op het ree gaan staan. Tot slot heeft eiser het reetje afgeschoten met het geweer (hierna samengevat als: het incident).
De korpschef heeft op 15 januari 2025 eiser in kennis gesteld dat hij voornemens is tot het intrekken van het wapenverlof en de omgevingsvergunning. De korpschef stelt zich op het standpunt, zo blijkt uit dit voornemen, dat eiser tijdens het incident op 13 oktober 2024 heeft nagelaten te doen wat een goed jager betaamt bij de uitoefening van de jacht. Eiser heeft volgens de korpschef twee agenten niet voldoende afstand en dekking laten nemen voordat hij het schot plaatste om het ree uit zijn lijden te verlossen. Eiser heeft hierop zijn schriftelijke zienswijze kenbaar gemaakt met de brief van 16 januari 2025.
Met het besluit van 6 maart 2025 heeft de korpschef het verlof en de omgevingsvergunning ingetrokken, omdat er volgens de korpschef sprake is van vrees voor misbruik en dat het voorhanden hebben van wapens en munitie niet aan eiser kan worden toevertrouwd.4
Eiser heeft administratief beroep ingesteld tegen het besluit van de korpschef. Met de beslissing van 23 juni 2025 op het administratief beroep is de minister bij de intrekking van de omgevingsvergunning en het valwildverlof gebleven.
Heeft de minister een onjuiste intrekkingsgrond ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit?
4. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat sprake was van ‘de uitoefening van de jacht’ en daarom een onjuiste grondslag tot intrekking van de omgevingsvergunning aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd en dat daarom het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Eiser voert aan dat de afhandeling van een valwildmelding, na oproep daartoe, van een geheel andere orde is dan de uitoefening van de jacht.
De minister stelt zich op het standpunt dat eisers betoog dat de gedraging in dit geval is begaan tijdens de afhandeling van een valwildmelding in het bestreden besluit geen verandering brengt. De minister voert aan dat in het bestreden besluit ook expliciet is vastgesteld dat er grond voor vrees voor misbruik is en dat aan eiser het voorhanden hebben van wapens en munitie niet kan worden toevertrouwd. Op deze vaststelling is de intrekking van het wapenverlof van eiser gebaseerd. Dit criterium is ook een (dwingende) intrekkingsgrond voor een omgevingsvergunning. Verder stelt de minister dat het criterium ‘nalatig zijn te doen wat een goed jager betaamt bij de uitoefening van de jacht’ ook gebaseerd kan worden op feiten en omstandigheden die niet hebben plaatsgevonden tijdens de uitoefening van de jacht.
In het bestreden besluit is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
“ Wettelijk kader
Ten aanzien van de omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit
Ingevolge artikel 8.104, eerste lid, onder c, van het Bkl, wordt een jachtakte ingetrokken indien de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid om wapens en munitie voorhanden te hebben, of als er andere aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Daarnaast bepaald artikel 8.104, derde lid, sub b en c van het Bkl dat een jachtakte kan worden ingetrokken indien de houder nalatig is te doen wat een goed jager betaamt bij de uitoefening van de jacht, of indien er grond is aan te nemen dat de houder van zijn bevoegdheden in het kader van beheren en populaties van in het wild levende dieren en het bestrijden van schadeveroorzakende dieren misbruik heeft gemaakt. Vorenstaande is uitgewerkt in beleidsregels, vastgelegd in de Circulaire wapens en munitie 2019 (hierna: Cwm 2019).
(…)
Blijkens artikel 8.104, derde lid, onder b en c van het Bkl kan een jachtakte worden ingetrokken worden indien de houder nalatig is te doen wat een goed jager betaamt bij de uitoefening van de jacht. Derhalve ben ik van oordeel dat de korpschef in diens beslissing een passende en noodzakelijke beslissing heeft genomen om uw jachtakte- en wapenverlof in te trekken.
(…)
Alles overwegende ben ik van oordeel dat de korpschef terecht heeft geconcludeerd dat, ten opzichte van uw jachtakte, u misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of dat er andere aanwijzingen zijn dat aan u het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd.”
Artikel 8.104 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) luidt, voor zover relevant:
“1. Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit trekt die omgevingsvergunning in ieder geval in, als:
(…)
c. de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of als er andere aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd;
(…)
3. Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit of een valkeniersactiviteit kan die omgevingsvergunning intrekken, als:
(…)
b. de houder nalatig is te doen wat een goed jager betaamt bij de uitoefening van de jacht; of
c. er grond is om aan te nemen dat de houder van zijn bevoegdheden in het kader van beheren van populaties van in het wild levende dieren en het bestrijden van schadeveroorzakende dieren misbruik maakt.”
De rechtbank stelt voorop dat in het bestreden besluit, naast het criterium uit artikel 8.104, derde lid, aanhef en onder b, van het Bkl, twee andere criteria ten grondslag zijn gelegd aan het intrekken van de omgevingsvergunning. Dit betreft achtereenvolgens de grondslag uit artikel 8.104, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bkl en de grondslag uit artikel 8.104, derde lid, aanhef en onder c, van het Bkl.
De rechtbank oordeelt dat, anders dan eiser stelt, de minister dus niet alleen het criterium uit artikel 8.104, derde lid, aanhef en onder b, van het Bkl ten grondslag heeft gelegd aan het intrekken van de omgevingsvergunning. De intrekking van de omgevingsvergunning is namelijk ook gebaseerd op de criteria uit artikel 8.104, eerste lid, aanhef en onder a en het derde lid, aanhef en onder c, van het Bkl. Nog daargelaten of de door eiser benoemde intrekkingsgrond correct is, geldt dat meerdere intrekkingsgrondslagen aan het besluit tot intrekking ten grondslag liggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Proces-verbaal en aanvullend proces-verbaal
5. Eiser betoogt dat de minister niet mocht uitgaan van de inhoud van het proces-verbaal en het aanvullend proces-verbaal. Eiser stelt dat de processen-verbaal in onderhavige procedure buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat zij inhoudelijk tegenstrijdig zijn. Volgens eiser is in het proces-verbaal en het aanvullend proces-verbaal ten onrechte opgenomen dat eiser de agenten niet zou hebben gewaarschuwd, terwijl eiser wel drie keer heeft gewaarschuwd of heeft aangegeven wat er zou gebeuren, namelijk de afschot van het ree. Eiser voert daarnaast aan dat hij op een andere plek stond dan opgenomen in de processen-verbaal. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft eiser een reconstructie ingebracht. Tot slot stelt eiser dat de processen-verbaal onnodig subjectief zijn.
De minister stelt zich op het standpunt dat hij terecht is uitgegaan van de inhoud van de processen-verbaal. De minister voert hiertoe aan dat hij in dat wat dat eiser naar voren heeft gebracht geen reden ziet om te twijfelen aan de inhoud van de processen-verbaal. Hiertoe acht de minister van belang dat de agenten in zowel het proces-verbaal van 17 oktober 2024 als het proces-verbaal van 6 februari 2025 hebben benadrukt dat eiser geen waarschuwing heeft gegeven. Eiser heeft daarentegen enkel gesteld dat hij tot driemaal toe heeft gewaarschuwd, maar heeft deze stelling niet onderbouwd. Dat er in het proces-verbaal over een ‘jachtgeweer’ en een ‘jachtopziener’ wordt gesproken heeft ook niet tot gevolg dat aan de juistheid van het proces-verbaal moet worden getwijfeld, aldus de minister. Deze tekstuele onvolkomenheden veranderen volgens de minister niets aan de vaststelling van de verweten gedraging zelf. De agenten hebben namelijk altijd consistent over eisers gedraging verklaard, aldus de minister. Verder zijn de reconstructie en de verklaring onvoldoende om niet van het proces-verbaal van bevindingen uit te mogen gaan volgens de minister. De reconstructie en de betreffende verklaring zijn namelijk gebaseerd op verzoek van en gebaseerd op informatie van eiser. De stellingen van eiser over de gehoorschade en de mogelijke oorzaken hiervan bij de agenten volgt de minister eveneens niet. Zo is bij beide agenten gediagnosticeerde tinnitus vastgesteld en blijkt nergens uit dat deze specifieke agenten zonder gehoorbescherming met hun dienstwapen hebben geschoten of op een schietbaan hebben geoefend die niet aan de veiligheidseisen voldeed.
De rechtbank stelt voorop dat het vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is dat een bestuursorgaan, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover die bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Als die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van de betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.5
De rechtbank moet beoordelen of er vanwege eisers betwistingen grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat de bevindingen niet of volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
De rechtbank stelt vast dat er van het incident tweemaal een proces-verbaal van bevindingen is opgesteld waarin de verklaringen zijn opgenomen van twee dienstdoende agenten die ten tijde van het incident ter plaatse waren. Het eerste proces-verbaal dateert van 17 oktober 2024 (het eerste proces-verbaal). Het tweede en aanvullende proces-verbaal dateert van 6 februari 2025 (het aanvullende proces-verbaal).
De rechtbank is van oordeel dat wat eiser aanvoert onvoldoende is voor zodanige twijfel aan de juistheid van de bevindingen die in het proces-verbaal zijn neergelegd dat daarvan niet mag worden uitgegaan. De processen-verbalen, in het bijzonder het aanvullende proces-verbaal, bevatten weliswaar subjectieve elementen die, zoals eiser terecht aanvoert, niet thuishoren in processen-verbalen, maar deze subjectieve elementen leiden in dit geval niet tot het oordeel dat deze processen-verbalen niet gebruikt kunnen worden voor de vaststelling van de feiten. Omdat deze subjectieve elementen, zoals de verwijten door de agenten aan het adres van eiser, niets afdoen aan de beschrijving van de feiten die zich volgens de agenten hebben voorgedaan tijdens het incident. genoemde feitelijke omstandigheden. Dat eiser stelt dat hij wel heeft gewaarschuwd en dat hij op een andere plek stond dan in de processen-verbaal staat beschreven is ook onvoldoende voor twijfel aan de juistheid van de processen-verbaal. Dat geldt ook voor eisers reconstructie. Die is, zo stelt de korpschef terecht, namelijk uitgevoerd op eisers verzoek en op basis van zijn verklaringen. Ook de door eiser genoemde tegenstrijdigheden veranderen het oordeel niet omdat het gaat om tekstuele onzorgvuldigheden en die onzorgvuldigheden niet gaan over de verweten gedraging: het gesteld onveilig en onzorgvuldig omgaan met het wapen. Dit betekent dat de minister de processen-verbaal aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister kunnen concluderen dat sprake is van vrees voor misbruik en dat sprake is van (geringe twijfel) of aan hem een wapen en munitie kan worden toevertrouwd?
6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat sprake is van vrees voor misbruik en sprake is van (geringe twijfel) dat aan eiser een wapen en munitie kan worden toevertrouwd. Eiser stelt dat hij de (wapen)wettelijke voorschriften stipt heeft nageleefd tijdens het incident en dat daarom geen sprake is van een (ernstige) aantasting van de rechtsorde. Het incident heeft hij conform de werkwijze van Stichting Wildaanrijdingen Nederland (SWN) op een veilige wijze afgehandeld. Verder stelt eiser dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de verantwoordelijkheid die de agenten zelf hadden tijdens het incident. Ook stelt eiser dat het enkele verwijt dat hij de agenten onvoldoende afstand en dekking heeft laten nemen ten tijde van het schot geen verwijtbaar handelen kan opleveren waardoor sprake is van vrees voor misbruik. Tot slot stelt eiser dat de minister geen rekening heeft gehouden met de door eiser aangevoerde feiten over zijn persoon en de wijze waarop een valwildmelding wordt afgehandeld in de praktijk.
De minister stelt zich op het standpunt dat hij terecht heeft geconcludeerd dat sprake is van vrees voor misbruik en van twijfel dat aan eiser wapens en munitie kunnen worden toevertrouwd. De minister stelt dat de stelling van eiser dat hij veilig en overeenkomstig de werkwijze van SWN heeft gehandeld geen verandering brengt in zijn besluit. Daarbij merkt de minister op dat in het SWN-protocol (waarin de werkwijze is neergelegd) uitdrukkelijk is bepaald dat altijd gelegenheid moet worden gegeven aan aanwezige personen om de plaats van het incident te verlaten, alvorens het dier uit zijn lijden wordt verlost. Verder stelt de minister dat de agenten op geen enkele wijze invloed hadden op het moment of de uitvoering van deze handeling. Ook stelt de minister dat het niet voldoende afstand en dekking laten nemen een verwijtbaar handelen kan opleveren als bedoeld in artikel 5.42, derde lid, van de Ow in samenhang met 5.39 aanhef en onder a Ow in samenhang met artikel 8.104, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bkl. Het gaat namelijk om algemene veiligheidsvoorschriften die de kern van de bijzondere positie van eiser als vergunninghouder/verlofhouder raken en die er juist toe dienen om (potentieel) gevaarlijke situaties voor hemzelf of derden te voorkomen. Tot slot stelt de minister dat het algemeen belang dat gemoeid is met het waarborgen van de veiligheid van de samenleving in dit geval zwaarder weegt dan het belang van eiser om de jacht te kunnen uitoefenen of om als valwildafhandelaar op te treden.
Artikel 8.104, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bkl luidt:
‘Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit trekt die omgevingsvergunning in ieder geval in, als: de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of als er andere aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd.’
Artikel 7, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wwm luidt:
‘De in deze wet genoemde erkenningen, consenten, vergunningen, verloven en ontheffingen kunnen, onverminderd de bijzondere gronden tot wijziging of intrekking daarvan en onverminderd verordening (EU) nr. 258/2012, door het bestuursorgaan dat deze heeft verleend of door Onze Minister worden gewijzigd of ingetrokken: in geval van misbruik daarvan dan wel van wapens of munitie;
De rechtbank stelt voorop dat uit bovenstaande wettelijke bepalingen volgt dat een wapenverlof en/of een omgevingsvergunning in elk geval wordt ingetrokken, indien er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het voorhanden hebben van wapens en munitie
niet langer kan worden toevertrouwd. Wanneer sprake is van ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ in die zin is verder uitgewerkt in de Circulaire Wet Wapens en Munitie (Cwm 2019). Er moet dan sprake zijn van ‘vrees voor misbruik’.
In paragraaf 1.2 van de Cwm 2019 is bepaald dat degene die wapens en munitie voorhanden mag hebben in een bijzondere positie verkeert ten opzichte van zijn medeburgers. In het algemeen geldt namelijk een wettelijk verbod op het voorhanden hebben van wapens en munitie. Die bijzondere positie brengt met zich dat van de houder van een jachtakte en/of wapenverlof stipte naleving van wettelijke voorschriften wordt verlangd, ook als deze niet gerelateerd zijn aan de wapenwetgeving. De houder moet zich daarnaast onthouden van overtredingen die tot een (ernstige) aantasting van de rechtsorde kunnen leiden. Geringe twijfel aan het verantwoord zijn van een uitzondering op het verbod om wapens en munitie voorhanden te hebben, is al voldoende voor intrekking van wapenverlof of een omgevingsvergunning.6 Hoewel al geringe twijfel aan het verantwoord zijn van het wapenverlof voldoende reden is om het in te trekken, moet deze twijfel wel onderbouwd en objectief toetsbaar zijn.7
Voor de beoordeling van de vraag of in een bepaald geval vrees voor misbruik bestaat worden in paragraaf 1.2 van de Cwm 2019 een aantal concrete criteria gegeven. De korpschef zal aan de hand van deze criteria in elk geval afzonderlijk moeten bezien of er sprake is van ‘vrees voor misbruik’. In paragraaf 1.2 van de Cwm 2019 is opgenomen dat vrees voor misbruik onder meer kan worden aangenomen op basis van andere, niet uit veroordelingen of transacties gebleken, omtrent betrokkene bekende feiten. De vrees voor misbruik kan worden gebaseerd op een door de politie opgemaakt proces-verbaal dat (nog) niet tot een veroordeling heeft geleid.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit vrees voor misbruik heeft aangenomen, omdat eiser twee agenten niet voldoende afstand en dekking heeft laten nemen terwijl hij een schot plaatste om een dier uit zijn lijden te verlossen. Volgens de minister is eiser tekort geschoten in zijn verantwoordelijkheid om zorgvuldig te werk te gaan bij het afschieten van een dier.
In zijn verweerschrift heeft de minister gesteld dat eiser met zijn handelen zich niet aan de veiligheidsvoorschriften heeft gehouden. Deze eis tot veilige en zorgvuldige omgang met een wapen vloeit volgens de minister rechtstreeks voort uit de algemene veiligheidsnormen van de Wwm en de Cwm 2019 en staat ook expliciet vermeld bij de voorschriften van de omgevingsvergunning. Verder verwijst de minister naar de ‘gedrag- en weidelijkheidsregels’ van de Nederlandse Organisatie voor Jacht en Grondbeheer waarin onder meer de regel is opgenomen dat degene bij het schieten steeds een ruime veiligheidsgrens in acht moet nemen van onder meer mensen. Ook is opgenomen dat degene niet schiet als niet zeker is dat het/een schot veilig kan worden afgegeven.
De rechtbank oordeelt dat de minister op basis van de processen-verbaal niet heeft kunnen besluiten dat sprake is van vrees voor misbruik of de andere genoemde redenen voor intrekking van de omgevingsvergunning. Daartoe acht de rechtbank het volgende van belang. Eiser heeft zijn handelingen verricht in het kader van een professionele taak, namelijk in zijn hoedanigheid als valwildafhandelaar. Tijdens de gebeurtenissen op 13 oktober 2024 heeft eiser zich rekenschap gegeven van de betreffende omgeving. Dit blijkt volgens de rechtbank onder meer uit de omstandigheid dat eiser het gewonde ree heeft laten verplaatsen naar een andere ondergrond, omdat een veilig af te geven vangschot niet mogelijk was op de harde ondergrond. Ook heeft eiser geschoten in de richting van het open veld, zodat de geluidsdruk van het schot richting dit open veld kon gaan. Verder acht de rechtbank van belang dat eiser het ree heeft afgeschoten door zijn geweer in een hoek van 45 graden te houden. Dan resteert volgens de rechtbank alleen nog de omstandigheid dat eiser onvoldoende afstand zou hebben betracht tijdens het lossen van zijn schot om gehoorschade bij de agenten te voorkomen. Los van de omstandigheid dat uit de processen-verbaal niet de precieze positie van de agenten tijdens het schot blijkt en eiser ook uitdrukkelijk de verklaarde afstand door de agenten betwist, is de veilige of veilig geachte afstand die men moet aanhouden voordat een schot wordt gelost, niet nader geconcretiseerd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat in het bestreden besluit niet is opgenomen welk concreet voorschrift eiser wat de afstand betreft heeft geschonden door zijn handelen en in het verweerschrift wordt teruggevallen op algemene, open veiligheidsnormen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister bij de voorbereiding van zijn besluit niet de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden heeft vergaard. De minister moet volgens de rechtbank, als hij dat op dit moment nog mogelijk acht, nader onderzoek doen naar de relevante feiten en omstandigheden van onderhavig geval, bijvoorbeeld door de agenten nader te horen of een reconstructie uit te voeren ter plekke met alle betrokkenen. De minister moet daarna, met inachtneming van de daarmee verkregen informatie en dat wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, nogmaals beoordelen of grond is voor intrekking van het wapenverlof en de omgevingsvergunning. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie
7. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is het beroep van eiser gegrond. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende kennis vergaard over de relevante feiten en omstandigheden. Hierdoor is het besluit niet zorgvuldig voorbereid en zal het worden vernietigd. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Gelet op de vereiste beoordeling en het nadere onderzoek dat daarvoor mogelijk nodig is, geeft de rechtbank de minister hiervoor een termijn van 3 maanden.
De rechtbank zal in de uitspraak niet verder ingaan op dat wat eiser heeft aangevoerd over de onevenredigheid van het bestreden besluit en het ontbreken van de afweging van zijn persoonlijke omstandigheden. De minister moet namelijk een nieuw besluit nemen en daarbij dient hij ook te beoordelen of het nieuwe besluit voldoet aan het evenredigheidsbeginsel en daarbij dienen de persoonlijke omstandigheden van eiser ook in acht te worden genomen.
Proceskosten
8. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het bestreden besluit;
-
draagt de minister op binnen 3 maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het administratieve beroep met inachtneming van deze uitspraak;
-
bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
-
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier is verhinderd te tekenen
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.