RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12126312 \ CV EXPL 26-318
Vonnis van 29 september 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: mr. K. Wevers,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. G.H. Hoekman.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 februari 2026 met producties,- de conclusie van antwoord van 10 maart 2026 met één productie,- de e-mail van 11 maart 2026 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 28 augustus 2026, waarbij partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de zitting.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De zaak samengevat
[eiseres] en [gedaagde] hebben in de periode van 2020-2023 een affectieve relatie gehad. In de periode van juni 2020-juni 2023 heeft [eiseres] elke maand geld overgemaakt aan [gedaagde]. Volgens [eiseres] was dit een lening, terwijl [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat hij het geld heeft gekregen. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] niet heeft kunnen bewijzen dat sprake is van een lening. Datzelfde geldt voor de andere grondslagen van de vordering (onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking en misbruik van omstandigheden). Dit betekent dat de kantonrechter de vordering van [eiseres] afwijst. De proceskosten worden gecompenseerd. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
3 De feiten
Partijen hebben in de periode van 2020-2023 een affectieve relatie gehad, waarbij [eiseres] een gedeelte van de week bij haar ouders verbleef en een gedeelte van de week bij [gedaagde]. [eiseres] stond ingeschreven op het adres van haar ouders.
In de periode juni 2020 tot juni 2023 heeft [eiseres] maandelijks geld overgemaakt aan [gedaagde] zonder dat op het bankafschrift stond vermeld waar het voor was.
Bij brief van 28 april 2025 heeft [eiseres] [gedaagde] voor het eerst verzocht om tot terugbetaling over te gaan van de aan [gedaagde] overgemaakte bedragen. Omdat reactie uitbleef, heeft [eiseres] bij brief van 15 juli 2025 [gedaagde] gesommeerd om tot betaling over te gaan.
[eiseres] heeft haar vordering op [gedaagde] beperkt tot € 21.285,30 om onder de competentie grens van de kantonrechter te blijven.
4 Het geschil
[eiseres] vordert -samengevat- dat [gedaagde] een bedrag van € 21.285,30 aan haar moet betalen. Ook vordert [eiseres] vergoeding van de proceskosten.
[gedaagde] is het oneens met de vordering.
5 De beoordeling
Algemeen 5.1 Niet ter discussie staat dat [eiseres] het geld heeft overgemaakt naar een bankrekening van [gedaagde] en dat [gedaagde] dat geld heeft ontvangen. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling uitgebreid verklaard hoe zij de betalingen zien. Deze verklaringen worden hieronder opgenomen:
Verklaring [eiseres]:
U vraagt mij hoe ik er bij kwam om zo’n bedrag over te maken. Ik zat financieel goed, hij had schulden. Ik heb dat destijds uit liefde gedaan. Ik leende toen niet veel en had geluk met mijn vader. Uiteindelijk heb ik geld geleend bij DUO. Daarvan is uiteindelijk ook geld doorgesluisd naar [gedaagde]. Toen ik het geld leende van DUO was ik nog geen rente verschuldigd, later wel. Mijn vader heeft de schuld afbetaald en daarom moet ik nu mijn vader afbetalen. U vraagt mij of ik samenwoonde met [gedaagde]. Er was geen sprake van een officiële samenwoning. Ik stond ingeschreven bij mij mijn ouders. Ik ontving geen thuiswonende beurs, ik val onder het leenstelsel. U houdt mij voor dat ik op 26 juni € 2.000,00 heb overgemaakt en u vraagt mij hoe dat ging. [gedaagde] had schulden, advocaatkosten door zijn vorige relatie. Daardoor kon hij de rekeningen niet betalen. Ik ben bijgesprongen. Op dat moment waren we nog niet lang samen. U vraagt of [gedaagde] mij vroeg om geld over te maken. Dat was het geval.
Het begon subtiel: ‘ik ben blut’ en ‘van een kale kip kun je niet plukken’. Toen kwam het verzoek om bij te springen. U vraagt mij of dat letterlijk zo ging en wat er werd gezegd. Dat was inderdaad het geval. Wat er precies werd gezegd weet ik niet meer. Hij vroeg of ik kon bijspringen. Ik deed dat. Ik zou terugbetaald worden wanneer hij dat kon. Dat heeft hij wel letterlijk gezegd. U vraagt mij wat ik daarop zei. Ik vertrouwde er op. In de jaren maakte ik steeds meer en meer geld over. Straks ben ik afgestudeerd met een studieschuld. Dat heb ik na 1 à 2 jaren tegen [gedaagde] gezegd. De bedragen liepen op. U vraagt mij wat [gedaagde] daarop zei. Hij zei dat hij zou terugbetalen wanneer hij kon. Ik gaf wat ik had om te ondersteunen. Hij wist dat dat kon en dat ik rekeningen terug boekte. Onze relatie ging uit. U vraagt of wij het erover gehad hebben hoe nu verder. Dat hebben wij niet. Ik had tijd nodig om de boel te verwerken en wat er tijdens de relatie is gebeurd. Ik wilde trouwen en kinderen, dat kon niet met hem. Ik leerde iemand anders kennen met wie dat wel kan. Zo is de relatie geëindigd. U vraagt mij wanneer het besef kwam om te praten. Ik had een schuld, mijn auto ging kapot. Mijn vader vroeg waar het geschonken geld was. Ik durfde geen contact op te nemen om erover te praten. Uiteindelijk heb ik bij mijn ouders toegegeven wat er is gebeurd. U vraagt of ik volledig samenwoonde met [gedaagde]. Dit was 50/50. We hebben niet gesproken over kosten van de woning of over vaste lasten. [gedaagde] betaalde de hypotheek enzovoorts. Ik betaalde de verjaardagcadeaus van zijn kinderen, de tv, reparaties. Dit zijn betalingen die ik deed naast de betalingen die u op productie 5 ziet. Zijn kinderen heb ik niet gezien, zij weten waarschijnlijk niet eens van mijn bestaan. Verklaring [gedaagde]: Ik heb verteld dat ik schulden heb. [eiseres] kwam zelf met: ‘voor elkaar zorgen’. Zij heeft mij geld gegeven. U vraagt mij of ik er vanuit ging dat zij het geld belangeloos schonk. Ik ging er inderdaad van uit dat ik het kreeg. Ik hoefde het niet terug te betalen, zei ze. Ik heb namelijk gezegd dat ik het niet terug kon betalen. Ze begon uit zichzelf geld te geven. Ze zei: ‘de maand is nog niet afgelopen en ik heb nog geld’. Ze vond het raar dat ik dat niet had, dus gaf ze mij wat ze over had. Ook als ik het niet nodig had stortte ik het terug, dan kreeg ik het daarna weer, omdat zij het zelf niet nodig had. U vraagt mij of het klopt dat de bodem bij [eiseres] was bereikt en dat zij daarom bedragen storneerde. Dat weet ik niet. Dat heeft zij mij niet verteld. U vraagt mij of [eiseres] voor de helft van de tijd bij mij was. Ik denk eerder dat het 60/40 was. Ze was meer bij mij. Bij haar thuis (ouders) was het niet prettig. U vraagt of er afspraken zijn gemaakt over lasten van de woning. Dat hebben we niet. Ik heb niet gezegd dat zij bij moest dragen. Ik kreeg al geld van haar zonder dat ik het vroeg. U vraagt hoe zij wist dat ik geld nodig had. Ze maakte dat aan het einde van de maand gewoon over. U vraagt mij hoe ik terug kijk op het ontvangen bedrag en wat er moet gebeuren. Het is een groot bedrag. Ik vind het raar dat het nu een lening is. U houdt mij voor dat we zo’n 3 jaar een relatie hebben gehad en dat er zoveel geld is betaald. De schulden waren nooit een issue. Ook de gezamenlijke huishouding moest worden bekostigd. Ze heeft een keer geholpen met een ketel die stuk was. U vraagt mij waar bijvoorbeeld het bedrag van € 2.000,00 dat ik in juni 2020 heb gekregen aan op is gegaan. Dat weet ik niet meer. U vraagt of ik advocaatschulden had, dat had ik niet. Ik had wel schulden. Ze maakte gewoon geld over. Voor mij. Ik had het geld niet. Ik zat krap. Maar ik hoefde geen rekening te betalen. U vraagt mij of ik zou terugbetalen als ik dat kon. Dat is niet zo. Als ik een keer de jackpot zou winnen, dan wilde ze een rode Audi. Ik hoefde niet terug te betalen. Er is niet gesproken over terugbetaling van het geld dat ik in totaal heb gekregen. Ze gaf mij elke maand geld. Bij vlagen grote bedragen. Ze heeft alleen gezegd: ‘ik weet dat je het niet hebt, ik ben je al dankbaar dat je mij wilt helpen’.
De kantonrechter constateert op basis van deze verklaringen dat de zienswijze van [eiseres] en de zienswijze van [gedaagde] verschilt op alle punten. Partijen en hun gemachtigden hebben bevestigd dat een verklaring onder ede over dit onderwerp niet tot een andere verklaring zal leiden, zodat in deze procedure van de verklaringen van beiden mag en kan worden uitgegaan.
Overeenkomst van geldlening
In geschil is primair de vraag of tussen partijen (mondeling dan wel stilzwijgend) een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen ten titel waarvan [eiseres] aan [gedaagde] geld heeft geleend en welk geld door [gedaagde] moet worden terugbetaald.
Een overeenkomst van geldlening wordt beheerst door de artikelen 7:129 e.v. BW. Artikel 7:219 BW luidt als volgt: 1. De overeenkomst van geldlening is de kredietovereenkomst waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen.2. Indien is overeengekomen dat de kredietnemer door een enkele verklaring, een betalingsopdracht daaronder begrepen, de kredietgever kan verplichten hem een som geld te verstrekken, komt pas door deze verklaring de geldlening tot stand.
Ingevolge artikel 150 Rv rust op [eiseres] ter zake van de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst van geldlening een stelplicht. Zij dient alle feiten te stellen die benodigd zijn voor het intreden van het door haar beoogde rechtsgevolg (het bestaan van een overeenkomst van geldlening en de daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting van [gedaagde]) en deze feitelijke stellingen tevens voldoende concreet te onderbouwen. Het enkele feit dat er geldbedragen zijn overgemaakt, is onvoldoende om aan te nemen dat er een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen. Een bankoverschrijving bewijst immers slechts dat een vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden, maar biedt geen uitsluitsel over de juridische titel die aan die verschuiving ten grondslag ligt.
Heeft [eiseres] aan haar stelplicht voldaan, dan hoeft zij de door haar gestelde feiten slechts te bewijzen wanneer [gedaagde] deze feiten in voldoende mate heeft betwist. [eiseres] heeft verklaard dat [gedaagde] het geld zou terugbetalen ‘als er geld zou zijn’. Sinds de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht per
1 januari 2025 is de kantonrechter weliswaar vrij in de waardering van dit bewijsmiddel, maar mede in het licht van de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat de verklaring van [eiseres] onvoldoende gewicht in de schaal legt. De verklaring is onbepaald en biedt geen concreet aanknopingspunt voor een geldlening met terugbetalingsverplichting.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Uit niets blijkt dat is afgesproken dat zou zijn overeengekomen dat [gedaagde] het geld aan [eiseres] zou terug betalen. [eiseres] heeft dat ook niet met stukken onderbouwd en ook de bedragen zijn niet met een enige notitie die duidt op een geldlening overgemaakt.
Van WhatsApp-berichten of mailtjes waarin [gedaagde] (achteraf) erkent dat hij een schuld heeft, is ook niets gebleken. Bovendien staat tegenover de verklaring van [eiseres] de verklaring van [gedaagde], die in alle opzichten van elkaar verschilt.
Onverschuldigde betaling 5.8 Aangezien de kantonrechter hierboven heeft geoordeeld dat geen sprake is van een overeenkomst van geldlening, zal hieronder de subsidiaire grondslag (onverschuldigde betaling ex artikel 6:203 BW) van de vordering worden besproken.
Artikel 6:203 BW lid 1 bepaalt dat degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven, gerechtigd is dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen.
[eiseres] stelt dat zij geen verplichting had om enig bedrag aan [gedaagde] te betalen. [gedaagde] betwist dit niet, maar stelt dat hij het geld van haar kreeg omdat hij krap zat en omdat zij hem wilde helpen.
De kantonrechter leest dit verweer aldus dat [gedaagde] zich beroept op schenking. Artikel 7:175 BW lid 1 bepaalt dat schenking een overeenkomst is om niet, die er toe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt.
De kantonrechter duidt het beroep van [gedaagde] op schenking als een bevrijdend verweer. Uit de verklaring van [gedaagde] kan worden afgeleid dat sprake is van een overeenkomst dat het geld om niet werd gegeven zonder enige verplichting om terug te betalen. Tegenover deze verklaring staat de verklaring van [eiseres], waarbij zij heeft verklaard: ‘als je kan terug betalen, betaal je maar terug’. Dat [gedaagde] (thans) in de financiële positie is om het gehele bedrag terug te betalen, heeft [eiseres] niet gesteld en ook niet verklaard. Dat [gedaagde] heeft verklaard een rode Audi aan [eiseres] te geven als hij de jackpot zou winnen, kan niet als rechtens afdwingbare tegenprestatie tegenover het ontvangen bedrag worden gezien.
De conclusie van het bovenstaande is dat geen sprake is van onverschuldigde betaling, omdat de rechtsgrond van schenking aanwezig is.
Ongerechtvaardigde verrijking 5.14 [eiseres] heeft meer subsidiair de grondslag ongerechtvaardigde verrijking aangevoerd.
Artikel 6:212 BW bepaalt dat hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, is verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking.
Gelet op het feit dat er een overeenkomst van schenking is aangenomen (r.o. 5.12. en 5.13.), is geen sprake van een verrijking van [gedaagde] die ongerechtvaardigd is. Dat komt omdat het de wens van [eiseres] was om het geld aan [gedaagde] te verstrekken, zonder er vanuit te mogen gaan dat zij er ooit iets van terug zou zien.
De conclusie is daarom dat ook geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking.
Misbruik van omstandigheden 5.18 De nog meer subsidiaire rechtsgrond die door [eiseres] is genoemd, is misbruik van omstandigheden ex artikel 3:44 lid 4 BW.
In dit artikellid staat: ‘misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden’.
[eiseres] heeft als omstandigheden gesteld dat zij psychisch kwetsbaar is, dat er een groot leeftijdsverschil was en dat zij onder behandeling stond bij een GGZ-psycholoog. [gedaagde] heeft dit bestreden. [gedaagde] heeft de emotionele kwetsbaarheid van [eiseres] erkend, maar heeft betwist dat zij bij een psycholoog onder behandeling was. Ook stelt [gedaagde] dat [eiseres] haar standpunten niet heeft onderbouwd.
De kantonrechter is van oordeel dat het gestelde misbruik van omstandigheden op basis van hetgeen partijen hebben verklaard niet kan worden vastgesteld. Bij artikel 3:44 lid 4 BW geldt dat [eiseres] ‘bewogen had moeten worden’ tot het verrichten van een rechtshandeling. [eiseres] heeft niet onderbouwd dat zij (emotioneel) kwetsbaar was en onder GGZ-behandeling stond. Dat het leeftijdsverschil groot is op zichzelf geen bijzondere omstandigheden. Dat enige door [eiseres] genoemde omstandigheid haar heeft ‘bewogen’ om het geld te geven kan op grond van deze informatie evenmin worden vastgesteld.
[eiseres] verwijst -voorwaardelijk, voor het geval de kantonrechter schenking aanneemt- nog naar artikel 7:176 BW, waarin staat dat: ‘indien de schenker feiten stelt waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen, rust bij een beroep op vernietigbaarheid de bewijslast van het tegendeel op de begiftigde, tenzij van de schenking een notariële akte is opgemaakt of deze verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn’.
Hoewel artikel 7:176 BW ten gunste van [eiseres] als schenker een lichter criterium kent voor wat betreft de bewijslastverdeling, ontslaat deze bepaling haar niet van haar stelplicht. Om tot een omkering van de bewijslast te kunnen komen, dient
[eiseres] immers gemotiveerd feiten te stellen waaruit volgt dat de vermeende schenking door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] geen feiten heeft gesteld waaruit blijkt dat de schenking door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. De stelling van [eiseres] mist elke feitelijke onderbouwing. Bovendien heeft zij tijdens de mondelinge behandeling zelf verklaard dat ze destijds zelfstandig heeft besloten om financieel bij te springen.
Conclusie 5.24 De conclusie van het bovenstaande is dat de vordering van [eiseres] moet worden afgewezen.
Proceskosten 5.25 Gelet op de aard van de relatie, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6 De beoordeling
De kantonrechter
wijst de vordering af;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026. |
||