ECLI:NL:RBOVE:2026:6152

Datum uitspraak
08-10-2026
Instantie
Rechtbank Overijssel
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/08/347499 / KG ZA 26-111
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Partijen zijn buren. Het perceel van partij A grenst niet aan de openbare weg en is alleen via de toegangsweg op het perceel van partij B (hierna te noemen: de weg) bereikbaar. Partij B staat partij A momenteel alleen toe om de weg te gebruiken te voet, per fiets of met een ander niet-gemotoriseerd voertuig. Partij A wil de weg ook met gemotoriseerde voertuigen gebruiken. Hij stelt primair dat een in 1963 gevestigde erfdienstbaarheid ten onrechte niet in een ruilverkavelingsakte van 2022 is opgenomen en subsidiair verzoekt hij om aanwijzing van een noodweg op grond van artikel 5:57 BW. Partij B vordert in voorwaardelijke reconventie, voor het geval de vorderingen van partij A geheel of gedeeltelijk worden toegewezen, dat het gebruik van de weg wordt beperkt tot niet-gemotoriseerd verkeer. Subsidiair vraagt partij B om een maximumsnelheid van 5 km per uur en een parkeerverbod op haar perceel. Ook vordert partij B een contactverbod. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van partij A toe op subsidiaire grondslag en wijst de bestaande weg van partij B aan als noodweg. Partij A en zijn bezoekers mogen daarvan ook met gemotoriseerde voertuigen gebruikmaken. Aan dat gebruik worden de door partij B in voorwaardelijke reconventie gevraagde voorwaarden verbonden. De proceskosten in conventie komen voor rekening van partij A. In reconventie worden de kosten gecompenseerd.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: C/08/347499 / KG ZA 26-111

Vonnis in kort geding van 8 oktober 2026

in de zaak van

[partij A] ,

te [woonplaats 1],

eisende partij in conventie,

gedaagde partij in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen: [partij A],

advocaat: mr. M. [naam 2],

tegen

[partij B] ,

te [woonplaats 2],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen: [partij B],

advocaat: mr. C.A. van Kooten – De Jong.

1 De zaak in het kort

1.1.

Partijen zijn buren. Het perceel van [partij A] grenst niet aan de openbare weg en is alleen via de toegangsweg op het perceel van [partij B] (hierna te noemen: de weg) bereikbaar. [partij B] staat [partij A] momenteel alleen toe om de weg te gebruiken te voet, per fiets of met een ander niet-gemotoriseerd voertuig. [partij A] wil de weg ook met gemotoriseerde voertuigen gebruiken. Hij stelt primair dat een in 1963 gevestigde erfdienstbaarheid ten onrechte niet in een ruilverkavelingsakte van 2022 is opgenomen en subsidiair verzoekt hij om aanwijzing van een noodweg op grond van artikel 5:57 BW. [partij B] vordert in voorwaardelijke reconventie, voor het geval de vorderingen van [partij A] geheel of gedeeltelijk worden toegewezen, dat het gebruik van de weg wordt beperkt tot niet-gemotoriseerd verkeer. Subsidiair vraagt [partij B] om een maximumsnelheid van 5 km per uur en een parkeerverbod op haar perceel. Ook vordert [partij B] een contactverbod.

1.2.

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [partij A] toe op subsidiaire grondslag en wijst de bestaande weg van [partij B] aan als noodweg. [partij A] en zijn bezoekers mogen daarvan ook met gemotoriseerde voertuigen gebruikmaken. Aan dat gebruik worden de door [partij B] in voorwaardelijke reconventie gevraagde voorwaarden verbonden. De proceskosten in conventie komen voor rekening van [partij A]. In reconventie worden de kosten gecompenseerd.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties van [partij A],

- de akte met producties, tevens voorwaardelijke eis in reconventie, van [partij B],- de mondelinge behandeling van 16 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van [partij A],- de pleitnota van [partij B],

- het bericht van partijen dat zij niet in onderling overleg tot een oplossing zijn gekomen,

- het bericht van de rechtbank dat een nieuwe zitting is bepaald,

- de aanvullende producties van [partij A],

- de aanvullende producties van [partij B],

- de voortzetting van de mondelinge behandeling van 24 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,

- de pleitnota van [partij A].

2.2.

Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

3 De feiten

3.1.

Partijen zijn buren. [partij B] en haar partner zijn sinds 14 juli 2006 eigenaar van het perceel met woning en opstallen aan de [adres 1], thans kadastraal bekend gemeente [adres 1] (hierna ook: [adres 1]). Sinds 23 maart 2023 is [partij B] ook eigenaar van het aangrenzende perceel met [adres 2].

3.2.

[partij A] is sinds 6 februari 2024 eigenaar van het perceel met woonboerderij gelegen aan de [adres 3], kadastraal bekend gemeente [adres 3] (hierna: [adres 3]).

3.3.

De woonboerderij aan de [adres 3] en de bijbehorende schuur vormden voorheen één geheel en waren eigendom van mevrouw [naam 1] (hierna: [naam 1]). In 2006 is een gedeelte van de woonboerderij met schuur en erf afgesplitst en aan [partij B] en haar partner geleverd ([adres 1]). Het andere deel van de woonboerderij ([adres 3]) bleef eigendom van [naam 1].

3.4.

[naam 1] overleed op 14 januari 2020. Haar partner, de heer [naam 2] (hierna: [naam 2]), bleef daarna tot zijn overlijden op [overlijdensdatum] 2022 in de woonboerderij wonen. Vervolgens stond de woonboerderij leeg tot de levering aan [partij A].

3.5.

Het perceel van [partij A] grenst niet aan de openbare weg. Om vanaf zijn perceel de openbare weg, de [weg], te bereiken, moet [partij A] over [adres 2] van [partij B]. Over dat perceel loopt een verhard pad (de weg).

3.6.

In 1963 is een gedeelte van het toenmalige perceel [adres 4], met daarop de woonboerderij aan de [adres 3] en bijbehorende opstallen, verkocht. Bij akte van 31 december 1963 is toen de volgende erfdienstbaarheid gevestigd:

“comparant ter ene zijde verleent en vestigt de erfdienstbaarheid van weg om te komen van- en te gaan naar- de [weg] ten laste van het aan hem verbleven deel van het perceel kadastraal bekend gemeente [adres 4] van diezelfde gemeente en sectie, als lijdende erven en ten behoeve van het bij deze ver- en gekochte, als heersend erf, welke verlening en vestiging door comparant ter andere zijde wordt aangenomen.”

3.7.

Deze erfdienstbaarheid is bij een akte van ruilverkaveling/toedeling uit 1972 opnieuw opgenomen. De erfdienstbaarheid is daarna ook in leveringsakten vermeld.

3.8.

Op 19 december 2022 is opnieuw een akte van ruilverkaveling/toedeling ingeschreven. De erfdienstbaarheid is daar niet in opgenomen.

3.9.

Bij brief van 27 februari 2024 heeft de advocaat van [partij B] [partij A] erop gewezen dat zijn perceel geen eigen uitweg naar de openbare weg heeft en dat [partij A] zich

ten onrechte toegang tot de weg had verschaft door de toegangspoort, die kort daarvoor door [partij B] aan het begin van de weg bij de aansluiting op de openbare weg was geplaatst, uit de hengen te tillen.

3.10.

Nadien hebben zich tussen partijen verschillende incidenten voorgedaan, onder meer over de toegangspoort, het gebruik van de weg, geparkeerde voertuigen en beveiligingscamera’s. Partijen hebben over en weer aangifte gedaan en de politie is meerdere malen ter plaatse geweest.

3.11.

[partij A] is in augustus 2024 door de politierechter veroordeeld wegens belediging en vernieling van goederen van [partij B].

3.12.

Op kerstavond 2025 heeft zich een incident voorgedaan waarbij [partij A] en de minderjarige dochter van [partij B] betrokken waren. Naar aanleiding daarvan is aan [partij A] van 26 december 2024 tot en met 25 maart 2025 een contactverbod opgelegd, waarbij [partij A] verboden is met [partij B] of haar gezinsleden op enigerlei wijze contact op te nemen. Tegen [partij A] loopt in verband met dit incident een strafzaak.

3.13.

Bij brief van 22 februari 2026 heeft de advocaat van [partij A] [partij B] verzocht mee te werken aan het opnieuw vestigen van de erfdienstbaarheid. [partij B] heeft dat niet gedaan. [partij A] is hierna onderhavige procedure gestart.

4 Het geschil in conventie en voorwaardelijke reconventie

4.1.

[partij A] vordert – enigszins samengevat – dat [partij B] wordt veroordeeld:

  1. om te gedogen dat [partij A] en degenen die zijn perceel bezoeken, ongehinderd te voet of met een vervoermiddel gebruikmaken van de op perceel [adres 2] gelegen weg om van en naar de openbare weg te gaan, totdat in een bodemprocedure eindvonnis is gewezen;

  2. om binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan [partij A] de codes of sleutels te verstrekken die nodig zijn om de toegangspoort volledig te openen;

  3. tot betaling van een dwangsom van € 500,00 per keer of per dag, met een maximum van € 15.000,00 als hij zich niet aan het onder 1 en/of 2 gevorderde houdt, zulks onder de voorwaarde dat [partij A] binnen acht dagen na dit vonnis een bodemprocedure aanhangig maakt.

  4. tot betaling van de proceskosten.

4.2.

[partij A] stelt primair dat het niet opnieuw opnemen van de erfdienstbaarheid bij de ruilverkaveling in 2022 een kennelijke fout is. De erfdienstbaarheid bestond sinds 1963, is bij een eerdere ruilverkaveling in 1972 opnieuw opgenomen en is daarna steeds in de leveringsakten van de woonboerderij vermeld. Ook is de weg volgens [partij A] tot het overlijden van [naam 2] in augustus 2022 steeds gebruikt om van en naar de woonboerderij te gaan. Subsidiair beroept [partij A] zich op artikel 5:57 BW (aanwijzing van een noodweg). Zijn perceel heeft volgens hem geen behoorlijke toegang tot de openbare weg, omdat [partij B] hem alleen toestaat de poort gedeeltelijk te openen zodat hij zijn perceel te voet of per fiets kan bereiken. [partij A] wil de bestaande weg ook met een auto en zo nodig een aanhanger gebruiken.

4.3.

[partij B] voert aan dat [partij A] geen spoedeisend belang heeft, omdat hij de woning te voet en per fiets kan bereiken. Ook wist [partij A] volgens [partij B] bij de aankoop dat de woning geen eigen uitweg naar de openbare weg had en heeft hij die situatie geaccepteerd. Verder stelt [partij B] zich op het standpunt dat er sprake is van eigen schuld. Zij heeft aangeboden dat [partij A] over een andere strook van haar grond een pad laat aanleggen, maar dat heeft hij niet gedaan. Volgens [partij B] bestaat er bovendien geen erfdienstbaarheid meer, omdat deze niet in de ruilverkavelingsakte van 2022 is opgenomen en door de titelzuiverende werking daarvan is vervallen. Voor zover [naam 1] en [naam 2] van de weg gebruikmaakten, stelt [partij B] dat zij dat gebruik persoonlijk toestond. [partij B] ziet geen grond voor aanwijzing van een noodweg. Als gebruik van de bestaande weg toch wordt toegestaan, moeten daaraan volgens [partij B] voorwaarden worden verbonden. Tot slot voert [partij B] aan dat de door [partij A] gevraagde voorziening te onbepaald is.

4.4.

[partij B] vordert in voorwaardelijke reconventie, voor het geval de vorderingen van [partij A] geheel of gedeeltelijk worden toegewezen, primair dat het gebruik van de weg wordt beperkt tot gebruik te voet, per fiets of per ander niet-gemotoriseerd voertuig, op straffe van een dwangsom. Subsidiair, als zij het gebruik met voertuigen moet gedogen, vraagt zij om een maximumsnelheid van 5 km per uur en een parkeerverbod op haar perceel. Daarnaast vordert [partij B] een contactverbod.

4.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

In conventie en in reconventie

5.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en de voorwaardelijke vorderingen in reconventie, zullen deze voor zover mogelijk gezamenlijk worden beoordeeld.

Het toetsingskader

5.2.

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat er een spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.

Spoedeisend belang

5.3.

Het spoedeisend belang van [partij A] volgt voldoende uit de aard van de zaak. Het perceel van [partij A] heeft geen rechtstreekse aansluiting op de openbare weg en [partij A] kan zijn woning op dit moment niet met een auto bereiken. Dat hij de woning wel te voet of met de fiets kan bereiken en dat hij – onder meer uit kostenoverwegingen – geen gebruik heeft gemaakt van het aanbod van [partij B] om op een andere strook van haar grond een pad te laten aanleggen, neemt dat belang niet weg.

5.4.

Voor het in voorwaardelijke reconventie door [partij B] gevorderde geldt bovendien dat het spoedeisend belang niet alleen voortvloeit uit de aard van het gevorderde, maar ook uit het feit dat zich tussen partijen meerdere incidenten hebben voorgedaan.

De erfdienstbaarheid

5.5.

[partij A] wil de weg op het perceel van [partij B] gebruiken. Hij stelt primair dat de in 1963 ten behoeve van [adres 3] gevestigde erfdienstbaarheid door een kennelijke fout niet in de ruilverkavelingsakte is opgenomen en dat dit dient te worden hersteld. [partij B] heeft dat betwist. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.6.

Vast staat dat de in 1963 gevestigde en in 1972 opnieuw opgenomen erfdienstbaarheid niet is opgenomen in de ruilverkavelingsakte van 2022. Aan die akte komt titelzuiverende werking toe (artikel 82 lid 2 Wilg). Dat betekent dat de voordien bestaande erfdienstbaarheid na de ruilverkaveling niet is blijven bestaan.

5.7.

Onder bijzondere omstandigheden kan plaats zijn voor herstel, namelijk wanneer het niet opnemen van een recht berust op een vaststaande en onmiskenbare fout (Hoge Raad 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0472). Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat die situatie zich hier voordoet. Vast staat wel dat de erfdienstbaarheid in 2022 niet opnieuw is opgenomen, maar niet waarom dat is gebeurd. Stukken waaruit volgt dat dit het gevolg is van een administratieve of andere kennelijke fout, ontbreken. Tegen het ruilplan is op dit punt geen bezwaar gemaakt. Dat [partij B] bekend was met de feitelijke situatie en had kunnen begrijpen dat het niet opnieuw vestigen van de erfdienstbaarheid nadelig zou kunnen uitpakken voor [adres 3] in het geval dat dat perceel afzonderlijk aan een derde verkocht zou worden, betekent nog niet dat sprake is van een vaststaande en onmiskenbare fout. De door [partij A] gestelde omstandigheden bieden daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Daarom is niet aannemelijk dat de bodemrechter tot herstel zal overgaan. De vordering kan dan ook niet op de primaire grondslag worden toegewezen.

De noodweg

5.8.

Vervolgens moet worden beoordeeld of voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [partij A] op grond van artikel 5:57 BW aanspraak kan maken op aanwijzing van een noodweg.

5.9.

Het perceel van [partij A] grenst niet aan de openbare weg. Om die weg te bereiken is hij aangewezen op grond die aan een ander, in dit geval [partij B], toebehoort. Dat [partij A] de bestaande weg op dit moment te voet of met de fiets mag gebruiken, betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet dat daarmee sprake is van een behoorlijke toegang tot de openbare weg. Daarbij is van belang dat het gaat om een voor bewoning bestemde woonboerderij in het buitengebied en dat de afstand tussen de woning en de openbare weg relatief groot is. Voor normaal gebruik van een dergelijke woning is bereikbaarheid met een personenauto van wezenlijk belang, onder meer voor het vervoer van personen, boodschappen en andere (grote) goederen. Een toegang die beperkt blijft tot verkeer te voet of per fiets is onder deze omstandigheden onvoldoende om het perceel overeenkomstig de woonbestemming behoorlijk te kunnen gebruiken.

5.10.

Dat [partij A] bij aankoop wist, althans had kunnen weten, dat geen formeel vastgelegde toegang tot de openbare weg bestond, leidt niet tot een ander oordeel. Artikel 5:57 BW stelt die wetenschap niet als voorwaarde. Bepalend is of het erf, gelet op de feitelijke situatie, zonder noodweg overeenkomstig zijn normale bestemming behoorlijk kan worden gebruikt. Dat is hier niet het geval. Ook zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat [partij A] op eigen terrein zelf een behoorlijke toegang tot de openbare weg kan realiseren.

5.11.

Het is daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat het perceel van [partij A] geen behoorlijke toegang tot de openbare weg heeft zoals bedoeld in artikel 5:57 BW en dat [partij A] in beginsel aanspraak kan maken op aanwijzing van een noodweg.

5.12.

Bij de bepaling van de ligging van de noodweg moeten vervolgens op grond van artikel 5:57 lid 3 BW de belangen van beide erven tegen elkaar worden afgewogen. Daarbij weegt het belang van [partij A] bij een praktische verbinding tussen zijn woning en schuur en de openbare weg tegenover het belang van [partij B] om van de noodweg zo min mogelijk overlast te ondervinden. In dat verband is van belang dat over [adres 2] van [partij B] al een weg aanwezig is die het perceel van [partij A] en de openbare weg verbindt en geschikt is voor gebruik door gemotoriseerde voertuigen. Daartegenover staat dat de door [partij B] voorgestelde alternatieve route nog moet worden aangelegd en dat dat aanzienlijke kosten meebrengt. Bovendien komt die route niet uit in de directe nabijheid van de toegang tot de woning en schuur van [partij A], waardoor die minder doelmatig is. Tegen deze achtergrond weegt het belang van [partij B] bij gebruik van de door haar voorgestelde alternatieve route voorshands niet op tegen het belang van [partij A] bij gebruik van de al bestaande weg.

5.13.

De voorzieningenrechter wijst daarom de bestaande weg over [adres 2] aan als noodweg. [partij B] zal worden veroordeeld te gedogen dat [partij A] en degenen die zijn perceel bezoeken deze weg gebruiken om van en naar de openbare weg te gaan, te voet, per fiets en met een auto. Ook incidenteel gebruik met een aanhanger valt daaronder.

5.14.

Om dat gebruik mogelijk te maken, moet [partij A] de toegangspoort volledig kunnen openen. [partij B] zal daarom worden veroordeeld de daarvoor benodigde sleutel, code of andere toegangsmogelijkheid binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan [partij A] te verstrekken.

5.15.

Gelet op de ligging van de weg op het perceel van [partij B] en de verstoorde verhouding tussen partijen acht de voorzieningenrechter het redelijk om aan het gebruik voorwaarden te verbinden. De door [partij B] in voorwaardelijke reconventie gevorderde voorwaarden van een maximumsnelheid van 5 kilometer per uur en een parkeerverbod op het perceel van [partij B] acht de voorzieningenrechter passend.

5.16.

De voorziening zal gelden totdat in de bodemprocedure eindvonnis is gewezen, onder de voorwaarde dat [partij A] die procedure binnen acht dagen na dit vonnis aanhangig maakt.

Het contactverbod

5.17.

Verder vordert [partij B] in voorwaardelijke reconventie een contactverbod. De voorzieningenrechter overweegt daarover als volgt.

5.18.

Een contactverbod vormt een ernstige inbreuk op het grondrecht van vrijheid van beweging en het recht om te gaan en staan waar hij wil. Om een dergelijke ingrijpende maatregel te rechtvaardigen, is vereist dat sprake is van een stelselmatige en ontoelaatbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, dan wel een reële dreiging daarvan. De voorzieningenrechter moet bij de beoordeling alle relevante omstandigheden in aanmerking nemen en de betrokken belangen van partijen afwegen.

5.19.

Partijen zijn buren en zullen in zekere mate met elkaar te maken blijven houden. Het volledig voorkómen van enig contact zal ook praktisch onmogelijk zijn, omdat de woningen dicht bij elkaar liggen en tussen de percelen geen duidelijke erfafscheiding bestaat. Over en weer hebben zich incidenten voorgedaan. Beide partijen hebben verklaard behoefte te hebben aan rust. De voorzieningenrechter gaat er dan ook van uit dat partijen elkaar zoveel mogelijk met rust zullen laten en zich onthouden van onnodig contact en confrontaties. Tegen deze achtergrond bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding om in dit kort geding aan één van hen een algemeen contactverbod op te leggen. Daarbij speelt mee dat naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een dergelijk verbod zelfs contraproductief zou kunnen werken.

De proceskosten

5.20.

[partij B] is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

153,02

- griffierecht

€

341,00

- salaris advocaat

€

1.177,00

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.860,02

5.21.

Nu de vorderingen in reconventie gedeeltelijk worden toegewezen en gedeeltelijk worden afgewezen en deze bovendien slechts in beperkte mate tot een afzonderlijk debat hebben geleid, zullen de proceskosten in reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie en reconventie

6.1.

veroordeelt [partij B] om te gedogen dat [partij A] en degenen die zijn perceel bezoeken, gebruikmaken van de op [adres 2] gelegen weg als noodweg om van en naar de openbare weg te gaan, te voet of met een (gemotoriseerd) vervoermiddel, totdat in een bodemprocedure eindvonnis is gewezen, onder de voorwaarden dat voertuigen niet harder dan 5 kilometer per uur rijden en niet (langdurig) stilstaan of parkeren op [adres 2] van [partij B], en dat [partij A] binnen acht dagen na dit vonnis een bodemprocedure aanhangig maakt,

6.2.

veroordeelt [partij B] om binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan [partij A] de codes, sleutels of andere toegangsmiddelen te verstrekken die nodig zijn om de toegangspoort volledig te openen,

6.3.

veroordeelt [partij B] om aan [partij A] een dwangsom te betalen van € 500,00 per keer of dag dat [partij B] niet aan de hoofdveroordelingen onder 5.1 en 5.2 voldoet, tot een maximum van in totaal € 15.000,00 is bereikt,

6.4.

veroordeelt [partij B] in conventie in de proceskosten van € 1.860,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

6.5.

veroordeelt [partij B] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over voormelde proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

6.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.7.

compenseert in reconventie de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op

8 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »