ECLI:NL:RBOVE:2026:6020

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Rechtbank Overijssel
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
ZWO 26/976
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het vastgestelde WIA-maandloon[1] (dagloon) waarop het UWV de hoogte van haar IVA-uitkering[2] heeft gebaseerd. Volgens eiser is het dagloon te laag vastgesteld. Hiertoe voert zij aan dat het besluit onevenredig is, omdat de berekeningswijze in haar situatie tot een resultaat leidt dat geen reële afspiegeling vormt van haar daadwerkelijke verdiencapaciteit en arbeidspositie op het moment van haar uitval. Ook heeft het UWV onvoldoende rekening gehouden met haar specifieke omstandigheden. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Om het welvaartsniveau vast te stellen is dwingend voorgeschreven dat niet bepalend is het loon dat werd genoten op het moment van intreden van het verzekerde risico (de ziekmelding), maar het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de gehele referteperiode (het zogenaamde historisch dagloon). De door eiser naar voren gebrachte omstandigheden leiden niet tot de conclusie dat het bestreden besluit voor haar onredelijk bezwarend is.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 26/976

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats], (hierna: [eiser])

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)

gemachtigde: [gemachtigde].

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het beroep van [eiser] tegen het vastgestelde WIA-maandloon1 (dagloon) waarop het UWV de hoogte van haar IVA-uitkering2 heeft gebaseerd. Volgens [eiser] is het dagloon te laag vastgesteld. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank haar beroep. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet slaagt. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.

Procesverloop

1. Met het besluit van 23 december 2025 is met ingang van 13 oktober 2025 een

IVA-uitkering aan [eiser] toegekend met een WIA-maandloon van € 1.412,88. Met het bestreden besluit van 9 februari 2026 op het bezwaar van [eiser] is het UWV bij de vaststelling van de hoogte van het WIA-maandloon gebleven.

1.1.

[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. [eiser] heeft daar weer op gereageerd.

1.2.

De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben [eiser] en de gemachtigde van het UWV deelgenomen. Ook de moeder van [eiser] was aanwezig.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. [eiser] was vanaf 1 juli 2023 werkzaam als Clinical Research Associate/Clinical Affairs

Specialist. Eerst werkte zij als oproepkracht voor één dag per week en vanaf september 2023 voor gemiddeld 32 uur per week tegen een uurloon van € 20,45 bij Evidencio B.V. Zij is op 16 oktober 2023 ziek geworden. Het dienstverband is op 1 september 2024 geëindigd.

2.1.

Met het besluit van 19 september 2024, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

24 oktober 2024, heeft het UWV [eiser] vanaf 2 september 2024 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

2.2.

Op 7 juli 2025 heeft [eiser] een WIA-uitkering aangevraagd. Bij de beoordeling daarvan is in het arbeidsdeskundig rapport van 18 december 2025 het maatmaninkomen vastgesteld op € 20,45 per uur en de maatmanomvang op gemiddeld 31,95 uur per week. De arbeidsdeskundige heeft daarbij de loontijdvakken van juli en augustus 2023 uitgesloten, omdat [eiser] in die tijdvakken werkzaam was op oproepbasis. Vanaf 1 september 2023 was zij werkzaam op basis van een contract voor 32 uur per week. De maand september 2023 beschouwt de arbeidsdeskundige daarom als representatief voor het maatmaninkomen.

2.3.

Bij besluit van 23 december 2025 heeft het UWV aan [eiser] een IVA-uitkering toegekend met ingang van 13 oktober 2025. De hoogte van de IVA-uitkering is 75% van het WIA-maandloon. Bij de berekening van het WIA-maandloon heeft het UWV zich niet alleen gebaseerd op de inkomsten uit de maand september 2023, maar ook op de inkomsten uit de maanden juli en augustus 2023. Deze inkomsten zijn opgeteld en de uitkomst is gedeeld door 65 werkdagen, vermenigvuldigd met 21,75 en aangepast wegens een indexering. Het WIA-maandloon is dan € 1.412,88. De IVA-uitkering is 75% daarvan. Dat is € 1.059,66 bruto.

Standpunten van [eiser]

3. [eiser] stelt dat het besluit onevenredig is, omdat de berekeningswijze in haar situatie tot een resultaat leidt dat geen reële afspiegeling vormt van haar daadwerkelijke verdiencapaciteit en arbeidspositie op het moment van haar uitval. Ook heeft het UWV onvoldoende rekening gehouden met haar specifieke omstandigheden.

3.1.

Hiertoe voert zij aan dat zij, in een periode waarin haar dochter nog maar drie jaar oud was, heeft besloten om te gaan studeren. Aan het einde van de studie liep zij er tegenaan dat zij bij sollicitaties steeds werd afgewezen vanwege gebrek aan werkervaring. Toen haar

ex-werkgever haar de kans bood om per 1 juli 2023 één dag per week op 0-urenbasis te werken, heeft zij dat gedaan, om op die manier alvast werkervaring te krijgen. Dit was geen gemakkelijke keuze, omdat zij toen nog moest afstuderen en de zorg had voor haar gezin. Toch heeft zij die keuze gemaakt, omdat haar gezin zich geen periode zonder inkomen kon veroorloven tussen haar studie en haar eerste baan. Zij moest er daarom alles aan doen om direct na het einde van de studielening aan het werk te kunnen. Vanaf 1 september 2023 is zij gestart met een contract voor 32 uur per week. Slechts anderhalve maand later is zij ziek geworden.

3.2.

[eiser] licht verder toe dat het moeilijk voor haar is dat juist de periode van twee maanden van inwerken, die bedoeld was om haar positie op de arbeidsmarkt te verbeteren, nu grote financiële gevolgen heeft. Zij begrijpt dat het verschil tussen de berekening van het maatmanloon en WIA-maandloon voortkomt uit verschillende wettelijke berekeningen, maar het voelt voor haar tegenstrijdig dat een periode die door het UWV zelf als niet representatief wordt gezien, vervolgens wel leidt tot een blijvend en groot financieel nadeel. Door de manier waarop haar uitkering is berekend, ontvangt zij momenteel € 981,14 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Als de berekening was gebaseerd op het salaris van haar 32-urige contract a € 2.360 bruto per maand, zou haar uitkering ongeveer € 1.632 bruto per maand zijn geweest. Dat is een verschil van ongeveer € 650 per maand. Het is dan ook onevenredig dat juist de twee maanden waarin [eiser] uit eigen initiatief alvast is gaan werken om haar kansen op de arbeidsmarkt te vergroten, nu zo’n groot - en waarschijnlijk nog jarenlang al dan niet levenslang - financieel nadeel veroorzaakt.

Standpunten van het UWV

4. Het UWV stelt zich op het standpunt dat het dagloon een gemiddelde is van de inkomsten van de functie waaruit [eiser] ziek is geworden. Bij de berekening daarvan moet op grond van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (hierna: Dagloonbesluit) al het loon in de referteperiode van 1 juli 2023 tot en met 30 september 2023 worden meegeteld. Dit betekent dat ook het inkomen als oproepkracht meetelt. Volgens het UWV is de uitkomst daarvan niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, omdat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) al meerdere keren heeft geoordeeld dat de besluitgever rekening heeft gehouden met het feit dat in de referteperiode periodes kunnen zitten waarin minder loon is genoten en geen onderscheid heeft gemaakt naar de reden waarom in een periode minder loon is ontvangen. De door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden leiden niet tot de conclusie dat het besluit onredelijk bezwarend is.

4.1.

In het verweerschrift heeft het UWV erop gewezen dat de CRvB meerdere keren heeft geoordeeld dat de vaststelling van het maatmanloon los staat van de vaststelling van het dagloon, omdat deze begrippen van elkaar verschillen, het gebruik ervan gebaseerd is op verschillende wettelijke bepalingen en zij niet dezelfde doelen dienen. Er is sprake van een dwingendrechtelijk wettelijk kader waardoor er voor een analoge toepassing van de berekening van het maatmanloon bij de berekening van het dagloon, zoals door [eiser] gewenst, geen ruimte is.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank is van oordeel dat het UWV het WIA-maandloon terecht heeft gebaseerd op de inkomsten uit de maanden juli, augustus en september 2023 en daarom heeft vastgesteld op € 1.412,88. De rechtbank licht dit als volgt toe.

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat het UWV het WIA-maandloon conform de geldende wet- en regelgeving heeft berekend. De rechtbank begrijpt het geschil zo dat [eiser] stelt dat de dagloonvaststelling in haar geval onevenredig uitpakt, zodat artikel 16 van het Dagloonbesluit wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing moet worden gelaten. Aansluiting zou volgens [eiser] moeten worden gezocht bij de berekening van het maatmanloon.

5.2.

De rechtbank volgt [eiser] hierin niet. Daarbij is het volgende van belang. Met het bestreden besluit heeft het UWV de artikelen 13 en 16 van het Dagloonbesluit toegepast.3 Dit betekent dat het bestreden besluit berust op een zogenaamde gebonden bevoegdheid. Bij een gebonden bevoegdheid heeft bij het formuleren van de regel al een belangenafweging in algemene zin plaatsgevonden. De uitkomst van die belangenafweging is neergelegd in de voorwaarden voor de uitoefening van de bevoegdheid. Daarmee is in beginsel gegeven dat een besluit dat is genomen ter uitvoering van de gebonden bevoegdheid evenredig is. Het te nemen besluit volgt uit het wel of niet vervuld zijn van de toepassingsvoorwaarden en het bestuursorgaan (het UWV) hoeft daarbij geen belangenafweging te maken.

5.3.

Toch kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de toepassing van de regel in een specifiek geval onevenredig is. Dit is het geval als er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van de regel in het concrete geval tot een onevenredig nadelige uitkomst leidt, dat wil zeggen: als het besluit in de gegeven omstandigheden voor de betrokkene onredelijk bezwarend is.4

5.4.

De door [eiser] naar voren gebrachte omstandigheden leiden niet tot de conclusie dat het bestreden besluit voor haar onredelijk bezwarend is. De rechtbank ziet dat toepassing van de regels uit het Dagloonbesluit leidt tot negatieve gevolgen voor [eiser], maar dat is op zichzelf niet voldoende om het bestreden besluit onredelijk bezwarend te achten. Daarbij is van belang dat uit de Dagloonregels het uitgangspunt volgt dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet vormen van de welvaart van de betrokkene in de periode voorafgaand aan de verzekerde gebeurtenis (de ziekte). Om dat welvaartsniveau vast te stellen is dwingend voorgeschreven dat niet bepalend is het loon dat werd genoten op het moment van intreden van het verzekerde risico (de ziekmelding), maar het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de gehele referteperiode (het zogenaamde historisch dagloon).

5.5.

De CRvB heeft vaker overwogen dat het bij deze manier van vaststellen van het welvaartsniveau hoort dat periodes waarin minder loon is genoten tijdens de referteperiode, een negatieve invloed hebben op de hoogte van het dagloon. Bij het formuleren van de Dagloonregels is daarmee rekening gehouden en daarbij is geen onderscheid gemaakt naar de reden waarom in een periode minder loon is ontvangen.5 De rechtbank overweegt dat de situatie van [eiser] niet uniek is en dat het vaker voorkomt dat een betrokkene om legitieme redenen in bepaalde maanden van de referteperiode minder heeft verdiend dan normaal. Dat neemt niet weg dat er bewust voor is gekozen om ook die maanden mee te laten wegen bij het vaststellen van het welvaartsniveau voorafgaand aan de ziekmelding.

5.6.

Het voorgaande brengt met zich dat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat toepassing van de regel leidt tot een onevenredig nadelige uitkomst voor [eiser].

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt en de hoogte van haar IVA-uitkering dus niet wijzigt. Omdat het beroep ongegrond is krijgt zij het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op

griffier

De rechter is verhinderd te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)

Artikel 13 van de Wet WIA

  1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

  2. (…)

  3. Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zonodig afwijkende regels gesteld.

  4. Het maandloon bedraagt:

a. indien recht op een uitkering bestaat over een volledige kalendermaand: 21,75 maal het dagloon; of

b. indien niet over een volledige kalendermaand recht op een uitkering bestaat: de uitkomst van het aantal dagen in de betreffende kalendermaand waarover recht op een uitkering bestaat gedeeld door het totaal aantal dagen in de betreffende kalendermaand vermenigvuldigd met 21,75 maal het dagloon. Bij het bepalen van het aantal dagen worden de zaterdagen en zondagen buiten beschouwing gelaten.

Dagloonbesluit werknemersverzekering (Dagloonbesluit)

Artikel 13 van het Dagloonbesluit

  1. Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.

  2. (…)

  3. De referteperiode eindigt, indien de aanspraak op uitkering berust op artikel 10 van de Wet WIA of op artikel 17 van de WAO, in afwijking van het eerste lid, op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaand aan het aangiftetijdvak waarin de verzekering is geëindigd.

Artikel 16, eerste lid van het Dagloonbesluit

Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en de WAO is de uitkomst van de volgende berekening:

(A – B + C) / D

waarbij:

A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;

B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;

C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en

D staat voor 261.

Artikel 18, eerste lid van het Dagloonbesluit.

Het dagloon van de werknemer die vanaf de aanvang van de referteperiode tot en met de laatste dag van het eerste volledige aangiftetijdvak van dat jaar geen loon als bedoeld in artikel 14 of 15 heeft genoten, wordt vastgesteld door bij de toepassing van artikel 16, eerste lid, «261» te vervangen door: het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van de referteperiode.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »