RECHTBANK OVERIJSSEL
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/351785 / JE RK 26-1567
Datum uitspraak: 1 oktober 2026
Beschikking verlenging voorlopige ondertoezichtstelling en verlenging (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad,
gevestigd in Zwolle,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. N.R. Breman-Kleine,
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Zwolle,
en [minderjarige].
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2].
1 Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter heeft op 24 september 2026 een tussenbeschikking gegeven. Bij deze beschikking is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken. De kinderrechter heeft bij deze beschikking ook een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] op een crisisplek voor de duur van twee weken. De beslissing op het verzoek is voor het overige door de kinderrechter aangehouden.
De kinderrechter heeft daarna kennisgenomen van de volgende stukken:
-
het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 25 september 2026;
-
een door de raad overgelegde bijlage, te weten het spoedformulier van het Sociaal Wijkteam, binnengekomen op 30 september 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2026. Daarbij waren aanwezig:
-
de moeder met haar advocaat,
-
de vader,
- [naam 1] namens de GI,
- [naam 2] namens de raad.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover op 28 september 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder is belast met het gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft elders.
3 Het aangehouden verzoek
Er dient nog beslist te worden op het aangehouden deel van het verzoek van de raad om de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin of in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de resterende duur van drie maanden tot 24 december 2026. De raad handhaaft het verzoek.
4 De standpunten
[minderjarige] weet niet zo goed wat zij van het verzoek vindt. Zij vertelt aan de kinderrechter dat zij het wel fijn vindt op de plek waar ze nu is en dat ze er wil blijven, maar dat ze ook wel naar huis kan gaan. Zij kan dit niet goed uitleggen. [minderjarige] wil in ieder geval niet naar een pleeggezin. Er waren niet echt problemen thuis en het klopt niet dat [minderjarige] geslagen werd. Zij stoeit wel eens met haar broers en is laatst gevallen van de fatbike waardoor ze een blauwe plek had.
De GI is het eens met het verzoek van de raad. [minderjarige] verblijft nu niet thuis. De GI ziet een meisje dat meer ontspannen is, maar ook een meisje dat onzeker en angstig is. [minderjarige] is heel wisselend in wat er aan de hand was thuis. Zij vertelt de ene keer dat ze thuis geslagen werd, maar de andere keer dat er niets gebeurd is en dat zij gewoon gevallen is. Er is heel veel spanning binnen het gezin van [minderjarige] en is het nog onduidelijk wat er precies speelt en gespeeld heeft. Gezien die onduidelijkheden en de hoeveelheid zorgelijke meldingen, gunt de GI het [minderjarige] dat zij tijdelijk op een rustige plek verblijft. Daar wil de jeugdbeschermer samen met [minderjarige] gaan werken aan het kunnen vormen van een eigen mening. Dat lukt [minderjarige] nu nog niet, omdat zij loyaal is naar haar ouders. De GI gaat ook onderzoeken hoe de uithuisplaatsing plaatsgevonden heeft. Dat heeft [minderjarige] als heftig ervaren.
De moeder staat achter het verzoek tot een voorlopige ondertoezichtstelling. Zij maakt zich zorgen om [minderjarige]. [minderjarige] werd op school gepest vanwege haar hoofddoek en heeft haar hoofddoek daarom afgedaan. Sinds [minderjarige] die heeft afgedaan is een verandering te zien in het gedrag van [minderjarige]. Zij is opstandig geworden, houdt zich niet aan de regels, loopt vaak weg en zit veel op haar telefoon. De moeder maakt zich zorgen om het social media gebruik van [minderjarige] en heeft vermoedens dat [minderjarige] in contact komt met loverboys. De moeder heeft daarom de telefoon van [minderjarige] afgepakt toen ze haar naar Eindhoven brachten. De moeder wil graag hulpverlening en dat de GI meekijkt. De moeder is het niet eens met de uithuisplaatsing van [minderjarige]. De moeder ziet de noodzaak hiervan niet in. Zij herkent zich niet in het beeld dat de raad heeft over het mishandelen van [minderjarige]. Het klopt niet dat [minderjarige] geslagen werd thuis. De moeder wil dat [minderjarige] weer naar huis gaat. Zij weet niet waar [minderjarige] nu verblijft en heeft geen contact met haar. De moeder is bang dat [minderjarige] bij een uithuisplaatsing nog verder zal afglijden, zal weglopen en dat haar gedrag zal verergeren. De moeder verzoekt daarom primair het verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing af te wijzen. Subsidiair verzoekt de moeder [minderjarige] bij een uithuisplaatsing te plaatsen in een netwerkpleeggezin met een religieuze achtergrond. De voorkeur van de moeder gaat uit naar het netwerkgezin in Eindhoven dat de ouders in eerste instantie hadden gekozen voor [minderjarige].
5 De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat ook nu nog aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan.1 Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is nog steeds noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst.2 De kinderrechter legt dit uit.
De kinderrechter heeft grote zorgen over het opgroeien van [minderjarige]. Het is de kinderrechter, de raad en de GI op dit moment niet duidelijk of de emotionele en fysieke veiligheid van [minderjarige] bij de moeder thuis voldoende gewaarborgd is. Er zijn bij Veilig Thuis meerdere meldingen binnengekomen over mishandeling van [minderjarige]. De school van [minderjarige] heeft daar al langer zorgen over, omdat [minderjarige] op school zorgelijke uitspraken doet. [minderjarige] heeft ook aan de raad, de GI en de moeder verteld dat zij nu niet naar Zwolle wil. De kinderrechter neemt de signalen van onveiligheid en mishandeling serieus. De ouders maken zich ook zorgen om [minderjarige]. Zij is veel gepest in Zwolle, trekt haar eigen plan en loopt weg. Zij hebben ook zorgen over haar telefoongebruik.
De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige] op dit moment niet bij de moeder kan wonen. Het is nog onduidelijk wat er precies speelt binnen het gezin van [minderjarige]. [minderjarige] is daar in het gesprek met de kinderrechter heel wisselend over geweest. Ook bij de GI doet zij wisselende verhalen. Er moet dan ook eerst vanuit de GI zicht en duidelijkheid komen op wat er aan de hand is in de thuissituatie Daarvoor is onderzoek en meer informatie nodig. Om de zorgen over het veilig opgroeien van [minderjarige] weg te nemen, is het in de tussentijd nodig dat [minderjarige] verblijft op een plek waar wel voldoende zeker is dat [minderjarige] veiligheid en rust geboden krijgt. [minderjarige] heeft dat op haar huidige plek. [minderjarige] wil daar ook wel blijven en wil niet naar het gezin in Eindhoven of een pleeggezin. De raad zal onderzoek of [minderjarige] terug naar huis kan en wat dan daarvoor nodig is. In de tussentijd zal [minderjarige] contact moeten houden met haar familie. De GI zal hierin de regie voeren.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.3
6 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Overijssel tot 24 december 2026;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg of in een gezinsgerichte voorziening tot 24 december 2026;
verklaart de beslissing onder 6.2. uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat een eventueel verzoek van de raad, strekkende tot het uitspreken van een (definitieve) ondertoezichtstelling en (eventueel) het verlenen van een (nieuwe) machtiging uithuisplaatsing door mr. K. van Leeuwen zal worden behandeld op 11 december 2026 om 10:00 uur, welke mondelinge behandeling wordt gehouden in het gerechtsgebouw te Zwolle, tot het bijwonen van welke mondelinge behandeling alle belanghebbenden die een afschrift van deze beschikking ontvangen hierdoor worden opgeroepen;
vraagt de griffier om [minderjarige] op te roepen voor een gesprek met de kinderrechter.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026 door mr. K. van Leeuwen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S. Mahmoud als griffier, en op schrift gesteld op 15 oktober 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.4