RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/2938
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats] (hierna: [eiser]), eiser,
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (voorheen: de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) (hierna: de minister), verweerder.
Samenvatting
1. Deze einduitspraak gaat over de besluiten van de minister over een verzoek van [eiser] op grond van de Wet open overheid (hierna: de Woo). [eiser] is het niet eens met die besluiten. In deze zaak is eerder een tussenuitspraak gedaan. De rechtbank oordeelt in deze einduitspraak dat de minister het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek heeft hersteld. Verder oordeelt de rechtbank dat de mededeling van de minister dat hij niet meer documenten heeft die onder de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen niet ongeloofwaardig voorkomt en dat [eiser] het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook oordeelt de rechtbank dat de redelijke termijn is overschreden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met een besluit van 6 december 2023 heeft de minister beslist op een Woo-verzoek van [eiser]. Met een besluit van 16 mei 2024 (hierna: bestreden besluit I) heeft de minister het bezwaar van [eiser] tegen het besluit van 6 december 2023 gegrond verklaard en alsnog twee extra documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt.
In een uitspraak van 7 augustus 2024 heeft deze rechtbank het beroep van [eiser] tegen bestreden besluit I kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. [eiser] heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van 7 augustus 2024. De minister heeft desgevraagd in een verweerschrift gereageerd op het beroep.
De rechtbank heeft het verzet en het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. [eiser] is verschenen, vergezeld van [naam 1]. Namens de minister is verschenen mr. G.J.P. Penders, werkzaam bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: de RVO). De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van nadere informatie van de minister.
De minister heeft de rechtbank een nieuw, herzien besluit op bezwaar toegestuurd. Met dit besluit van 27 november 2025 (hierna: bestreden besluit II) heeft de minister (opnieuw) het bezwaar van [eiser] tegen het besluit van 6 december 2023 gegrond verklaard en dit besluit herroepen. Met bestreden besluit II heeft de minister naast de twee extra documenten die al gedeeltelijk openbaar waren gemaakt met bestreden besluit I nog een derde extra document gedeeltelijk openbaar gemaakt. [eiser] heeft beroepsgronden ingediend tegen bestreden besluit II. Ook heeft hij nadere stukken ingediend.
De rechtbank is verder gegaan met de behandeling van het verzet en het beroep op de zitting van 29 mei 2026. [eiser] is opnieuw verschenen, vergezeld van [naam 1]. Namens de minister is verschenen [naam 2], werkzaam bij de RVO.
De rechtbank heeft op 22 juli 2026 een tussenuitspraak gedaan. In deze uitspraak heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaart. Daarmee is de uitspraak van 7 augustus 2024 vervallen. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat bestreden besluit II niet berust op een deugdelijke motivering en heeft de minister in de gelegenheid gesteld om dit motiveringsgebrek binnen tien weken te herstellen.
De minister heeft in reactie op de tussenuitspraak twee besluiten van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: de NVWA) ingediend. [eiser] heeft hierop schriftelijke gereageerd.
De rechtbank heeft besloten dat het beroep niet voor een derde keer op zitting wordt behandeld en heeft het onderzoek opnieuw gesloten.
Overwegingen
Wat heeft de rechtbank geoordeeld in de tussenuitspraak?
3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen en daarvan is hier geen sprake.1
4. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het verzet van [eiser] tegen de uitspraak van 7 augustus 2024 gegrond verklaard. Voor de motivering van deze beslissing verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
5. Ook heeft de rechtbank in de tussenuitspraak geoordeeld dat het beroep dat [eiser] heeft ingesteld tegen bestreden besluit I op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van rechtswege mede betrekking heeft op bestreden besluit II. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is, voor zover het is gericht tegen bestreden besluit I. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat [eiser] geen belang meer heeft bij een beoordeling van het beroep tegen dit besluit omdat de minister dit besluit niet langer handhaaft en heeft vervangen door bestreden besluit II.
6. Verder heeft de rechtbank in de tussenuitspraak vastgesteld dat [eiser] het Woo-verzoek heeft ingediend bij de NVWA en dat deze dienst het verzoek heeft doorgestuurd naar de RVO omdat de gevraagde informatie bij die dienst zou liggen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat de NVWA niet beschikt over documenten die vallen onder de reikwijdte van het Woo-verzoek en dat de minister daarom niet alleen naar documenten moest zoeken in het (digitale) dossier van [eiser] dat berust bij de RVO, maar ook in het (digitale) dossier van [eiser] dat berust bij de NVWA. De rechtbank heeft vastgesteld dat uit het dossier en wat op de zitting is besproken niet bleek dat de minister dit had gedaan en dat daaruit ook niet bleek of de NVWA (namens de minister) een afzonderlijk besluit heeft genomen op het Woo-verzoek. Daarom heeft de rechtbank geconcludeerd dat de minister zijn standpunt dat alle documenten die onder hem berusten en die onder de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen openbaar zijn gemaakt onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft de minister in de tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld om dit motiveringsgebrek te herstellen. Daarbij heeft zij aangegeven dat de minister dit kon doen door een eventueel al door de NVWA (namens de minister) op het Woo-verzoek genomen besluit in het geding te brengen, door het geven van een aanvullende motivering waaruit blijkt dat bestreden besluit II ook ziet op de documenten in het dossier van [eiser] dat berust bij de NVWA of door een nieuw besluit op bezwaar te nemen dat ook ziet op de documenten die berusten onder de NVWA.
Heeft de minister het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek hersteld?
7. De rechtbank constateert dat de minister niet heeft voldaan aan de door de rechtbank in de tussenuitspraak gegeven opdracht om binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid om het motiveringsgebrek te herstellen. [eiser] heeft daar terecht op gewezen. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om hier gevolgen aan te verbinden, omdat de minister enkele dagen na het verstrijken van deze termijn (en ruim binnen de door de rechtbank gestelde termijn van tien weken) een inhoudelijke reactie heeft gegeven op de tussenuitspraak.
8. De minister heeft in reactie op de tussenuitspraak twee documenten (met bijlagen) ingediend. Het eerste document is een besluit dat de NVWA op 7 september 2023 heeft genomen namens de minister. Met dit besluit is een Woo-verzoek van [eiser] van 22 april 2023 afgewezen op de grond dat er op basis van het verzoek geen documenten zijn aangetroffen. In het besluit is meegedeeld dat het verzoek documenten betreft die geheel bij de RVO berusten en dat het verzoek om die reden is doorgestuurd naar de RVO. Het tweede document is een besluit dat de NVWA op 27 maart 2025 heeft genomen namens de minister. Met dit besluit is het bezwaar van [eiser] tegen het besluit van 7 september 2023 gegrond verklaard, is dit besluit herroepen en zijn alsnog 29 documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt. Deze 29 documenten zijn bij het besluit gevoegd.
9. [eiser] heeft in zijn reactie op de herstelpoging van de minister aangevoerd dat hij bij de door de minister ingediende documenten niets heeft aangetroffen wat ziet op de strekking van het Woo-verzoek, het op de zittingen besprokene en de tussenuitspraak.
10. De rechtbank stelt vast dat de besluiten van 7 september 2023 en 27 maart 2025 betrekking hebben op hetzelfde Woo-verzoek van [eiser] als het Woo-verzoek waarop deze beroepsprocedure en bestreden besluit II betrekking hebben. Uit deze besluiten blijkt dat naar aanleiding van dit Woo-verzoek ook een zoekslag heeft plaatsgevonden in het (digitale) dossier van [eiser] dat berust bij de NVWA, dat daarbij documenten zijn aangetroffen die vallen onder de reikwijdte van het Woo-verzoek en dat die documenten openbaar zijn gemaakt. Hieruit volgt dat wat [eiser] heeft aangevoerd in zijn reactie op de herstelpoging niet juist is.
11. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de minister met het indienen van de besluiten van 7 september 2023 en 27 maart 2025 het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek heeft hersteld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [eiser] in zijn reactie op de herstelpoging van de minister niets heeft aangevoerd dat aanleiding geeft voor een ander oordeel.
Neemt de rechtbank de documenten die [eiser] ná de tussenuitspraak heeft ingediend in aanmerking in haar beoordeling?
12. [eiser] heeft als bijlagen bij zijn reactie op de herstelpoging van de minister nieuwe documenten ingediend. Daarnaast heeft [eiser] aangekondigd dat hij binnenkort nog meer nieuwe documenten zal indienen en heeft hij de rechtbank verzocht om het beroep voor een derde maal op een zitting te behandelen en om de gedingstukken van twee andere beroepen als ingezonden te beschouwen.
13. De rechtbank is van oordeel dat het indienen van deze nieuwe documenten ná de tussenuitspraak in strijd is met een goede procesorde. Daarom zal de rechtbank deze nieuwe documenten buiten beschouwing laten. Ook wacht de rechtbank niet op het indienen van nog meer nieuwe documenten en wijst zij beide verzoeken van [eiser] af. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.
De rechtbank stelt voorop dat het beroep volledig is behandeld op de zittingen van 31 oktober 2025 en 29 mei 2026. [eiser] heeft in aanloop naar deze zittingen meerdere documenten ingediend en heeft op deze zittingen ruim de gelegenheid gekregen om zijn standpunten uiteen te zetten. Aan het einde van de zitting van 29 mei 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Vervolgens heeft de rechtbank de tussenuitspraak gedaan en heeft zij het onderzoek heropend om de minister de gelegenheid te geven om een in die uitspraak geconstateerd motiveringsgebrek te herstellen. Zoals uit de voorgaande overwegingen blijkt, had dit gebrek alleen te maken met (het zoeken naar en de besluitvorming over) de onder de reikwijdte van het Woo-verzoek vallende documenten die berusten bij de NVWA. Uit de door de minister ingediende besluiten blijkt dat in het onder de NVWA berustende (digitale) dossier van [eiser] is gezocht naar documenten, dat de NVWA namens de minister op het Woo-verzoek heeft beslist en dat in het besluit op bezwaar meerdere documenten gedeeltelijk openbaar zijn gemaakt.
Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat [eiser] beroep heeft ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 27 maart 2025. De rechtbank heeft dit beroep met zaaknummer ZWO 25/1198 bij uitspraak van 24 februari 20262 ongegrond verklaard. In deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister de uitgevoerde zoekslag voldoende inzichtelijk heeft gemaakt, dat de stelling van de minister dat er verder geen stukken onder hem berusten niet ongeloofwaardig voorkomt en dat [eiser] het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt. Gelet op het feit dat de rechtbank al uitspraak heeft gedaan op dit beroep, kunnen de besluiten die de NVWA namens de minister over het Woo-verzoek heeft genomen bij de rechtbank niet meer ter discussie worden gesteld. Als [eiser] het niet eens is met de uitspraak van de rechtbank over deze besluiten kan hij daartegen hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat [eiser] dit ook heeft gedaan.
De rechtbank constateert dat de nieuwe documenten die [eiser] heeft ingediend geen betrekking hebben op het door de rechtbank in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek of op de manier waarop de minister heeft geprobeerd om dit gebrek te herstellen. [eiser] heeft deze stukken ingediend ter nadere onderbouwing van zijn standpunt dat de RVO en de NVWA over meer documenten moeten beschikken dan de documenten die al (gedeeltelijk) openbaar zijn gemaakt. Voor wat betreft de NVWA kan [eiser] dit niet meer bij de rechtbank aan de orde stellen, maar alleen nog bij de Afdeling. Voor wat betreft de RVO had [eiser] deze stukken ook vóór de zitting van 29 mei 2026 kunnen en daarom ook moeten indienen. De rechtbank merkt daarbij op dat één van deze stukken een brief van [eiser] van 29 augustus 2026 is. Deze brief is weliswaar pas geschreven na 29 mei 2026 maar bevat – voor zover in deze procedure van belang – geen informatie die [eiser] niet al vóór 29 mei 2026 aan de rechtbank had kunnen laten weten.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de nieuwe documenten buiten beschouwing laten, omdat het indienen daarvan ná de tussenuitspraak in strijd is met een goede procesorde. Om dezelfde redenen als hiervoor in 13.1, 13.2 en 13.3 zijn genoemd, ziet de rechtbank ook geen reden om het indienen van nog meer nieuwe documenten af te wachten, om de gedingstukken van twee andere beroepen als ingezonden te beschouwen of om het beroep voor een derde keer op een zitting te behandelen. Daarom heeft de rechtbank op grond van artikel 8:57, tweede lid, van de Awb bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Heeft [eiser] aannemelijk gemaakt dat de RVO meer relevante documenten heeft?
14. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat de minister niet alle documenten die onder de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen openbaar heeft gemaakt. Hij voert aan dat de verslagen van de driehoeksoverleggen, waarin is gesproken over het ophalen van vee bij zijn bedrijf, niet zijn bijgevoegd. Verder voert hij aan dat hij de inbeslaggenomen koeien heeft teruggekocht van de particulieren aan wie de NVWA de dieren heeft verkocht. Volgens [eiser] kan het niet anders dan dat de RVO beschikt over informatie of communicatie over dit onderwerp. Ook voert [eiser] aan dat in de openbaar gemaakte informatie wordt gesproken over “aanpassingen in de last” en “het in overeenstemming brengen van het maatregelen besluit”. Dit is volgens [eiser] vastgelegd op 3 en 15 maart 2017. [eiser] is van mening dat de genoemde bijlage ten onrechte niet openbaar is gemaakt. Daarnaast voert [eiser] aan dat aan de inbeslagname van zijn koeien een beleid ten grondslag ligt en dat het daarom niet anders kan dan dat de NVWA, de RVO en/of de minister over veel meer documenten beschikken. Volgens [eiser] heeft de inbeslagname plaatsgevonden om andere redenen dan de redenen die de minister, de NVWA en de RVO daarvoor in de openbaar gemaakte documenten hebben gegeven. Kort gezegd komen die andere redenen erop neer dat de overheid de koperserkenning voor het innemen van melk voor menselijke consumptie van [eiser] wil afnemen en wil voorkomen dat hij bezwaar kan maken tegen het fosfaatreductieplan. Voor een uitgebreidere weergave van de motivering die [eiser] voor dit standpunt heeft gegeven verwijst de rechtbank naar overweging 21 van de tussenuitspraak.
15. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, blijkt dat in de uitspraak van 24 februari 2026 al een oordeel is gegeven over het standpunt van [eiser] dat niet alle onder de NVWA berustende documenten openbaar zijn gemaakt. Daarom kan dit in deze beroepsprocedure niet meer aan de orde komen.
16. De rechtbank is van oordeel dat de mededeling van de minister dat de RVO niet meer documenten heeft dan de reeds (gedeeltelijk) openbaar gemaakte documenten niet ongeloofwaardig voorkomt en dat [eiser] het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank zal dit hierna toelichten.
Als een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt, om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.3
Het Woo-verzoek van [eiser] van 22 april 2023 ziet op het openbaar maken van alle correspondentie, verslagen en andere documenten over de inbeslagname van tien melkkoeien op zijn bedrijf op 9 mei 2017 en de afhandeling van zijn bezwaar daartegen.
De minister heeft in het verweerschrift en op de zittingen toegelicht dat naar aanleiding van het Woo-verzoek in het (digitale) dossier van de RVO een zoekslag is gedaan naar de documenten die vallen binnen de reikwijdte van dat verzoek. De behandelaar van het verzoek heeft de aanspreekpunten van de relevante afdelingen benaderd voor het verzamelen van de voor het Woo-verzoek relevante documenten. Deze aanspreekpunten hebben de behandelaars van het dossier van [eiser] benaderd. De dossierbehandelaars hebben uit het (digitale) dossier van [eiser] 34 relevante documenten verzameld. Deze zijn met het besluit van 6 december 2023 (deels) verstrekt. Naar aanleiding van het bezwaar heeft de bezwaarbehandelaar een nieuwe zoekslag laten uitvoeren. De betreffende dossierbehandelaars hebben – via de aanspreekpunten – nogmaals gezocht, rekening houdend met de door [eiser] in het aanvullende bezwaarschrift genoemde punten. Naar aanleiding daarvan zijn nog twee documenten aangetroffen. Deze documenten zijn alsnog (gedeeltelijk) openbaar gemaakt met bestreden besluit I. Vervolgens is tijdens de beroepsprocedure nog een extra document gevonden. Dit document is gedeeltelijk openbaar gemaakt met bestreden besluit II. Volgens de minister zijn geen (andere) documenten aangetroffen over de terugkoop van de koeien door [eiser]. Verder merkt de minister op dat bij de e-mail van 3 maart 2017 geen bijlage is gevoegd en dat de bijlage bij de e-mail van 15 maart 2017, genaamd “BOB deel over overbezetting.docx”, al openbaar is gemaakt met het besluit van 6 december 2023. De minister ontkent dat er beleid is gericht op het afnemen van de koperserkenning van [eiser] of op het voorkomen dat hij bezwaar maakt tegen het fosfaatreductieplan. Volgens de minister zijn nu alle bij de RVO berustende en onder de reikwijdte van het Woo-verzoek vallende documenten aan [eiser] verstrekt.
Naar aanleiding van de beroepsgronden van [eiser] heeft de minister in bestreden besluit II alsnog een verslag van een driehoeksoverleg gedeeltelijk openbaar gemaakt. [eiser] heeft niet gesteld dat er tijdens meer driehoeksoverleggen over de inbeslagname van zijn koeien is gesproken, laat staan dat hij dit aannemelijk heeft gemaakt. [eiser] heeft niet uitgelegd waarom hij denkt dat de RVO meer informatie heeft over het terugkopen van zijn koeien. Hij heeft dit dus ook niet aannemelijk gemaakt. Voor wat betreft de door [eiser] genoemde “aanpassingen in de last” en “het in overeenstemming brengen van het maatregelen besluit”, die zouden zijn vastgelegd op 3 en 15 maart 2017, sluit de rechtbank zich aan bij wat de minister heeft opgemerkt over de e-mails van 3 en 15 maart 2017.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat er een beleid ten grondslag ligt aan de inbeslagname van zijn koeien of dat deze inbeslagname verband houdt met de wens om zijn koperserkenning af te nemen of te voorkomen dat hij bezwaar kan maken tegen het fosfaatreductieplan. [eiser] heeft geen bewijs geleverd van (het bestaan van een verband tussen) de door hem in dat verband gestelde feiten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de openbaar gemaakte documenten en de daarin opgenomen foto’s steun geven aan de door de minister, de NVWA en de RVO gegeven redenen voor de inbeslagname.
Dit betekent dat deze beroepsgrond niet slaagt.
Heeft [eiser] recht op een schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn?
17. [eiser] heeft een verzoek om schadevergoeding gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vier jaren redelijk is, gerekend vanaf het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Hieruit volgt dat de procedure tot de uitspraak van de rechtbank ten hoogste twee jaar mag duren. In dit geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn tot verlenging of verkorting van deze termijn.4
De redelijke termijn is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift van [eiser] door de minister op 16 januari 2024. Vanaf die datum tot de datum van deze uitspraak zijn twee jaar en ruim acht maanden verstreken. Dat betekent een overschrijding van de redelijke termijn met ruim acht maanden. De minister heeft binnen zes maanden op het bezwaarschrift beslist. Daarom is de overschrijding volledig toe te rekenen aan de rechtbank. Het uitgangspunt is dat voor de schadevergoeding een tarief wordt gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Op basis daarvan stelt de rechtbank de schadevergoeding in dit geval vast op € 1.000. De rechtbank zal de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot vergoeding van dit bedrag aan immateriële schade aan [eiser].
Conclusie en gevolgen
18. Uit wat in de tussenuitspraak en deze einduitspraak is overwogen en geoordeeld, volgt dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover het is gericht tegen bestreden besluit I. Ook volgt daaruit dat bestreden besluit II niet goed is gemotiveerd. Dit is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Daarom is het beroep van [eiser] gegrond voor zover het is gericht tegen bestreden besluit II en moet dit besluit worden vernietigd. De rechtbank zal bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit II in stand blijven, omdat de minister het motiveringsgebrek heeft hersteld door het indienen van de besluiten van 7 september 2023 en 27 maart 2025.
19. Omdat de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit II gegrond verklaart, moet de minister aan [eiser] het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
20. De rechtbank is niet gebleken dat [eiser] kosten heeft gemaakt in de beroepsprocedure. Daarom krijgt hij geen proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen bestreden besluit I;
- verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen bestreden besluit II;
- vernietigt bestreden besluit II;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit II in stand blijven;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een vergoeding van € 1.000 aan [eiser];
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan [eiser] te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.