RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer : 12380044 \ CV EXPL 26-3039
Vonnis in kort geding van 29 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,wonende te [woonplaats],
eisende partij, hierna te noemen [eiser],
gemachtigde: mr. M.C. van Uitert, DAS Rechtsbijstand,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid R&R TWENTE BOUW/KOZIJN B.V.,gevestigd en kantoorhoudende te Enschede,
gedaagde partij, hierna te noemen R&R,
niet verschenen noch vertegenwoordigd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de namens [eiser] betekende dagvaarding van 15 september 2026, waarbij [eiser] een vordering heeft ingesteld tot het treffen van een voorlopige voorziening en R&R heeft opgeroepen ter zitting in kort geding te verschijnen.
De vordering is behandeld ter zitting van 22 september 2026.
[eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Tegen de niet verschenen R&R is verstek verleend.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiser] is op 1 januari 2024 in dienst getreden bij R&R in de functie van medewerker verkoop buitendienst, tegen een loon van € 4.052,61 bruto per maand exclusief vakantietoeslag. Op 31 juli 2026 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarbij is onder meer overeengekomen dat het dienstverband eindigt per 1 september 2026, [eiser] wordt vrijgesteld van werkzaamheden, het loon volledig wordt doorbetaald tot en met 31 augustus 2026, op uiterlijk die datum een eindafrekening wordt opgesteld en dat de pensioenopbouw over de periode van 1 februari 2024 tot en met 31 augustus 2026 alsnog met terugwerkende kracht wordt verwerkt overeenkomstig de tussen partijen gemaakte afspraken.
3. Het geschil en de beoordeling
Bij de dagvaarding zijn de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van R&R tot betaling van het loon over juli en augustus 2026, verstrekking van diverse loonstroken op straffe van een dwangsom, afdracht van pensioenpremies en pensioenafdrachten over de periode
1 februari 2024 tot en met 31 augustus 2026, onder verstrekking van een specificatie en op straffe van een dwangsom, met de veroordeling van R&R in de (buiten-)gerechtelijke kosten.
De vordering van [eiser] komt de kantonrechter vooralsnog niet onrechtmatig of ongegrond voor en behoort daarom te worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde wettelijke verhoging over het achterstallige loon in het kader van dit kort geding wordt toegewezen tot 10% en de termijn voor het verstrekken van de loonstroken wordt bepaald op veertien dagen.
R&R is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
155,67 |
|
|
- griffierecht |
€ |
93,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
577,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
|
|
Totaal |
€ |
969,67 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt R&R om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te betalen het achterstallige salaris over de maanden juli 2026 en augustus 2026, ten bedrage van € 4.052,61 bruto per maand, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, tot een maximum van 10%, en de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag waarop het loon opeisbaar is geworden tot de dag waarop alles betaald is,
veroordeelt R&R om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot het verstrekken van loonstroken over de maanden oktober, november en december 2024, over juni, juli, augustus, september, oktober, november en december 2025 en juni, juli en augustus 2026, en een correcte eindafrekening conform de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat R&R hiermee na afloop van voornoemde termijn in gebreke blijft, tot een maximum van € 5.000,00,
veroordeelt R&R om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis uitvoering te geven aan de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen pensioenafspraak, inhoudende dat alle verschuldigde pensioenpremies en pensioenafdrachten over de periode van 1 februari 2024 tot en met 31 augustus 2026 alsnog met terugwerkende kracht worden afgedragen aan het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid, althans het toepasselijke pensioenfonds, onder verstrekking aan [eiser] van een deugdelijke specificatie van deze afdracht en schriftelijk bewijs daarvan, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat R&R hiermee na afloop van voornoemde termijn in gebreke blijft, tot een maximum van € 5.000,00,
veroordeelt R&R om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 944,12 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt R&R in de proceskosten van € 969,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
veroordeelt R&R tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Louter, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.