RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12260443 \ CV EXPL 26-1863
Vonnis van 29 september 2026
in de zaak van
WONINGSTICHTING SWZ,
te Zwolle,
eisende partij,
hierna te noemen: SWZ,
gemachtigde: Smit en Legebeke,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
De zaak in het kort
SWZ vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning wegens een huurachterstand. [gedaagde] heeft toegelicht dat de huurachterstand is ontstaan als gevolg van verschillende persoonlijke omstandigheden. De kantonrechter is, gelet op de omvang van de huurachterstand, van oordeel dat sprake is van een tekortkoming die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. De gevorderde huurachterstand, alsmede de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning, worden daarom toegewezen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 15 september 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
SWZ verhuurt met ingang van 21 december 2023 aan [gedaagde] de woonwagen met standplaats aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 859,45 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
[gedaagde] heeft (een deel van) de huur niet betaald. SWZ heeft [gedaagde] aangemaand op 3 april 2026 om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.
SWZ heeft [gedaagde] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [gedaagde] heeft daarop niet afwijzend gereageerd. SWZ heeft [gedaagde] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.
3 Het geschil
SWZ vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 3.594,85 aan huurachterstand met nevenvorderingen.
SWZ legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens SWZ de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] voert aan dat de huurachterstand is ontstaan door persoonlijke omstandigheden, waaronder het overlijden van zijn vader. [gedaagde] heeft het huurcontract overgenomen en woont samen met zijn broertje en zusje van 15 en 17 jaar oud. Uit de nalatenschap volgende meerdere schulden. [gedaagde] erkent de vordering, maar wil graag in de woning blijven. Inmiddels heeft hij een nieuwe baan en daarmee hoopt hij snel de achterstand te kunnen aflossen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
De kantonrechter heeft vastgesteld dat SWZ heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
Vaststaat dat [gedaagde] de verschuldigde huurtermijnen niet steeds en niet volledig heeft voldaan. De huurachterstand bedroeg ten tijde van de dagvaarding twee maanden. Daarna is de huurachterstand opgelopen en bedraagt de huurachterstand inmiddels vier maanden. [gedaagde] heeft het bestaan en de hoogte van deze huurachterstand niet weersproken. De vordering van betaling van dit bedrag zal daarom worden toegewezen. Nu de verschillende huurtermijnen niet tijdig zijn voldaan, is ook de daarover gevorderde wettelijke rente toewijsbaar.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.1 De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.2
De kantonrechter acht van belang dat [gedaagde] inmiddels weer een baan heeft en heeft toegezegd de betalingsachterstand te zullen aflossen. Ook SWZ heeft ter zitting te kennen gegeven bereid te zijn om [gedaagde] daarin de gelegenheid te bieden en de ontruiming niet als doel op zichzelf te zien, maar het vonnis als stok achter de deur te gebruiken om tot concrete afspraken te komen.
Minderjarige kinderen
In een procedure tot ontruiming van een woning behoort tot de relevante omstandigheden van het geval of er kinderen in de woning wonen. Als dat zo is, dan moeten de belangen van deze kinderen in kaart worden gebracht.3 Bij de beoordeling of de tekortkoming van de huurder ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt moeten deze belangen als ‘eerste overweging’ in aanmerking worden genomen.4 Dat betekent niet dat een ontruimingsvordering steeds moet worden afgewezen indien het in het belang van de betrokken kinderen is dat zij in het gehuurde kunnen blijven wonen, maar wel dat die belangen bijzonder gewicht in de schaal leggen.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [gedaagde] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
SWZ wil ook dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 859,45, te rekenen vanaf de maand oktober 2026 tot het moment dat [gedaagde] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [gedaagde] nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).
SWZ vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. SWZ heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 155,99 worden toegewezen.
Proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van SWZ worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
153,77 |
|
|
- griffierecht |
€ |
397,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
434,00 |
(2 punten × € 217,00) |
|
- nakosten |
€ |
108,50 |
|
|
Totaal |
€ |
1.093,27 |
5 De beslissing
De kantonrechter
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres],
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van SWZ zijn, en de sleutels af te geven aan SWZ,
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan SWZ:
- € 3.594,85 aan achterstallige huur tot en met september 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
- € 859,45 per maand vanaf oktober 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
veroordeelt [gedaagde] om aan SWZ te betalen een bedrag van € 155,99 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.093,27, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026. (jb)